GRONVALD, August Ferdinand

August Ferdinand Gronvald (A.F. Muller)

(bekend als: A.F. Muller), propagandist en bestuurder in SDAP, vakbeweging en Nederlandsche Arbeiders Sport Bond, is geboren te Arnhem op 20 april 1879 en overleden te Amsterdam op 25 maart 1967. Hij was de zoon van Carl August Ferdinand Gronvald, muzikant, en Selma Herzberg, muzikante. Op 12 november 1902 trad hij in het huwelijk met Hendrika Friebel, met wie hij een zoon kreeg. Na haar overlijden op 16 januari 1904 hertrouwde hij op 26 september 1906 met Frederika Ditzel, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

De ouders van Muller bezaten de Duitse nationaliteit. Zijn vader ondertekende de geboorteakte met 'F Grunvaldt alias Müller'. Kort na de geboorte van hun zoon ging hij met zijn vrouw naar Duitsland om daar de kost te verdienen. August werd bij een Arnhems gezin achtergelaten en daar opgevoed. Ondanks pogingen hen op te sporen heeft hij zijn ouders nooit teruggezien. Dit hield hem zijn hele verdere leven bezig. Muller, zoals hij zich noemde, kreeg in zijn jeugd weinig scholing en verdiende aanvankelijk als bouwvakarbeider de kost. Kennis voor zijn latere werk binnen de arbeidersbeweging verwierf hij door zelfstudie. Zijn activiteiten voor partij en vakbeweging begonnen in het eerste decennium van de eeuw. Hij werd actief in de Arnhemse afdeling van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), waarvoor hij voorstellen voor werkloosheidsregelingen opstelde. Daarnaast spande hij zich in voor de oprichting van de Centrale Metselaars- en Opperliedenbond in Nederland. Van deze bond werd hij in november 1906 bondsvoorzitter en begin 1907 redacteur van het bondsorgaan De Metselaar en Opperman. In 1907 vestigde hij zich als correspondent van Het Volk en als propagandist voor de SDAP en de moderne vakbeweging in Tilburg. Hij werd er vrijwel meteen in het SDAP-afdelingsbestuur gekozen. Typerend voor zijn gedrevenheid en belangstelling was dat hij terstond na aankomst een Tilburgse afdeling van de Centrale Metselaars- en Opperliedenbond oprichtte. Ook de oprichting van de Tilburgsche Bestuurdersbond pakte hij voortvarend aan. Muller nam in het najaar van 1908 het redacteurschap van De Eendracht. Orgaan van de afdeelingen der S.D.A.P. in Noord-Brabant op zich. Ondanks het feit dat hij van dit blad een breed Brabants SDAP-orgaan wilde maken, nam het aantal artikelen over en uit Tilburg sterk toe. Muller vervulde ook propagandataken in andere Brabantse plaatsen. Bij de in oktober 1908 gehouden Tilburgse gemeenteraadsverkiezingen kwam Muller twintig stemmen tekort om voor de herstemmingsronde in aanmerking te komen. De 'kleine vurige man' behaalde daarmee een in Tilburg nog nooit eerder vertoond sociaal-democratisch verkiezingsresultaat. Toch was er ook kritiek op Mullers werkzaamheden. Zijn organisatorische en uitvoerende kwaliteiten bleken gering. Zo nam men hem kwalijk dat hij zelf onvoldoende colporteerde met De Eendracht. Ook was er veel kritiek op zijn financieel beheer. Al in december 1907 was er bij de exploitatie van het Volksgebouw een fors tekort ontstaan. Volgens de SDAP-afdelingssecretaris was Muller volstrekt ongeschikt als kastelein. Hij was een slordig administrateur, liet onnodig gas en licht branden en zijn vrouw onderhield het gebouw onvoldoende. Door de 'vuile toestanden' bleven de bezoekers weg. Muller stemde er mee in dat er zo snel mogelijk een andere kastelein werd gezocht. In maart 1908 kwam de sluimerende onvrede bij de Tilburgse SDAP over Muller naar boven tijdens de bespreking van een plan om H.J. van Vorst in Tilburg en Muller propagandist in Maastricht te laten worden. Muller ging met dit plan akkoord, maar het partijbestuur zag er geen heil in. Bij alle problemen speelde Mullers eigengereide en autoritaire karakter een rol. Hij bemoeide zich regelmatig met zaken die hem niet aangingen. Dit werd duidelijk toen hij zich eind 1908 ongevraagd op 'onorganisatorische wijze' met de plaatselijke coöperatie bemoeide. De tegenstellingen werden op de spits gedreven toen in februari 1909 een oud-lid zich opnieuw aanmeldde. Omdat die ooit met anarchistische bladen had gecolporteerd, verzette Muller zich tegen een hernieuwd lidmaatschap. Muller kreeg zijn zin maar in de verziekte verhoudingen was het voorval net teveel van het goede. Nog in maart 1909 nam hij ontslag als redacteur van De Eendracht en als SDAP-propagandist in Tilburg. In april ging hij trug naar Arnhem. Voor zijn vertrek schreef hij met de brochure Waar is uw plaats? (Tilburg 1909) nog wel een reactie op de tegen de moderne vakbeweging gerichte brochure R.K. Arbeiders waakt op! van de katholiek A.Th. van Rijen.

