HARTOGH HEIJS, Hermanus

Hermanus Hartogh Heijs

(bekend als Hartogh Heijs van Zouteveen), Darwinist en voorzitter van De Dageraad, is geboren te Delft op 13 februari 1841 en overleden te Assen op 2 juni 1891. Hij was de zoon van Samuel Hartogh Heijs, advocaat en hoogheemraad van Delfland, en Elisabeth Petronella Josina Hoekwater. Op 12 april 1866 trad hij in het huwelijk met Maria Elisabeth van der Veen, met wie hij drie dochters en twee zoons kreeg. Vanaf 1860 voerde hij de naam Van Zouteveen.

Hartogh Heijs ging na het gymnasium op aandrang van zijn vader rechten studeren in Leiden en promoveerde in 1864 op de statistiek van Drenthe. Onmiddellijk gooide hij zijn juridische studieboeken in de gracht. Hij interesseerde zich meer voor filosofie en natuurwetenschappen. In 1866 volgde zijn dissertatie in de wis- en natuurkunde over methoden om tot een synthese van organische lichamen te komen. In één van de stellingen beweerde hij dat Linnaeus' definitie van het begrip soort als onveranderlijk vanaf de schepping onjuist was. Van 1866 dateerde de jarenlange correspondentie tussen Hartogh Heus en Charles Darwin, van wiens denkbeelden hij een voorvechter in Nederland werd. Na verschillende leraarsbetrekkingen in Den Haag en Leiden, werd hij in 1867 kort lector in de zoölogie te Leiden. Zijn openlijke sympathie voor het vrijdenken en het Darwinisme leidde tot een conflict met de theologische faculteit en met de hervormde kerk, die hij al als student de rug had toegekeerd. Hierdoor voorkwamen conservatieven een benoeming van Hartogh Heijs tot hoogleraar zoölogie, ondanks zijn eerste plaats op de voordracht. Hij nam daarom ontslag en ging reizen. In september 1868 werd hij in de gemeenteraad van Delft gekozen. In 1869 woonde hij de opening van het Suezkanaal bij en deed hiervan verslag in Het Vaderland. Na de Commune (1871) reisde hij naar Parijs. In mei 1872 nam hij ontslag als raadslid en vertrok hij naar San Francisco om in Californië mogelijkheden voor een Nederlandse landbouwkolonie te onderzoeken. Een aantal boeren trok er heen, maar Hartogh Heus keerde terug vanwege zijn slechte gezondheid. Al jong had hij last van jicht. Hij vestigde zich in 1873 in Assen en doopte zijn woning 'Oakland'. Evenals zijn schoonvader bezat hij landbouwontginningen. Naast grondeigenaar, vervener, eigenaar van een bankierszaak en effectenhandelaar was Hartogh Heijs vooral publicist. Hij redigeerde verschillende natuurwetenschappelijke bladen, beurscouranten en van 1882 tot 1891 de Nieuwe Drentsche Volksalmanak. Hij werkte mee aan onder meer Het Noorden, De Amsterdammer, de Tolk van den Vooruitgang en De XXe Eeuw. Zijn ziekte kluisterde hem aan zijn studeerkamer, waar hij zijn veelzijdige intellectuele arbeid verrichte. Ter ontspanning deed hij aan schaken en dichten, las sprookjes, maar hij had een afkeer van muziek. Hij was lid van vele wetenschappelijke instellingen en de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Met natuurwetenschappers als C. Vogt, J. Moleschott, P. Harting en G. von Hellwald onderhield hij een uitvoerige correspondentie. Hartogh Heijs vervulde tal van bestuursfuncties. Hij was enkele jaren hoofdbestuurslid van de Vereeniging Volksonderwijs, voorzitter van de Asser afdeling van de Multapatior-Bond en bij de oprichting in 1882 werd hij algemeen bestuurslid van de Nieuw-Malthusiaansche Bond. Hij steunde de Asser Werklieden-Vereeniging bij de bouw van arbeiderswoningen.

