GOUBITZ, Joseph

Joop Goubitz

(roepnaam: Joop), vrij-socialistisch en communistisch activist, is geboren te Amsterdam op 13 mei 1875 en overleden te Hilversum op 2 maart 1939. Hij was de zoon van Moses Goubitz, sigarenmaker, en Duifje Blitz. Vanaf ongeveer 1903 had hij een vrij huwelijk met Mettje Zijlstra, met wie hij vijf dochters en drie zoons kreeg.
Pseudoniemen: Jopie, Le Grand, Le Petit

Goubitz werd als derde kind geboren in een Amsterdams gezin, dat met dertien personen in één kamer in de Valkenburgerstraat woonde. Als kind verrichtte hij thuisarbeid voor de tabaksindustrie, maar werd vervolgens opgeleid tot diamantbewerker. In het milieu van de door A.M. Reens geleide joods-socialistische propagandaclub Het Centrum, die fel anti-religieus en anti-staat was, kwam hij tot het socialisme. Hij speelde een rol bij de anti-belastingbeweging van Reens, waarbij mensen weigerden belasting te betalen met het doel daarmee de staat te vernietigen. Toen Goubitz als gevolg van een ongeval aan één van zijn ogen geen diamant meer kon bewerken, begon hij journalistiek werk te doen voor bladen als De Controleur, De Arbeid, Het Volksdagblad en De Vrije Socialist. Ook zorgde hij voor de inning van kwitanties van De Vrije Socialist van Ferdinand Domela Nieuwenhuis. In het najaar van 1903 was hij voldoende hersteld om terug te keren in het vak van diamantbewerker, zonder echter de journalistiek op te geven. In deze tijd kreeg hij een relatie met Mettje Zijlsta die hij in de vrij-socialistische beweging had leren kennen. In mei 1904 trok hij bij haar in. Goubitz was vanaf het begin lid van de in 1894 opgerichte Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), waarbinnen hij het vrij-socialistische element vertegenwoordigde dat het centralisme van de door Henri Polak geleide bond heftig bestreed. Als lid van de Vrije Socialistische Vereeniging trad Goubitz veelvuldig op als debater op vergaderingen, waar hij sociaaldemocratische voormannen als Polak en Pieter Jelles Troelstra voortdurend verwijten maakte. Als vrije socialist geloofde hij niet in politieke actie om het lot van de arbeiders te verbeteren. Na de mislukte spoorwegstaking van april 1903 werd Goubitz verhoord door de Onderzoekscommissie die dit falen moest onderzoeken. Jan van Zutphen haalde de beschuldigingen die Goubitz daar uitte onderuit in een reeks artikelen in Het Volk over het ‘verraadrapport’ van de onderzoekscommissie en de tekenaar Albert Hahn dreef de spot met Goubitz in een paginagrote prentenserie in de zondagskrant van Het Volk onder de titel: ‘Nieuwe Nederlandsche kinderprenten – De lange neus of een moderne verraad-geschiedenis’.

Toen Domela Nieuwenhuis in 1908 voor de Kinderbibliotheek van de Amsterdamse Ontspanningschool de brochure Robert Owen als kinder- en menschenvriend schreef, nam Goubitz het voorwoord voor zijn rekening. Hij was geïnteresseerd in libertair onderwijs en riep de vrije socialisten op om de Ontspanningscholen moreel en financieel te ondersteunen. In de vakbeweging bleef Goubitz tientallen jaren in woord en geschrift een fel opponent van Polak, die hij onder meer beschuldigde van dictatoriaal gedrag, leugens en het niet houden van huishoudelijke ledenvergaderingen van de ANDB. Zijn agitatie betrof feitelijk de strijd tussen zijn syndicalistische ‘directe actie’-denkbeelden en Polaks opvattingen over ‘moderne’ vakbeweging. Goubitz bleef gekant tegen de centralisatie die Polak voorstond. In Het Volk liet Cirsium (pseudoniem van Polak) zich menigmaal in badinerende zin uit over Goubitz. Op zijn beurt zorgde Goubitz regelmatig voor rumoer in vergaderingen binnen en buiten de bond. Het lukte hem niet in de Bondsraad van de ANDB gekozen te worden om zo meer invloed te kunnen uitoefenen. Desondanks kreeg hij bij de Bondsraadverkiezing van 1912 een kwart van de uitgebrachte stemmen, maar Polak verbood hem dat jaar, op straffe van royement, in het blad De Diamantbewerker van de Belgische diamantbewerkersbond te schrijven. Zonder lidmaatschap van de ANDB zou hij geen werk meer kunnen krijgen, dus moest Goubitz bakzeil halen. Zijn humoristisch bedoelde correspondentie met Polak over deze kwestie werd in verschillende bladen afgedrukt. In 1913 publiceerde Goubitz een boekje met beschuldigingen aan het adres van Polak met een voorwoord van Harm Kolthek, de secretaris van het Nationaal Arbeids-Secretariaat. In 1924 deed Goubitz zijn laatste poging om invloed binnen de ANDB uit te oefenen door zich als communist met geestverwanten voor de Bondsraad verkiesbaar te stellen. De communisten leden echter een verpletterende nederlaag. Dat alles verhinderde Goubitz niet om in 1937 speciaal uit Hilversum over te komen om de grootse huldiging van de 70-jarige Polak bij te wonen.

