GRAAF, Johannes de

Hannes de Graaf

(roepnaam: Hannes), christen-pacifist, is geboren in Veenhuizen op 14 juli 1911 en overleden in Heemstede op 24 april 1991. Hij was de zoon van Hendrik Tjakko de Graaf, predikant en hoogleraar theologie, en Mary Reitsma. Op 25 maart 1935 trouwde hij met Johanna Hilda Adriana de Roever (roepnaam: Annie), arts, met wie hij vier dochters kreeg.

De Graaf groeide op in een ondogmatisch hervormd milieu. Zijn vader was predikant in achtereenvolgens Marum, Veenhuizen (waar hij tussen 1907 en 1912 geestelijk verzorger in de Rijkswerkinrichtingen was), Sneek en Zutphen. Van 1926 tot zijn overlijden in 1930 was hij hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en ethiek in Leiden. Hij gold als een erudiet intellectueel met een sterke maatschappelijke belangstelling en in zijn tijd als een van de invloedrijkste vrijzinnig protestantse voormannen. In 1926 kreeg De Graaf op vijftienjarige leeftijd kinderverlamming. Zijn rechterbeen bleef verlamd, waardoor hij zich zijn verdere leven met een slepend been en een stok voortbewoog. Hij maakte in Leiden het gymnasium af en studeerde daar vanaf 1929 theologie. Beïnvloed door de sterke interesse van zijn vader voor Rusland en de Russische revolutie volgde hij ook colleges Russische taal- en letterkunde bij Nicolaas van Wijk in Leiden en Bruno Becker in Amsterdam. Na zijn huwelijk en afstuderen in 1935 voelde hij zich te jong om predikant te worden. Hij werd algemeen secretaris van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale. In deze koepelorganisatie ondersteunde hij het bezinningswerk met publicaties, organiseerde hij conferenties, cursussen en kampen voor jongeren en was hij betrokken bij activiteiten voor werklozen. Hij was lid van de Vrijzinnig-Democratische Jongeren Organisatie maar werd niet politiek actief. In 1939 vertrok hij naar Medan op Sumatra om predikant te worden voor de Protestantsche Kerk in Nederlandsch-Indië. Van 1942 tot 1945 was het gezin De Graaf gescheiden geïnterneerd in de door de Japanners ingestelde kampen. De Graaf verrichtte daar zoveel mogelijk predikantswerk. Een ontmoeting met een Russische medegevangene deed de tijdens zijn studie opgedane belangstelling voor de Russische orthodoxie herleven en hij haalde zijn kennis van de Russische taal en literatuur op. Toen eind 1944 de geallieerde troepen naderden en de geïnterneerden werden gedeporteerd, hield De Graaf de groep niet bij. Hij dacht dat zijn laatste uur geslagen had, maar toen een 'Jap' naast hem ging zitten, hem een sigaret gaf en zij samen het laatste stuk aflegden, kon hij niet langer alle Japanners als zijn vijanden zien. Deze ervaring vormde een bron van zijn genuanceerd pacifisme.