Zijn grootste bekendheid verwierf Hartogh Heijs met het vertalen van Darwins werken. Hij begon met The Descent of Man op het moment dat Darwin er zelf nog aan werkte. Deze zond hem de kopij bij gedeelten op, die hij vertaalde en van commentaar voorzag. Darwin maakte dankbaar gebruik van zijn opmerkingen. In 1871 verschenen de Engelse en Nederlandse uitgave tegelijkertijd. In 1872 stichtte Hartogh Heijs een eigen blad Isis, nadat de hoogleraar P. Harting controversiële artikelen van hem geweigerd had voor diens tijdschrift Album der Natuur, waarin hij echter bleef publiceren. In Isis, waarvan tien jaargangen verschenen, besprak hij het werk van Darwin en nam hij vertalingen op van bekende materialisten. Hartogh Heijs legde een verband tussen de evolutietheorie en het vrijdenken. In het voorwoord van De afstamming van den mensch schreef hij dat voor degene 'wiens geest niet verduisterd wordt door godsdienstige, met den paplepel ingezogen vooroordelen' de 'trapsgewijze ontwikkeling' van het ontstaan van de mens het meest waarschijnlijk is. Het Darwinisme onderbouwde zijn antigodsdienstige stellingname. Hij begaf zich dan ook in vrijdenkerskringen en sprak in 1872 voor de vereniging Humaniteit. Na veel moeite gelukte het in juli 1879 het blad De Dageraad opnieuw te doen verschijnen met Hartogh Heijs als lid van de redactie. Hij bleef tot 1888 meewerken en was ook bestuurslid van de gelijknamige vereniging. Een jaar later bezocht hij als afgevaardigde het internationaal vrijdenkerscongres te Brussel, waar hij F. Domela Nieuwenhuis ontmoette. Hartogh Heijs zorgde daarop voor medewerking van zijn werknemers aan de landelijke enquête van Domela Nieuwenhuis naar de arbeidstoestanden in Nederland. Toen deze in januari 1881 voor het eerst in Assen sprak, logeerde hij bij Hartogh Heijs. In september van dat jaar sprak Hartogh Heijs op het internationaal vrijdenkerscongres te Londen over de oorsprong van godsdienstige begrippen vanuit een evolutionistisch standpunt. In november 1882 werd hij met H.C. Muller tot afgevaardigde van De Dageraad in de Algemeene Raad van de Internationale Federatie van Vrijdenkers benoemd. Met P.C.F. Frowein vertegenwoordigde hij Nederland in dat jaar op het internationaal vrijdenkerscongres te Parijs. In 1882 volgde hij R.C. d'Ablaing van Giessenburg op als voorzitter van De Dageraad, nadat deze in juni de vereniging vanwege een conflict had verlaten. Deze gaf daarop het blad Recht door Zee uit, waarin Hartogh Heijs in 1883 pleitte voor een Nederlandse federatie van vrijdenkersverenigingen. Onder zijn voorzitterschap werd in De Dageraad een ander conflict uitgevochten, namelijk tussen de burgerlijke stroming waartoe Hartogh Heijs en J. Hobbel behoorden en de socialistische stroming met Domela Nieuwenhuis, die daarop de vereniging verliet. Om gezondheidsredenen legde Hartogh Heijs in juli 1884 zijn voorzitterschap neer, waarna hij nog enkele jaren commissaris bleef.