Al in 1895 was Goubitz door een lezing van dominee N.J.C. Schermerhorn geheelonthouder geworden. Hij werd actief in de Socialistische Geheel-Onthouders Propagandaclub en trad vanaf 1900 op als spreker over geheelonthouding en socialisme. Als lid van een voorlopig comité riep hij alle Amsterdamse geheelonthoudersverenigingen op om samen te gaan. Dit bracht hem in contact met Jacob van Rees, die voorzitter was van de Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond (ANGOB) en oprichter van de Kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum, een Tolstojaans gezelschap van voorstanders van het vrije huwelijk, antimilitarisme en het zelf in handen nemen van de productie. In 1910 verhuisde Goubitz met zijn gezin naar Laren en plaatste zijn kinderen op de door Van Rees opgerichte Humanitaire School. Bij een conflict met de tuinders van de kolonie maakte hij deel uit van een commissie om het conflict te beslechten. Goubitz werd voorzitter van het comité Gooi- en Eemland van de ANGOB en was van 1913 tot en met 1916 secretaris van het comité van uitvoering voor de Gooische Wapenschouw van verschillende geheelonthoudersverenigingen in het Gooi en omstreken. In deze jaren bemoeide hij zich intensief met de vrij-socialistische beweging, die echter steeds kleiner werd. In 1916 ondertekenden Goubitz en Mettje Zijlstra (als Mettje Goubitz-Zijlstra) het dienstweigeringsmanifest.

Goubitz voelde zich steeds meer aangetrokken tot de in 1909 opgerichte Sociaal-Democratische Partij (SDP), die in de Eerste Wereldoorlog een antiparlementair standpunt innam. Hij deed zijn werk als diamantbewerker thuis, maar zoals de meeste van zijn vakgenoten kreeg hij door het diamantslijpsel last van zijn ogen. Bij zijn verhuizing naar Hilversum in 1916 begon hij daarom een sigarenhandel. Omdat veel sigaren rokende kameraden hun aankopen lieten opschrijven in plaats van deze te betalen, volgde in 1924 het faillissement. Hierdoor kwam Goubitz als werkloze in de werkverschaffing. Maar hij verloochende zijn actieve aard niet en werd secretaris van het Gooisch Revolutionair-Socialistisch Comité. Samen met politiek verwante vertegenwoordigers klaagde hij meermalen bij de burgemeester over de nood van de arbeiders. Hij werd lid van de Federatie van Oudercommissies in Hilversum en organiseerde het communistische kinderkamp De Zaaier bij Tienhoven. In 1918 was hij toegetreden tot de Communistische Partij in Nederland (CPN), de voortzetting van de SDP die zich tot 1935 Communistische Partij Holland noemde. Goubitz werd secretaris van de Hilversumse partijafdeling en was in 1919 kandidaat bij de verkiezingen voor de Hilversumse gemeenteraad, maar werd niet gekozen. Hij was jarenlang actief, onder meer als secretaris, in de Hilversumse afdeling van de Internationale Roode Hulp en sprak bij de oprichting van de Hilversumse Volksuniversiteit over onderwerpen als de instandhouding van het koningschap en de zienswijze van het communisme op de ‘ontwikkeling des geestes’. In 1921 werd hij tewerkgesteld bij het door diamantbewerkers opgezette sanatorium Zonnestraal in Hilversum, waarover hij in 1923 een in eigen beheer uitgegeven boekje schreef met een voorwoord van Jan van Zutphen. Goubitz bleef politieke vergaderingen bezoeken en daar in debat gaan. Vanaf 1923 tot 1927 maakte hij voor de CPN deel uit van de gemeenteraad van Hilversum. Hij raakte daar bekend als iemand die recht voor zijn mening uitkwam en van geen wijken wist. In de raad had hij echter ook vaak de lachers op zijn hand met zijn gevatte opmerkingen. Hij voerde het woord over tal van aangelegenheden, zoals te dure gemeentelijke recepties, wantoestanden in krotwoningen, de behuizing van woonwagenbewoners, het optreden van armbesturen en arbeidskwesties van gemeenteambtenaren. Goubitz trad ook op als Goois correspondent voor het dagblad De Tribune. Na een ruzie met de lijsttrekker van de Hilversumse communisten, H. van der Glas, tevens lid van het hoofdbestuur van de CPN, werd Goubitz eind 1926 geroyeerd. Hij richtte daarop zijn eigen Revolutionaire Arbeiders Groep op en stelde zich in 1927 verkiesbaar voor de afgesplitste communistische groepering van David Wijnkoop, maar noch de CPN noch de groepering van Wijnkoop haalde een zetel. Goubitz richtte zich nu geheel op zijn nieuwe werkzaamheid als praktizijn bij het kantongerecht. Vanaf 1917 was het hem door het kantongerecht te Hilversum toegestaan mensen juridisch te adviseren. Tijdens zijn gemeenteraadsperiode richtte hij het Buro voor Arbeidsrecht op, dat gevestigd was in de serre van zijn woning. Hier adviseerde en ondersteunde hij arbeiders die in financiële of andere moeilijkheden verkeerden of stond hen bij in geschillen met hun werkgever. Ook hielp hij arme gezinnen bij echtscheidingsprocedures. Ook in het grote gezin van Goubitz bleef de armoe groot, zozeer zelfs dat zijn echtgenote met een sjaal om haar hoofd in de serre om financiële hulp kwam vragen. Haar echtgenoot zag immers niet zo scherp maar toonde wel meegevoel. Zijn pogingen om in 1934 voor een klein smidsbaasje werkzaamheden vergoed te krijgen bij een plaatselijk lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) die niet had betaald, leverde hem vanwege zijn joodse achternaam een antisemitische scheld- en dreigbrief op, die uitgebreid in de pers werd behandeld. Goubitz schrok er niet voor terug op een propagandabijeenkomst van de NSB in Hilversum fel in debat te gaan met NSB-leider Anton Mussert, wat tot grote consternatie leidde. Uit politiedossiers blijkt dat Goubitz in 1937 contactadres was voor personen die tijdens de Spaanse burgeroorlog wilden deelnemen aan de strijd tegen generaal Francisco Franco.