Na de bevrijding keerde het gezin De Graaf in 1946 naar Nederland terug. De Graaf moest zich er oriënteren op de nieuwe kerkelijke en politieke verhoudingen. Hij was vanaf 1946 voorganger van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden in Haarlem en vanaf 1952 was hij voorganger in Arnhem. In 1949 promoveerde hij op De anthropologie in de moderne Russische wijsgerige theologie, waarvan de handelseditie verscheen als Russische denkers over de mens (Assen 1949). De Graaf, één van de weinige deskundigen op dit terrein, ontsloot hiermee een in Nederland vrijwel onbekende wereld. Hij bleef over Russische denkers en de Russische orthodoxie publiceren in vooral kerkelijke en theologische tijdschriften. In 1955 werd hij hoogleraar ethiek aan de theologische faculteit, later ook de centrale interfaculteit van de Utrechtse universiteit. Vanuit een sterk maatschappelijk engagement kwam hij op voor een open, ondogmatische en dialogische ethiek. Hij schreef geen grote werken, maar was een gerespecteerd ethicus, mede door zijn analytisch vermogen en helder en beeldend taalgebruik, en een van de eerste ethici die respect voor het feminisme had. Theologisch bleef hij vrijzinnig, maar meer dan voorheen oriënteerde hij zich nadrukkelijk op kerk en oecumene. Hij was hoogleraar tot zijn pensionering in 1976. Politiek ontwikkelde De Graaf zich links van de Partij van de Arbeid (PvdA), omdat hij de opstelling van deze partij inzake Nederlands-Indië en de politionele acties, de Koude Oorlog en de atoombewapening niet kon delen. Hij besefte dat hij zijn vrijheid mede te danken had aan de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, maar dit maakte hem wel tot christen-pacifist. Deze existentiële keuze kwam voort uit wat hij in Indonesië had meegemaakt en uit zijn christelijk geloof. Mede na gesprekken met de vooraanstaande christen-pacifistische predikant Krijn Strijd had De Graaf zich in 1948 aangesloten bij de christen-pacifistische vereniging Kerk en Vrede, waarvan hij een van de belangrijkste voormannen werd als lid van het hoofdbestuur (vanaf 1950), als voorzitter (van 1951 tot 1971) en door zijn publicistische arbeid in het verenigingsorgaan Militia Christi, later Kerk en Vrede. Ook hier stelde hij zich ondogmatisch op en bepleitte hij dat zogeheten 'atoompacifisten' lid van Kerk en Vrede konden worden. Binnen de kerken kwam het vraagstuk van (atoom)bewapening mede door Kerk en Vrede meer aan de orde, wat bijdroeg aan de uitspraak van de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk tegen het gebruik van atoomwapens in 1962. Ook internationaal was De Graaf actief. Vanaf 1959 was hij voorzitter van de Europese afdeling van de International Fellowship of Reconciliation (IFOR) en voorzitter van de IFOR van 1969 tot 1974. Dit leverde hem veel internationale contacten op.

In 1951 behoorde De Graaf tot de ondertekenaars van het manifest van De Derde Weg, die een vredespolitiek voorbij kapitalisme en communisme voorstond en zowel het Westerse Atlantisch Pact als de communistische Kominform afwees. De Graaf was eveneens betrokken bij het zogeheten Daklozenberaad, dat streefde naar een pacifistische vertegenwoordiger in het parlement. Toen bleek dat de PvdA hiervoor geen mogelijkheid bood, vond in 1957 de oprichting plaats van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP), waarvan De Graaf een prominent lid werd. Als 'ideoloog' en bemiddelaar vervulde hij een betekenisvolle rol in deze partij. Zijn slagzin 'Socialisme zonder atoombom' werd een verkiezingsleus en het door hem geïntroduceerde begrip 'politiek pacifisme' vond veel weerklank. Dit duidde op het streven voorwaarden te scheppen voor een minimalisering van geweld in een wereld vol structureel geweld, revoluties en contrarevoluties. Van 1959 tot 1960 was hij voorzitter en tot 1963 lid van het partijbestuur, maar deze functies lagen hem minder. Hij was iemand die eerder vanuit fundamentele gezichtspunten een inhoudelijke bijdrage aan debatten leverde dan een organisator en leidinggevende in de soms felle discussies. Wel trad hij in latere jaren meermalen bemiddelend op bij conflicten binnen de partij. In de jaren zestig en zeventig was De Graaf vanuit Kerk en Vrede of de PSP bij vele demonstraties betrokken in verband met de koloniale bevrijdingsstrijd en de bestrijding van dictaturen in Zuid-Europa (Griekenland, Portugal en Spanje), de Vietnam-oorlog en de (atoom)bewapening. Zo was hij spreker op de eerste Ban-de-bom demonstratie op 1 januari 1961 en bij de eerste grote protestbijeenkomst tegen de oorlog van de Verenigde Staten in Vietnam op 9 maart 1965. Zijn betrokkenheid bij de PSP werd op den duur minder, omdat hij vond dat men te veel ruziede en te weinig uitnodigend was voor mensen uit kerken. In 1990 ondersteunde hij het opgaan van de PSP in GroenLinks van harte.

