GRAAFF, Willem Cornelis de

Willem Cornelis de Graaff

eerste uitgever van Recht voor Allen en ijveraar voor nationale vakorganisatie van handels- en kantoorbedienden, is geboren te Oudshoorn op 3 februari 1847 en overleden te Amsterdam op 10 april 1902. Hij was de zoon van Cornelis Nicolaas de Graaff, predikant, en Anna Elisabeth Wilhelmina Cornelia Sanderson. Op 12 juni 1873 trad hij in het huwelijk met Oethilda Geertruida Louiza Stemfoort, met wie hij een zoon kreeg.

De Graaff genoot zijn opleiding tot boekhandelaar gedurende negen jaar in Alphen aan den Rijn, Amsterdam (waarheen hij in 1865 verhuisde) en Utrecht (waar hij in 1867 ging wonen). In 1872 vertrok hij naar Haarlem, waar hij een eigen zaak in de Barteljorisstraat vestigde. Van een in liquidatie verkerende beroepsgenoot nam hij de tijdschriften en vervolgwerken over. Ook bood hij romans aan en begon hij brochures en boeken uit te geven. Hij afficheerde zich als 'Binnen- & buitenl., boekhandel' en uitgever van De Nederlandsche Kunstbode onder redactie van de radicale letterkundige J. van Vloten en van De Banier onder redactie van Marcellus Emants en anderen. Van Van Vloten gaf De Graaff in 1875 Onkruid onder de tarwe uit. Hij verwachtte in 'dezen tijd nu MULTATULI den man van den dag genoemd mag worden' van deze 'critische studien over Multatuli's werken' een 'buitengewoon debiet': 'Een degelijke, flinke beschouwing over MULTATULI en Zijne werken missen wij tot heden in onze letterkunde'. Voor spreekbeurten van Multatuli in Haarlem verkocht hij tussen 1878 tot 1881 kaarten. In 1880 kwam deze zelfs bij hem langs om thee te drinken nadat hij eerder een uitnodiging om te souperen had afgeslagen. In 1878 verbond De Graaff een antiquariaat aan de zaak en werd hij correspondent voor het Algemeen Dagblad van Nederlandsch Indië 'Mataram'. Eind 1880 deed hij de boekhandel over aan een collega, maar hij bleef werkzaam als uitgever, antiquaar, houder van boekverkopingen en exporteur op Indië. In 1882 ging hij, ondanks financiële steun van Emants, failliet. Van 1872 tot 1881 was De Graaff lid van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels, van 1873 tevens van de Haarlemsche Boekverkoopers Vereeniging 'Laurens Jansz. Coster' (waarvan hij in 1879 en 1880 secretaris was).

Hoe F. Domela Nieuwenhuis en De Graaff met elkaar in contact kwamen is onbekend. In elk geval gaf De Graaff in 1877 Domela's bewerking van De godsdienst der rede door L. Uhlich uit. Twee jaar later waren de contacten intensiever. Domela, die merkte dat zijn 'Sociale Brieven' in De Werkmansbode steeds minder strookten met het voorzichtige beleid van B.H. Heldt en het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, zocht naar mogelijkheden voor een nieuw blad, 'waarin men precies zeggen kon wat men wou en waarin men bijdragen kon opnemen van oprechte, eerlijk overtuigde mannen zooals [H.C.J.] Krythe, die, als hij eens een artikel hier of daar heenzond, veelal het hoofd stootte'. Domela had enkele medefinanciers en vond in De Graaff iemand 'die zoo'n blad durfde ondernemen': 'Finantieel was die uitgaaf zoo groot niet, want met ons zevenen zouden wij een jaar lang voor de kosten staan.' Op 1 maart 1879 verscheen het eerste nummer van het weekblad Recht voor Allen, dat gevestigd was op de Vijgendam in Amsterdam. Behalve uitgever van het blad was De Graaff correspondent in Haarlem. De mensen met wie hij aan het blad begon, maakten volgens Domela niet dezelfde ontwikkeling naar het socialisme door als hijzelf. In de loop van het jaar 'viel de kombinatie uiteen, daar de meesten den weg verder met mij niet op wilden. Na een jaar bleef ik dus alleen over', aldus Domela. Nadat De Graaff eind februari 1880 met Recht voor Allen gestopt was, nam B. Liebers uit Den Haag de uitgave over. Van een politiek gemotiveerde breuk tussen Domela en De Graaff, zoals gesuggereerd door Domela en verwoord door W. de Vries Wzn., lijkt echter geen sprake. Zo verkocht De Graaff nog kaarten voor een lezing van Domela in Haarlem in december 1880, waarvoor hij tevens door middel van een advertentie aandacht vroeg. Zij hadden bovendien met elkaar te maken in het ten slotte door De Graaff uitgegeven blad Oost en West. Domela was redactiesecretaris en raadde lezers in het laatste nummer (13 september 1880) aan zich te abonneren op Recht voor Allen of De Dageraad. Ook bleef De Graaff tot in 1881 teksten van Domela uitgeven. In 1879 had De Graaff vier brochures van Domela uitgebracht, waaronder Algemeen Stemrecht en het belangrijke Mijn afscheid van de kerk. In 1880 volgden Algemeen stemrecht in beginsel en toepassing en Wat willen de Sociaal-demokraten (een bewerking van een Duitse brochure van H. Oldenburg), in 1881 een herdruk van De Fransche Burgeroorlog van het jaar 1871 (uit 1880) en de toespraak Vrijheid - Blijheid! Een aannemelijker verklaring voor de mislukking van De Graaffs bemoeienis met Recht voor Allen lijkt het oordeel van de Amsterdamse smid W. Ansing, die wellicht ook enig licht werpt op het faillissement van De Graaff. Ansing, die heel wat abonnees voor het blad won en bereid was deze mensen af te lopen om de abonnementsgelden te innen, vroeg zich in een brief aan Domela van 9 oktober 1879 af of De Graaff wel voldoende ambitie en animo voor het blad had. In elk geval was hij aan diens zakelijke capaciteiten gaan twijfelen sinds deze hem bij voorbeeld minder kwitanties zond dan er abonnees waren en vaak meer beloofde te doen dan hij inderdaad deed. Ook Multatuli had zich beklaagd over uitstel van afrekeningen door De Graaff, zonder diens 'slofheid' in deze te begrijpen.