Via een broer van Goubitz die handelaar in lompen en metalen was, leverde Goubitz bijdragen voor het blad Ons Belang, Weekblad voor den Handel in Lompen en Metalen. In 1937 kreeg Goubitz van de ANGOB ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de afdeling Hilversum een ere-insigne, omdat hij meer dan 25 jaar voor de vereniging gewerkt had. Goubitz stierf in 1939 aan de gevolgen van diabetes. Kort na zijn overlijden sprak kantonrechter mr. J.M. van der Ley in een kort herdenkingswoord uit ‘dat de indruk bleef van een goed mens, die geen handeling kon verdragen, welke hij als onrechtvaardig aanvoelde. Daartegen vocht hij met zijn grote strijdvaardigheid’. Twee van zijn kinderen zijn later bekend geworden, Ab Goubitz van het radioprogramma Ochtendgymnastiek en Ali Goubitz als beeldend kunstenaar.

Archief: 

Archief J. Goubitz in IISG (Amsterdam).

Publicaties: 

Mijne beschuldigingen tegen den heer H. Polak, voorzitter van den Algemeenen Nederlandschen Diamantbewerkersbond (Laren 1913); 'Herinneringen' in: Een kwart-eeuw idealisme. Gedenkboek ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig bestaan van den Algemeenen Nederlandschen Geheelonthoudersbond (Den Haag 1922); 'Zonnestraal' - Herinneringen aan den crisistijd 1921 en de Hilversumsche werkverschaffing (Hilversum 1923).

Literatuur: 

C.A. van der Velde, De A.N.D.B. Een overzicht van zijn ontstaan, zijne ontwikkeling en zijne beteekenis (Amsterdam 1925); De Geheelonthouder, nr. 1, 1939; W.H. Meijer, Terugblik. Herinneringen van een sociaal-democraat (Amsterdam 1981); S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat: 1868-1943 (Den Haag 1993); S. Bloemgarten en Ph. Bregstein, Herinnering aan Joods Amsterdam (Amsterdam 1999); Y. Koopmans (red.), Ali Goubitz (1904-1975). De volmaaktheid van het allerkleinste (Arnhem 2002); F. Goubitz en B. Bokhorst, ‘De familie Goubitz’ in Hilversums Historisch Tijdschrift ‘Eigen Perk’, 2015, nr. 3, 130-143.

Portret: 

Joop Goubitz op een journalistenbijeenkomst, particulier bezit.

Handtekening: 

Uit notulenboek van het comité Gooische Wapenschouw (particulier bezit).

Auteur: 
Bart Bokhorst
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2016)