De Arnhemse SDAP ontving Muller niet met open armen. Tijdens het Rotterdamse congres in april 1909 zei een Arnhemse partijgenoot over Muller nog tegen een Tilburgse afgevaardigde: 'zo jullie kennen hem nu dus ook'. In de nasleep van de Amsterdamse bouwvakstaking in 1909-1910 verdedigde Muller in de hoofdstad de houding van zijn bond tegen de aanvallen van H. Kolthek van het Nationaal Arbeids-Secretariaat. Desondanks riep Muller in de Centrale Metselaars- en Opperliedenbond steeds meer weerstand op. In 1910 was hij al geen voorzitter meer. In de zomer van 1911 vond men een aanleiding om van hem af te komen. Hij had namelijk meegewerkt aan de oprichting van de Eerste Apeldoornsche Veiligheidsdienst, een bedrijf dat vooral villa's zou gaan bewaken. Muller diskwalificeerde zich daardoor volgens de Bond tot 'bourgeoisiehandlanger'. Hij werd geroyeerd als bestuurder en lid van de Bond. Ook de SDAP-afdeling Arnhem royeerde hem. Het royement als SDAP-lid werd door het partijbestuur herroepen, maar Muller kwam door de affaire niet meer in aanmerking als propagandist in Twente. Ook verleende het partijbestuur geen medewerking aan Mullers plan om zich in de Mijnstreek te vestigen. Muller zag zich daardoor gedwongen weer als bouwvakker te gaan werken. Toch speelde hij een aantal jaren later weer een rol in de arbeidersbeweging. In 1916 verhuisde hij naar Delft, waar hij in het bevolkingsregister als journalist van het weekblad De Fabrieksarbeider van de Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders(sters) (NVvFA) werd ingeschreven. In 1918 werd Muller tweede secretaris en in 1922 eerste secretaris van het hoofdbestuur. Hij had zijn draai bij de NVvFA gevonden, en zou daar tot zijn pensioen in 1939 blijven werken. Op bijna ieder congres van de bond hield hij een inleiding over een bepaald onderwerp. Over de misstanden, stakingen en de totstandkoming van collectieve arbeidsovereenkomsten, waarmee hij in die functie te maken kreeg, schreef hij verscheidene brochures, bijvoorbeeld over de Maastrichtse zinkwitstaking van 1929. De tegenwerking die de NVvFA van de katholieke kerk en bonden ondervond, kreeg daarin veel aandacht. Muller werd in 1919 lid van de bestuursraad van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV).