Na het faillissement vertrok het gezin De Graaff begin 1883 naar Nieuwer Amstel, begin 1885 verhuisden ze naar Amsterdam. De Graaff werkte enige tijd als kantoorbediende en handelsagent. Ten slotte klom hij op tot directielid van de uitgeversfirma Wilms & Co. Zijn positie bij de uitgeverij belemmerde De Graaff niet aanwezig te zijn op een vergadering van het Comité voor Algemeen Stemrecht op 10 januari 1886 en zich bij een vakorganisatie aan te sluiten en daarin actief te zijn. Hij werd lid van de progressieve Amsterdamse vereniging van handels- en kantoorbedienden Vooruit, die in 1887 was opgericht en in 1895 grondig werd gereorganiseerd onder leiding van J.H. Odink. De Graaff werd bij die gelegenheid vice-voorzitter. In deze functie nam hij het initiatief tot het houden van een nationaal congres voor handels- en kantoorbedienden met de bedoeling de vele plaatselijke verenigingen bijeen te brengen en een landelijke vakbond van bedienden op te richten. Het congres vond in november 1896 plaats in Utrecht. De Graaff zette in zijn referaat de noodzaak van een landelijke bond uiteen, die 'zich uitsluitend de behartiging der leden over gansch het land ten doel stelt' en 'medewerkt tot verbetering van het lot der minder bedeelden'. Hij pleitte voor een 'zoo ruim mogelijk te stellen program', zodat 'niemand, welke Zijne politieke of godsdienstige overtuiging zij, zich zal behoeven te onttrekken': 'Alleen door aaneensluiting is verbetering in den maatschappelijken en financieelen toestand te verwachten. "Onderlinge hulp, voor en door allen" moet het doel zijn.' De Graaffs pleidooi werd met applaus ontvangen, zijn motie zonder stemming aangenomen. Van de Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden in Nederland, die in 1897 uit dit initiatief voortkwam, werd hij secretaris naast voorzitter Odink. Hij trok het land in om lezingen te geven en afdelingen op te richten en bleef ook in de afdeling Amsterdam actief als correspondent van het plaatsingsbureau van de bond. Vanaf januari 1898 was zijn woning tevens het redactie- en administratieadres van de Mededeelingen van de Nationale Bond. Volgens J. Bakker waren de grote ijver die de Nationale Bond direct aan de dag legde en de organisatorische successen daarvan vooral te danken aan de activiteit van zijn secretaris. De Graaffs tegenspeler was de standsgevoelige Rotterdamse Vereeniging van Handelsbedienden 'Mercurius', die weinig voor de progressieve vakbonds ideëen van Vooruit of de Nationale Bond voelde en De Graaff graag bestreed op het punt dat deze geen bediende was maar een uitgever, wiens belangen derhalve niet vergeleken konden worden met die van de bedienden. De Graaff trok zich van dit argument weinig aan. Ook uitgeverijen hoorden tot de kantoorwereld en in zijn functie van secretaris van de Nationale Bond kwam hij voldoende met de omstandigheden van bedienden in aanraking om hierover te kunnen oordelen. Dit maakte hij eind 1900 nog eens duidelijk toen hij het voor de bedienden opnam na een artikel in De Nederlandsche Werkman, dat in een uiteenzetting over de slechte arbeidsvoorwaarden op kantoren beweerde dat bedienden hun genot zochten in 'onzedelijk zijn' ('zij kunnen er immers niet aan denken, zoo ze al liefhebben, te trouwen'). Volgens De Graaff was dit een belediging en was 'het meerendeel der Kantoorbedienden verre van onzedelijk': 'Ja, wij durven beweren, dat juist deze stand op het punt van onzedelijkheid een zeer gunstige uitzondering maakt en dat men haar gerust als voorbeeld voor anderen mag stellen.' Zijn volharding bleek hetzelfde jaar, toen Burgemeester en Wethouders van Amsterdam een voor de Kamer van Arbeid voor het Handels-, Crediet- en Verzekeringswezen voorgedragen kantoorbediende van de Spaarbank der Stad Amsterdam niet op de kiezerslijst plaatsten, omdat het college de Spaarbank geen kredietinstelling achtte. De Graaff tekende bezwaar hij Gedeputeerde Staten aan. Toen deze zijn beroep ongegrond verklaarden ging hij in hoger beroep omdat hij wilde bereiken dat ook deze Spaarbank in de Kamer van Arbeid vertegenwoordigd moest kunnen zijn. Hij verloor het hoger beroep, volgens H.C. Diferee, redacteur van het met Vooruit verbonden maandblad voor handels- en kantoorbedienden Ons Journaal, mede omdat zijn toon te scherp en zijn juridisch betoog te zwak was. Maar ook Diferee, die een gematigde en voorzichtige lijn voorstond, kon de principiële juistheid van De Graaff in deze niet ontkennen. Met onder anderen de vrijzinnig-democraat D. Bos onderzocht De Graaff voor de Nationale Vereeniging voor Handelsonderwijs uit 1899 hoe de opleiding van leerkrachten bij dit onderwijs vorm gegeven kon worden.

