GROENINGEN, August Pieter van

August Pieter van Groeningen

sociaal bewogen naturalistisch schrijver, is geboren op 14 februari 1866 te Ommen en overleden op 12 februari 1894 te Rotterdam. Hij was de zoon van Wilhelmina Adriana Barendrecht, die op 2 juni 1869 in het huwelijk trad met Adrianus van Groeningen, stalknecht.

Van Groeningen, geboren in de bedelaarskolonie Ommerschans, haalde in 1884 zijn onderwijzersakte en werd met ingang van 1 juni van dat jaar aangesteld aan de Kosteloze School aan de Boezemstraat in Rotterdam, met als jaarsalaris f500,-. Toen zijn vader het gezin verlaten had - hij stierf in de bedelaarskolonie Veenhuizen bij Norg - werd Van Groeningen kostwinner voor zijn moeder en zusjes. Zijn salaris werd een paar keer verhoogd, maar bleef voor deze situatie krap.

In de jaren 1887-1890 schreef Van Groeningen in weerwil van een zwakke gezondheid een groot aantal verhalen, gedichten, toneelstukken en artikelen, waarvan maar een klein deel bewaard is, en een roman. Via de naturalistische schrijver Frans Netscher kwam Van Groeningen in 1888 in contact met de dichter Willem Kloos, centrale figuur in het tijdschrift De Nieuwe Gids en in de literaire beweging van de 'Tachtigers'. In navolging van Franse naturalisten koos een aantal schrijvers het 'volk' tot onderwerp, maar hun werk bleef voor een groot deel imitatie. In de verhalen van Van Groeningen herkende Kloos daarentegen de schrijver met een oorspronkelijke visie op het volk, gebaseerd op eigen waarneming, een nieuwe Bredero. Kloos zocht - overigens vergeefs - een uitgever voor een verhalenbundel en nam werk van Van Groeningen op in De Nieuwe Gids. De bewaarde verhalen, die uit 1887-1888 stammen maar pas na de dood van de schrijver door P. Tideman in Een nest menschen (1895) zijn gebundeld, tekenen een ruw volksleven, met scheld- en vechtpartijen, honger, werkloosheid en dronkenschap, vuil en ziekte, slechte huisvesting en kinderverwaarlozing. Ze hebben een aspect van exotisme: de schrijver wil zijn lezers boeien door ze kennis te laten maken met een wereld die hun vreemd is, ook al ligt die wereld naast de deur. Maar tegelijk legt Van Groeningen in zijn verhalen een sociale aanklacht, die op zijn scherpst is als hij komt te schrijven over kinderen. Zijn beeld van het leven rond de Rotterdamse haven is vrij van goedkoop idealisme. Hij tekent zijn personages in hun rancune en zelfzucht, al ontbreekt menselijkheid in de miserie niet. Maar de indruk van machteloosheid overheerst. Hier en daar sijpelt opstandigheid door, maar Van Groeningen biedt weinig perspectief.

In 1889 werkte Van Groeningen als Rotterdams correspondent mee aan het Radicaal Weekblad van Joan Nieuwenhuis. Dit blad was socialistisch getint maar gericht op samenwerking tussen verschillende vooruitstrevende groeperingen. De bijdragen van Van Groeningen over actuele sociale en politieke onderwerpen waren tegenover Rotterdam voortdurend kritisch en bij vlagen opstandig. In deze geest schreef hij bijvoorbeeld over de Rotterdamse bank van lening. Vanwege zijn herhaalde aanvallen op het gematigde Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, in deze tijd het zwarte schaap van de socialisten, nam de plaatselijke voorzitter van die organisatie wraak door te onthullen wie zich achter het pseudoniem Willem van Oevere verborg, om op die manier Van Groeningens positie als onderwijzer in gevaar te brengen. Van Groeningen kon werkelijk geen ontslag riskeren en raakte in paniek. Het leidde uiteindelijk tot een conflict met Nieuwenhuis en beëindiging van zijn bijdragen aan het Radicaal Weekblad, en bezorgde hem een afkeer van de politiek. In hetzelfde jaar schreef hij zijn roman Martha de Bruin, waarin hij de ontwikkeling tekent van zijn hoofdfiguur als opgroeiend meisje en jonge vrouw. Opnieuw speelt armoede een rol, maar de sfeer van de roman verschilt sterk van die in de verhalen, doordat Martha uit een milieu van zeer gedisciplineerde protestantse 'kleine luiden' komt, waar de armoede uiterst fatsoenlijk is. Behalve religieuze problemen beschrijft het boek de mislukking van haar huwelijk met Henri de Graaff, een neurotische autodidact die vruchteloos piekert over theorieën ter verklaring van alles en iedereen, en experimenten op zijn vrouw en kind in overweging neemt. Men kan hierin kritiek lezen op naturalistische quasi-wetenschap, en mogelijk op Van Groeningens eigen neiging tot theoretiseren. Martha de Bruin is bedoeld als eerste in een reeks van tien romans 'Van alle tijden'. Het tweede deel, dat 'Henri de Graaff' moest heten, schijnt min of meer voltooid te zijn geweest, maar er resteren alleen een paar fragmenten op vellen waarvan stukken zijn afgescheurd, alsof de schrijver het werk tegelijk wilde verscheuren en bewaren. Martha de Bruin was voor Van Groeningen namelijk een teleurstelling geworden. Kloos, tegen wie hij opkeek, vond het boek in vergelijking met de verhalen kleurloos en meende dat Van Groeningen in de psychologische analyse van zijn vrouwelijke hoofdfiguur tot de imitatie was vervallen waar hij in zijn volksverhalen juist zo mooi aan was ontkomen. Voor de kwetsbare schrijver kwam deze kritiek hard aan. Ook de relatie met Kloos werd nu verbroken. Van Groeningen lijkt in zijn vier laatste jaren weinig meer te hebben geschreven.