In kerkelijk Nederland was De Graaf één van de pioniers die in de periode van de Koude Oorlog opkwamen voor ontmoetingen tussen Oost en West. Hij verwierp de communistische dictaturen, maar keerde zich tegen de gebruikelijke zwart-wit opvatting. Hij wees op de fundamentele tekortkomingen van het kapitalisme en wilde door contacten en dialoog werken aan verzoening. In 1955 was hij lid van de delegatie van de Oecumenische Raad van Kerken, die als eerste kerkelijke afvaardiging een bezoek aan de Sovjet-Unie bracht. Hij was actief betrokken bij de in 1958 opgerichte Christelijke Vredes Conferentie, die naar de plaats van vestiging meestal Praagse Vredesconferentie werd genoemd. De Tsjechische theoloog Josef L. Hromádka werd president, terwijl De Graaf bestuurlijk deelnam aan het werk van deze organisatie en de internationale conferenties bezocht die met tussenpoos van enige jaren plaatsvonden. Vanaf 1964 was hij voorzitter van het Nederlandse Comité. Hoewel de communistische regimes de bijeenkomsten via rapporteurs volgden, was er, vooral buiten de formele ontmoetingen om, voldoende ruimte voor gesprek. Met het oog op het opbouwen van contacten in Oost-Europa organiseerde De Graaf studentenuitwisselingen in samenwerking met Hebe Kohlbrugge, die vanuit de landelijke kerken het hulpwerk aan Oost-Europa behartigde. Vanaf 1963 studeerden daar ongeveer tachtig Nederlandse studenten, vooral theologen. Voor dit werk kreeg De Graaf in 1969 een eredoctoraat van de universiteit in Cluj in Roemenië. De Russische inval in Tsjecho-Slowakije in 1968 en de daarop volgende gelijkschakeling van de Vredesconferentie leidden tot een crisis. De Graaf spande zich in om het werk zoveel mogelijk te redden, maar kwam uiteindelijk tot de conclusie dat een echte dialoog niet meer mogelijk was. Het Nederlands Comité hief zich met instemming van De Graaf op 3 augustus 1971 op, wat een pijnlijk gebeuren was en tot een verwijdering leidde van zijn Leidse collega Albert Jan Rasker, die ook sterk bij het werk van de Vredesconferentie betrokken was. In de jaren zestig en zeventig vroeg De Graaf steun voor de Oost-Europese dissidenten en aandacht voor neo-marxisten als Ernst Bloch, Roger Garaudy, Vitezslav Gardavsky, Leszek Kolakowski en Milan Machovec, die van binnenuit kritiek op het marxisme leverden. Zijn invalshoek daarbij was meer ethisch-filosofisch dan economisch, wat tot een verschil van inzicht leidde met leden van de in 1974 opgerichte Nederlandse afdeling van de  internationale beweging Christenen voor het Socialisme. Hun kapitalismekritiek werd gevoed door een marxistische maatschappijanalyse. De Graaf vond deze beweging te doctrinair en te weinig kritisch over het reëel bestaande socialisme. Ook na zijn emeritaat bleef hij via allerlei contacten betrokken bij ontwikkelingen in Oost-Europa, onder meer vanaf 1972 als lid van de Oost-Europa Commissie van de Raad van Kerken. De val van de Berlijnse muur in 1989 beleefde hij nog, waarbij de kracht van het geweldloze verzet de meeste indruk op hem maakte. De Graaf overleed in 1991 aan kanker.

