GOUDSMIT, Isaäc

Isaäc Goudsmit

(roepnaam: Ies), bestuurder en geschiedschrijver van de moderne bakkersgezellen- en cacaobewerkersbond, is geboren te Amsterdam op 1 juli 1881 en aldaar overleden op 18 december 1966. Hij was de zoon van Levie Goudsmit, diamantbewerker later koopman, en Hanna Vos. Op 16 juni 1910 trad hij in het huwelijk met Frederika Stork, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg. Zij kwam om in Auschwitz. Op 9 september 1955 hertrouwde hij met Maria van Esso.

In het hart van de Amsterdamse Jodenhoek, de St. Anthoniesbreestraat, groeide Goudsmit op in een groot gezin. De acht kinderen - één overleed als zuigeling - zullen mede opgevoed zijn door een inwonende oma en tante. De orthodox joodse opvoeding - zijn vader tekende zijn geboorteakte niet omdat het sabbath was - zette een stempel op zijn verdere leven. Goudsmit is altijd gelovig gebleven. Zijn vader die vanuit het diamantvak in de ambulante handel terecht was gekomen, kon het financieel nauwelijks bolwerken zodat Goudsmit na de lagere school moest meeverdienen. In de israëlitische bakkerij in de Commelinstraat kwam hij als dertienjarige in 1894 in aanraking met vakactie, toen de aanvankelijk succesvolle algemene bakkerij staking uitbrak die het begin vormde van de Nederlandsche Bakkersgezellenbond. Hij meldde zich twee jaar later aan als lid. Diep onder de indruk van een mei-rede van H. Gorter in het Paleis voor Volksvlijt sloot hij zich omstreeks 1900 aan bij de SDAP. Toen zijn werkgever M.A. Blok in de Nieuwe Amstelstraat hem ontsloeg na een kortstondige succesvolle staking waarin hij het voortouw had genomen, zette de bond de patroon met een nieuwe staking voor het blok. Na arbitrage ging deze door de knieën. Deze ervaring zal Goudsmit ertoe gebracht hebben zich met hart en ziel in het vakbondswerk te storten. In de kleine financieel zwakke afdeling, die in 1904 zelfs failliet ging, wierp hij zich op als voorstander van centralisatie en instelling van een vrijgesteld propagandist. In 1905 werd hij bondssecretaris en nam in die functie deel aan de oprichtingsvergadering van het NVV. Met een werkweek van 78 uur - 's avonds en 's nachts in de bakkerij en daarna tot een uur of tien broodbezorgen - bleef er weinig tijd over voor vakbondsactiviteiten. 'In die tijd moest je slapen, proberen jezelf meer kennis bij te brengen en dan ook nog het secretariaat van de bond voeren. Natuurlijk deed je het met liefde en overtuiging, maar... hoe moest de zaak ooit van de grond komen?' Begin 1908 gaf hij de moed op. Maar toen hij later dat jaar - op het nippertje - gekozen werd tot eerste vrijgestelde en de bond door fusie met de cacao- en suikerbewerkers meer financiële armslag kreeg en een bondskantoortje kon huren waardoor Goudsmits ouderlijk huis (driehoog in de Weesperstraat) daarvoor niet meer hoefde te dienen, ging hij overstag. Hij werd propagandist en secretaris-penningmeester en vanaf 1910 eindredacteur van het bondsblad De Bode (tot 1940). Het penningmeesterschap 'niet het vrolijkste baantje' droeg hij in 1917 over aan Ben Roeg. Met hem had hij de joodse achtergrond en religiositeit gemeen, één van de wortels van hun levenslange vriendschap. Het joodse element bij de bakkersgezellen in de afdeling Amsterdam was sterk. Ongeveer eenderde van de leden werkte in één van de circa dertig israëlitische bakkerijen. De bond wist met de Israëlitische Patroonsorganisatie 'Eensgezindheid' in 1911 de eerste collectieve arbeidsovereenkomst af te sluiten en had daarin zelfs het verplicht lidmaatschap bedongen. Met Sal C. Rodrigues, een erudiet man afkomstig uit de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB) en vanaf 1926 afdelingsvoorzitter, Roeg en Antoni Hillebregt, die in 1911 bondsvoorzitter werd, bepaalde Goudsmit, die in 1939 voorzitter werd, het vooroorlogse gezicht van de bond. De acties voor afschaffing van bakkersnachtarbeid stonden centraal. De strijd tegen het verse kadetje leek beslecht met de Arbeidswet van 1919, maar ontduiking van de wet bij vooral kleine bakkerijen en de periodieke pogingen om de wet uit te hollen maakten een permanente agitatie noodzakelijk. In schriftelijke agitatie was Goudsmit beter dan op vergaderingen. Hij was een nijver organisator en bestuurder maar als spreker legde hij het in 1919 op een massale vergadering af tegen het oratorisch geweld van Louis de Visser, die de vergadering bijna unaniem achter zijn oproep tot algemene staking wist te krijgen.