Van Groeningen was in veel opzichten autodidact. Hij zag dat hij in een intellectueel isolement leefde, en probeerde dat als schrijver te doorbreken, maar zijn onevenwichtigheid maakte het moeilijk. Hij had last van gevoelens van minderwaardigheid, die waarschijnlijk te maken hadden met zijn afkomst, opleiding en financiële afhankelijkheid. Hij noemde het zijn levenstaak 'het publiek in kennis te stellen van hetgeen het volk, bewust en onbewust, lijdt' en ontleende gevoelens van eigenwaarde aan deze opvatting van zijn schrijverschap. Hij noemde alle mensen zijn broeders, en 'de eigendom' bron van alle ellende en misdaad, maar ontkende socialist te zijn, en is nooit lid geweest van een partij. Over een door het proletariaat te spelen leidende rol in de samenleving was hij uiterst skeptisch. Van volksontwikkeling verwachtte hij wel veel goeds, maar geen nieuwe wereld. Op de manier van zijn voorbeeld Multatuli stelde hij zich als beschermer voor het volk op, zonder tot het volk te willen behoren. Hij weigerde, functies te vervullen in arbeidersorganisaties. Hoewel hij tussen dat volk woonde en voor dat volk werkte, beschouwde hij zichzelf, onderwijzer immers, als een 'heer', en liet hij visitekaartjes drukken. In literair opzicht bereikt hij, zowel in zijn verhalen als in Martha de Bruin, incidenteel een niveau dat de hoge verwachting die men van hem had, begrijpelijk maakt. Voor de sociale geschiedenis vertegenwoordigt zijn werk grote documentaire waarde.

Archief: 

Archief A.P. van Groeningen in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Martha de Bruin (Amsterdam 1889, 19824); Een nest menschen (Amsterdam 1895, Utrecht 1983); Volledig werk. Martha de Bruin. Een nest menschen. Verspreide stukken. Correspondentie (Amsterdam 1978).

Literatuur: 

[W. Kloos], 'Literaire kroniek' in: De Nieuwe Gids, 1889-1890, Deel 1, 420-425, herdrukt in deel 2 van Veertien jaar literatuurgeschiedenis; [F. Netscher], 'Het boek van de maand' in: De Hollandsche Revue, 1896, 513-522; J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933) 74, 111, 146; J. de Graaf, Le réveil littéraire en Hollande et le naturalisme français (Amsterdam 1937) 170-182; M. ter Braak, 'Een naturalist' in: Verzameld werk, Deel 6, 216-222; G.H. 's-Gravesande, 'Aug. P. van Groeningen en "De Nieuwe Gids" in: Libertinage, 1953, 205-232 en 274-290; P.J. Meertens, 'Groeningen (August Pieter van)' in: Mededelingenblad, nr. 2, september 1953, 9-10; G.W. Huygens, in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 12.2.1966; E. Francken, Een vergeten naturalist (ongepubliceerde doctoraalscriptie Leiden 1977, met bibliografie); E. Francken, 'Een vergeten naturalist' en 'De roman van August van Groeningen' in Tirade, 1977, 445-456 en 1978, 380-392; J. Bel, Nederlandse literatuur in het fin de siécle (Amsterdam 1993); M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siécle (Amsterdam 2001).

Portret: 

A.P. van Groeningen, Nederlands Letterkundig Museum en Documantatiecentrum (Den Haag)

Auteur: 
Eep Francken
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 68-71
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002