Publicaties: 

(behalve de genoemde): ‘Enkele kanttekeningen bij het begrip saecularisatie’ in: Uitzichten. Vrijzinnig protestantse bijdragen (Delft 1953) 28-46; ’Het christelijk pacifisme’ in: J. de Graaf e.a. (red.), Handboek voor de vredesbeweging. De radicaal-pacifistische stromingen (’s-Gravenhage 1954) 16-25; Ethos en eschaton (Assen 1955; inaugurele rede); Europese dialoog in Moskou. Geestelijke factoren in Ruslands ontwikkelingen (Assen 1956); In gesprek met de Bergrede (Den Haag 1957); De mondige mens tussen goed en kwaad. Van Petrarca tot Sartre (Utrecht 1959; met R. Bakker); Gewaltloser Widerstand (Göttingen 1959); De ethiek van het immoralisme (Nijkerk 1960); ‘Welvaart in de huidige oecumenische discussie’ in: Welvaart en welvaartsdenken (Amsterdam 1960) 76-82; De ethiek van de gekerstende levensorde. Van Ambrosius tot Dante (Utrecht 1964); Kerk en Vrede in het tijdperk van de balans der verschrikking (Amsterdam 1964; met J.J. Buskes); Wederwoord op wederwoord. Voortzetting van het gesprek over het vraagstuk van de kernwapenen (Lochem 1965; met Kr. Strijd); Te waar om mooi te zijn (Amsterdam 1965); ‘Ethiek als waagstuk’ in: Goed en kwaad. Moderne bezinning op ethische normen (Utrecht en Antwerpen 1965) 64-76; Moraal, marxisme en ethiek in de Sowjetunie (Hilversum 1967); Verzoening (Driebergen 1968); ‘De waarheid doen. Zin en onzin van christelijke ethiek’ in: Geloven in God (’s-Gravenhage 1970) 231-255; Elementair begrip van de ethiek (Haarlem 1972); ‘Wanorde binnen de orde en de orde binnen de wanorde’ in: Liber Amicorum A.J. Rasker (Leiden 1974) 34-42; ‘Henk Lankhorst in memoriam’ in: Militia Christi, 31/6, juni 1976, 13; ‘Prof. J. de Graaf over ethisch reveil en abortus’ in: de Groene Amsterdammer, 22.12.1976; ‘Meta-ethiek en christelijk ethos’ in: God, goed en kwaad (’s-Gravenhage 1977) 108-120; Kerk en staat, ethische aspecten (Driebergen 1979); Vooroordeel, discriminatie en ethiek (Tilburg 1979); Wijsgerige ethiek van de twintigste eeuw. Hoofdlijnen in het huidige denken over mens en moraal (Utrecht 1979; met R. Bakker); Kerk, staat en samenleving in de Sovjet-Unie (Utrecht 1980); ‘Radikale humaniteit’ in: J. de Graaf, L.J. van Holk en J.M. van Veen, Vrijzinnige levensontplooiing. Drie opstellen over verleden en toekomst van het vrijzinnig christendom (Baarn 1980) 11-35; De weg van de vrede. Balans van een kwart eeuw vredeswerk (Amersfoort 1981); ‘Krijn Strijd, een “theoloog bij de tijd”’ in: De Waarheid, 8.11.1983; ‘Een goede dood op verzoek’ in: Euthanasie, recht en medische praktijk (Deventer 1985) 1-16; ‘Christendom en socialisme. Een haat-liefde verhouding’ in: Kerk en samenleving in Oost-Europa. Facetten van het kerkelijk leven in de socialistische samenleving (’s-Gravenhage 1986) 19-26; P.A. Tichelaar en H.J. Zeldenrust (red.), In dienst van de vrede. Opstellen bijeengebracht ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van Prof. dr. J. De Graaf (Kampen 1987); bibliografie in: A. van den Beld en G. Casalis (red.), Kerk en Vrede. Opstellen aangeboden aan Prof. dr. J. de Graaf (Baarn 1976) 223-226; aanvulling in: P.A. Tichelaar en H.J. Zeldenrust (red.), In dienst van de vrede. Opstellen bijeengebracht ter gelegenheid van de vijfenzeventigste verjaardag van Prof. dr. J. De Graaf, 183-187; H.J. Heering, H. Noordegraaf en H.J. Zeldenrust (red.), Hannes de Graaf 1911-1991. Een leven in dienst van de vrede (Gorinchem 1992) 142-143; en in: E.D.J. de Jongh, Hannes de Graaf. Een leven van bevrijding (Kampen 2004) 534-541.