Met zijn vlotte pen schreef Goudsmit veel brochures en twee gedenkboeken bij het 25- en 40-jarig bondsjubileum in 1919 en 1934. Het laatste, breed opgezet en beginnend met de broodbereiding in het Egypte van de farao's, was even monumentaal als het toen gebouwde nieuwe bondskantoor in Amsterdam-Zuid. De enige kritiek op het boek betrof het ontbreken van Goudsmits foto. Dit kenmerkte echter zijn bescheidenheid. Lovende opmerkingen in De Bode drukte hij pas af na lang aandringen van zijn collega's. Toch was hij in zijn geschiedschrijving meer propagandist dan historicus. Minder glorieuze episoden in het bestaan van de hond noemde hij niet of gechargeerd, zoals de rol van eerste voorzitter Johan te Boekhorst of het tijdelijk uittreden van de Amsterdamse cacaobewerkers in 1910-1911 en van een groot deel van de Amsterdamse bakkersgezellen in 1926. Door zijn talenkennis - hij sprak op congressen de buitenlandse gasten in eigen taal toe - was hij de aangewezen persoon om de bond te vertegenwoordigen op congressen van buitenlandse zusterbonden en het internationale beroeps-secretariaat. Door de buitenlandse reizen leerde hij de dreiging van het fascisme uit eigen waarneming kennen. In De Bode deed hij er op felle toon verslag van. Op 14 mei 1940 wist hij met één van de laatste boten, samen met Roeg maar zonder beider vrouwen die op de loopplank werden teruggestuurd, naar Engeland te ontkomen. In Londen maakte hij zich verdienstelijk bij het behartigen van de belangen van Nederlandse zeelieden. Na de oorlog was hij pensioengerechtigd nog slechts als meelevend oudgediende bij de bond betrokken. Zijn persoonlijk leed - hij was de enige van het gezin die de oorlog had overleefd - werd verzacht door zijn tweede echtgenote, die hij twee jaar zou overleven. Dat gebeurde grotendeels in het tot Beth Shalom omgedoopte bejaardenoord De Joodse Invalide, toen gevestigd in de Henri Polaklaan tegenover de ANDB-burcht. Daar werd hij in 1966, vitaal en zonder roestvlekken op zijn ijzeren geheugen, door zijn bond gehuldigd wegens zijn 75-jarig lidmaatschap. Enkele maanden later rukte een optrekkende tram hem uit het leven weg.

Publicaties: 

De verkregen resultaten voor de koek- en banketbakkers en voor de arbeiders en arbeidsters van de koek- en biscuitfabrieken (z.pl. 1911); 'Na 10 jaar samenzijn' in: De Vakbeweging, 31.12.1915, 234; Weg met de bakkersnachtarbeid. Wat ieder van den strijd ... weten moet (Amsterdam 1918); Gedenkboek ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van den Algemeenen Nederl. Bond van Arbeiders(sters) in het Bakkers-, Chocolade- en Suikerbewerkingsbedrijf, met aansluitend verslag nopens de toestand en verrichtingen van den bond van 1 jan. 1916 tot 1 jan. 1919 (Amsterdam 1919); (met A. Hillebregt) Op voor een eenheid! Een beschouwing over de mislukte poging van twee geroyeerde districtbestuurders tot ondermijning van de moderne bond en tot het stichten eener nieuwe organisatie in het bakkers-, chocolade en suikerbewerkingsbedrijf (Amsterlam 1926); De Arbeidswet, voor de arbeiders (sters) in de brood-, koek-, banket- en suikerbewerkingsbedrijf (Amsterdam 1926); De Arbeidswet, voor de arbeiders (sters) in de brood-, koek-, banket-, biscuit-, cacao-, chocolade- en suikerwerkbedrijven (Amsterdam 1928); Vacantie juist voor den arbeider. Een rappèl aan de werkgevers (Amsterdam 1928); Strijdt voor uw rechten. Vacantie met vacantietoeslag, hoogere lonen, medezeggenschap (Amsterdam 1929); Uit het duister naar het licht! Gedenkboek van de Algemeene Nederlandsche Bond van Arbeid(st)ers in het Bakker-, Chocolade- en Suikerbewerkingsbedrijf 1894-1934 (Amsterdam 1934); 'Het dreigend conflict bij de Kwatta-fabrieken' in: De Vakbeweging, 14.5.1936; benevens vermoedelijk nog negentien niet ondertekende (propaganda)brochures van de bond.

Literatuur: 

J. Hoogenkamp, 'De strijd tegen de nachtarbeid in het bakkerijbedrijf, 1919-1925' in: Werken rondom het IJ. Vakbondsstrijd in vijf Amsterdamse bedrijfstakken, 1870-1940 (Amsterdam 1981) 97-113; 'Is. Goudsmit, 25 jaar bondssecretaris' in: De Bode, 1.8.1930; 'Is. Goudsmit jubileert' in: Het Volk, 5.8.1930; 'Is Goudsmit 25 jaar secretaris van de Bakkersgezellenbond' in: Het Volk, 1.9.1930; Jubileumnummer De Bode, 1.8.1934; Gedenknummer De Bode 1894-1954 (Amsterdam 1954); 'En toen richtten we het NVV op' in: De Bode, 6.1.1966; 'Aanrijding door tram kost man leven' in: Het Parool, 19.12.1966.

Portret: 

284

Auteur: 
Marius van Melle
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 89-92
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992