In 1926 was Muller een van de oprichters van de Nederlandsche Arbeiders Sportbond (NASB), waarvan hij tot in de oorlog voorzitter was. Muller zag sportbeoefening als een goede compensatie voor het ongezonde en veeleisende fabrieksarbeidersbestaan. Sport bevorderde het lichamelijk welzijn en de geestelijke ontplooiing van de arbeiders. Hij benadrukte daarbij dat sportbeoefening politiek niet neutraal kon zijn. De sportbond werd echter niet meteen in de 'rode familie' opgenomen. Het partijbestuur van de SDAP ontkende het klassekarakter van de burgerlijke sportverenigingen en was bang dat de NASB een soort arbeidersweer zou worden. Omdat erkenning het antisocialisme zou aanwakkeren en mogelijk zelfs de burgerwachten van 1918 nieuw leven zou inblazen, achtte het partijbestuur dat funest voor de positie en maatschappelijke acceptatie van de socialistische beweging. Daar kwam nog bij dat veel leden van de NASB voor de linkse oppositie in de SDAP voelden. Uiteindelijk kwam er toch erkenning voor de NASB, in 1927 eerst door het NVV en later door de SDAP. In ruil voor die erkenning moest de sportbond zich wel beperken tot de sportbeoefening. Desondanks wist de bond het beeld, dat hij zich alleen met sport bezighield, aanvankelijk te doorbreken. Zeker aan het eind van de jaren twintig werden in de Amsterdamse afdeling sport-, culturele en politieke activiteiten als één geheel gezien. Omdat de NASB en de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) dezelfde doelgroep hadden, bestonden er aanvankelijk wrijvingen tussen beide organisaties. In de loop van de jaren dertig verbeterden de verhoudingen. Vanaf 1939 werd over een fusie gesproken. Muller keek hier kritisch tegenaan. Beide organisaties hadden volgens hem niet aan hun doel beantwoord. De sportbond was door tegenwerking van de partij te klein gebleven en de AJC was in plaats van een algemene organisatie voor ontspanning en socialistische opvoeding een elitegroep geworden. De Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank (De Centrale) stelde 10.000 gulden ter beschikking indien de organisaties samengingen. Na de Duitse inval gingen de fusiebesprekingen door. Maar na de overname van de SDAP en aanverwante organisaties door 'commissaris' M.M. Rost van Tonningen op 20 juli 1940 verdween de AJC. Toch besloot Muller met de NASB door te gaan. De bond kreeg toen van de onder nationaal-socialistisch beheer geplaatste Centrale het al eerder genoemde geldbedrag. Met Muller als voorzitter was de NASB in de jaren dertig van een positie links van de partij naar de rechterkant opgeschoven. Muller zelf stelde het communisme op één lijn met het fascisme, accepteerde in 1938 de monarchie en wees al vroeg het pacifisme af. Al in 1934 achtte hij in verband met de ontwikkeling in Duitsland een goede bewapening van het Nederlandse leger noodzakelijk. Na de bezetting stelde Muller zich soepel op ten opzichte van de Duitse bezetter. Terwijl de SDAP reeds was opgeheven en het NVV al onder curatele was gesteld, werd Muller eind juli 1940 met een aantal medebestuurders van de sportbond bij Rost van Tonningen ontboden. Deze drong er op aan dat de sportbond bleef doorgaan. Er zou geen inmenging plaatsvinden. Op het in oktober 1940 gehouden bondscongres van de NASB verdedigde Muller het doorgaan. Bij opheffing zouden alle leden overgaan naar de burgerlijke sportorganisaties. Over Rost van Tonningen merkte Muller op dat deze 'waarachtig socialist' zou zijn. Getuige de leegloop waren de leden niet erg enthousiast over het doorgaan. Nadat het bondsbestuur later in oktober te horen had gekregen dat de NASB nauw met de nationaal-socialistische organisatie Vreugde en Arbeid moest gaan samenwerken, werd alsnog besloten de NASB te liquideren. Na de oorlog werd Muller in het kader van zijn aanmelding als SDAP-lid door de Ereraad van deze partij ter verantwoording geroepen. Oud-sportbondbestuurder H. de Munter had een aanklacht tegen hem ingediend. Muller noemde deze aanklacht een 'serie onsamenhangende en kwaadaardige beschuldigingen'. Nog in 1950 vond hij het nodig W. Drees in een brief het juiste van zijn handelen inzake het aannemen van geld van de genazificeerde Centrale in 1940 uit te leggen. De raad oordeelde dat Muller te veel naar de organisatie en sportbelangen had gekeken. Hierdoor had hij de 'ideële belangen uit het oog verloren'. Maar omdat de raad aan Mullers gezindheid als 'Nederlander en sociaal-democraat' niet twijfelde, kon hij toch lid worden. Wel achtte de raad het gewenst dat Muller de eerste drie jaar namens de partij geen bestuurlijke of vertegenwoordigende functie vervulde. De inmiddels 66-jarige en uitgebluste Muller ervoer dit als een grote vernedering, die hij nooit meer te boven kwam.

Publicaties: 

Crisis en vakorganisatie (Tilburg z.j.); Christendom en sociaal-democratie (Tilburg z.j.); Tot aanval en verweer (Arnhem 1911); Vrij door strijd. Een woord tot de leden. Een oproep aan de ongeorganiseerden tot deelname aan den strijd (z.pl. z.j.); Arbeiderssport of burgerlijke sport? (Amsterdam 1929); Het Conflict bij de Maastrichtsche Zinkwit-Mij. (z.pl. 1929); Een droeve nasleep van de staking aan de zinkwitfabriek te Maastricht (z.pl. 1929); Het contract in de Baksteenindustrie (z.pl. z.j.); Ordening of chaos in de baksteen-industrie (z.pl. ca. 1937); diverse artikelen in onder andere: Arbeiderssport, Arbeid en Sport, De Bouwvakarbeider, De Eendracht, De Fabrieksarbeider.

Literatuur: 

A.F. Muller 60 jaar. Een kwart eeuw werker voor de fabieksarbeiders' in: Vooruit, 18.4.1939; Op Hechte Fundamenten. Geschiedenis van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond (Amsterdam 1950); Vijftig jaren NVvFA-ABC 1907-1957 (Amsterdam 1957); H. Dona, Sport en socialisme. De geschiedenis van de Nederlandse Arbeiderssportbond 1926-1941 (Amsterdam 1981); G.M. Naarden, Onze jeugd behoort de morgen ... De AJC in oorlogstijd (Amsterdam 1989); A.J.M. Wagemakers, Buitenstaanders in actie. Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving 1888-1919 (Tilburg 1990); P. van Dun, '"... onder welke helaas een afvallig priester". De in 1909 te Tilburg gehouden nationale betoging en meeting voor de moderne vakbeweging' in: Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 10 (1992), nr. 2, 28-36; H.M.T.M. Giebels, Katholicisme en socialisme. Het zelfbeeld van de Eindhovense christen-socialisten in het spanningsveld tussen traditie en moderniteit, 1885-1920 (Tilburg 1994).

Portret: 

August Ferdinand Gronvald, IISG

Auteur: 
Paul van Dun
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 65-69
Laatst gewijzigd: 

00-00-1998