Literatuur: 

A. van den Beld en G. Casalis (red.), Kerk en Vrede. Opstellen aangeboden aan Prof. dr. J. de Graaf (Baarn 1976); A. Koper, ‘Je hebt geen recht God te danken als je leven voortaan niet in dienst van de vrede staat’, interview in: de Groene Amsterdammer, 9.9.1981; Ontwapenend. Geschiedenis van 25 jaar PSP (Amsterdam 1982); J. Jansen van Galen, ‘Horzel’ in: Haagse Post, 6.2.1982; B. Klein Wassink en Th.M. van Leeuwen (red.), Tussen Geest en tijdgeest. Denken en doen van vrijzinnig protestanten in de afgelopen honderd jaar (Utrecht 1989); ‘Voorman pacifistische beweging’ in: de Volkskrant, 29.4.1991; ‘“Vader” van christelijke pacifisten overleden’ in: NRC Handelsblad, 29.4.1991; A. van den Beld, ‘In memoriam prof. dr. J. de Graaf (1911-1991)’ in: Nederlands Theologisch Tijdschrift, 1991, nr. 4, 326-328; H.J. Heering, ‘De Graaf meer dan alleen christelijk-pacifist’ in: NRC Handelsblad, 2.5.1991; H.J. Heering, ‘J. de Graaf (1911)’ in: R.B. ter Haar Romeny en Joh. Tromp (red.), Quisque suis viribus 1841-1991. 150 jaar theologie in dertien portretten (Leiden 1991) 244-262; H.J. Heering, H. Noordegraaf en H.J. Zeldenrust (red.), Hannes de Graaf 1911-1991. Een leven in dienst van de vrede (Gorinchem 1992), hierin: H. Noordegraaf en H.J. Zeldenrust, ‘Een portret’, 6-29, H.J. Heering, ‘De ethiek van J. de Graaf’, 43-50 en H.J. Zeldenrust, ‘De Praagse Vredesconferentie’, 42-50; B.J. Brouwer, Er zijn tenslotte grenzen. De Nederlandse kerken en het vraagstuk van de moderne oorlog 1945-1965 (Kampen 1993); P. Denekamp, B. Freriks en G. Voerman (red.), Sporen van pacifistisch socialisme (Amsterdam 1993); G. Harmsen, Herfsttijloos (Nijmegen 1993) 420-421; Het jonge hart. Het verhaal van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale 1915-1985 (Zoetermeer 1994); H.J. Heering, ‘Hannes de Graaf’ in: P. van Dijk, H. Noordegraaf en G. Witte-Rang (red.), Gidsen en getuigen op de pelgrimage naar vrede (Gorinchem 1999) 161-166; H. Noordegraaf, ‘J. de Graaf, geëngageerd ethicus’ in: A. de Groot en O.J. de Jong (red.), Vier eeuwen theologie in Utrecht (Zoetermeer 2001) 309-319; H.J. Heering, ‘Graaf, Johannes (Hannes) de’ in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme. Deel 5 (Kampen 2001) 216-218; H. Kohlbrugge, Twee maal twee is vijf. Getuige in Oost en West (Kampen 2002); E.D.J. de Jongh, Hannes de Graaf. Een leven van bevrijding (Kampen 2004); B. de Graaf, Over de muur. De DDR, de Nederlandse kerken en de vredesbeweging (Amsterdam 2004); R. Kopmels, ‘Het sprekende leven van Hannes de Graaf’ in: In de Waagschaal, nieuwe jaargang 34, 26.2.2005, 13-16, en www.renskopmels.nl/pagetxt182.html; G. Witte-Rang, Geen recht de moed te verliezen. Leven en werken van dr. H.M. de Lange (1919-2001) (Zoetermeer 2008); H. Noordegraaf en A. Vos, ‘Hervormde ethiek’ in: Ethiek in Nederland van 1900 tot 1970 en daarna (Budel 2010) 66-68.

Portret: 

J. de Graaf, uit familiebezit.

Handtekening: 

Huwelijksakte van de Graaf/de Roever dd 25 maart 1935. Archief 463, reg 593-03, akte 12; akteplaats De Bilt. Als bruidegom.

Auteur: 
Herman Noordegraaf
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2014)