Op de bondsvergadering van 15 mei 1901 legde de 54-jarige De Graaff - mogelijk om gezondheidsredenen - zijn functie als secretaris neer. Wel liet hij zich herkiezen als directeur van het Pensioen-, Weduwen- en Wezenfonds. Overzien wij dit leven, dan moet worden vastgesteld dat wij over de man zelf nauwelijks iets weten. Als zelfstandig uitgever kon hij zich niet handhaven, maar hem komt de eer toe de eerste uitgever van Recht voor Allen te zijn geweest en als vakverenigingsman de eerste nationale en daadwerkelijke vakorganisatie van handels- en kantoorbedienden in Nederland in het leven geroepen te hebben. Zijn vakbondscarrière en leven eindigden te vroeg om te kunnen vaststellen of hij zich in de politieke moeilijkheden in de Nationale Bond begin deze eeuw aan de kant van de latere NVV-ers onder leiding van G.J.A. Smit jr. of aan die van de neutralen onder Odink zou hebben opgesteld.

Archief: 

Map W.C. de Graaff in archief Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels, aanwezig in Universiteitsbibliotheek Universiteit van Amsterdam (Amsterdam).

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis, 247, 262-263; F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910) 70; J. Bakker, Mercurius gedurende een halve eeuw (Leiden 1932) 61; Multatuli, Volledige werken (Amsterdam 1950 e.v.) 11, 7, 17-21; 'De brieven van Willem Ansing aan Ferdinand Domela Nieuwenhuis' in: Jaarboek arbeidersbeweging, 1976, 211; P. Dubois, Marcellus Emants (Amsterdam 1980); B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981); H.J. Scheffer, De Controleur (Den Haag 1982) 101; W. de Vries Wzn., 'Bruno Liebers, typograaf (1836-1900)' in: M. Campfens, M. Schrevel, F. Tichelman (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 109-125; G. Nabrink, Bibliografie van, over en in verband met Ferdinand Domela Nieuwenhuis (Leiden 1985) 12-13, 16-19, 28-29, 40-41.

Portret: 

W.C. de Graaff, particuliere collectie

Auteur: 
Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 69-72
Laatst gewijzigd: 

24-11-2003