Als vrijdenker streed Hartogh Heijs fel tegen 'kerkleer en autoriteitsgeloof', maar in politiek opzicht was hij veel minder radicaal. Ofschoon hij als student 'werkelijk zeer tot het socialisme' overhelde en sympathie koesterde voor de denkbeelden van K. Marx, brachten de colleges van de liberale econoom S. Vissering een ommekeer in zijn denken. Hij werd een progressief liberaal met een aan het Darwinisme ontleend vooruitgangsgeloof. Als kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen in Assen bepleitte hij welvaartsbevordering en 'gelijk regt voor allen'. In augustus 1881 gekozen, weigerde hij als overtuigd vrijdenker bij zijn installatie de eed af te leggen en koos voor de belofte. De belofte mocht in de ogen van de burgemeester alleen aan leden van bepaalde kerkgenootschappen worden toegestaan. De eeds kwestie wekte landelijke beroering. Ondanks de interpellatie van S. van Houten in de Tweede Kamer, stelde de regering de burgemeester in het gelijk, waardoor Hartogh Heus buiten de raad bleef. Verwikkeld in een polemiek met Domela Nieuwenhuis zette hij in april 1883 onder de titel 'Evolutie, geen Revolutie' in Recht voor Allen uiteen, dat de maatschappij een langzame evolutie doormaakte waaruit een nieuwe maatschappij werd geboren. De maatschappij stond nooit stil, maar ging vooruit, al was het soms in een zigzaglijn. Elke plotselinge revolutie bracht rampen met zich mee die de weinige voordelen ervan overtroffen, aldus Hartogh Heijs. Hij was voor bevordering van collectief eigendom door het naast particulier eigendom te laten groeien. Zijn opvattingen werden in Recht voor Allen heftig aangevallen. Vanaf juli 1885 had hij zijn eigen spreekbuis als redacteur-eigenaar van de Nieuwe Provinciale Drentsche en Asser Courant. Het blad stelde zich op een liberaal en niet-godsdienstig standpunt, stond open voor de sociale kwestie, maar bestreed het socialisme. Hartogh Heijs wees het algemeen kiesrecht af als 'de dommekracht van het aantal'. Kennisbezit moest het criterium zijn voor het verwerven van het kiesrecht. Toen in september 1885 de plaatselijke voorman van de werkliedenbeweging Jan Draad uit Den Haag terugkeerde van de grote kiesrechtdemonstratie en er relletjes in Assen uitbraken, keerde Hartogh Heijs zich fel tegen het socialisme. Hij bepleitte het doodzwijgen van in zijn ogen extreme opvattingen. In Recht voor Allen werd hij daarop een sjacheraar, een kapitalist en een bourgeois-vrijdenker genoemd die diep was gezonken uit haat tegen het socialisme. Na jaren van zeer slechte gezondheid overleed hij op vijftig-jarige leeftijd. In De Dageraad werd hij herdacht als 'een warm strijder voor gewetensvrijheid en tegen goddienerij, ofschoon hij er nooit toe kon komen, ook op sociaal gebied vrijdenker te zijn'.

Publicaties: 

Bibliografie (246 titels) samengesteld door G. Akerboom en C. Meynen (Assen 1988) in: Rijksarchief in Drenthe (Assen); De voorhistorische mensch in Europa. Naar aanleiding van de lezingen door Prof. C. Vogt te Rotterdam gehouden ('s Gravenhage 1869); Over den oorsprong der Godsdienstige denkbeelden van een evolutionistisch standpunt (Amsterdam 1883); Theologisch dubbel boekhouden, met een Drentschen bril nagecijferd. Een leekebrief, opgedragen aan Professor C.P. Tiele, te Leiden (Amsterdam 1884); in periodieken naast de genoemde: Kosmos: Natuurwetenschappelijke bladen (medewerker 1874-1877); Financieel Weekblad (redacteur 1883-1885); De Fondsenmarkt: wekelijkse courant voor geldbeleggers (redacteur 1886-1891); bewerkingen en vertalingen: L.B. Hellenbach, De vooroordeelen der menschheid op staathuishoudkundig, staatkundig en maatschappelijk gebied (Haarlem 1882); L. Büchner, Feiten en theorieën (Amsterdam 1888); (met T.C. Winkler) Darwin's Biologische meesterwerken. 4 delen, 6 banden (Arnhem 1890-1891).

Literatuur: 

Nieuwe Provinciale Drentsche en Asser Courant 3.6.1891; Bymholt, Geschiedenis, 254, 305, 372; H.F.A. Peypers, 'Levensbericht van Mr. Dr. Herman Hartogh Heijs van Zouteveen' in: Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar 1893-1894 (Leiden 1894) 314-368; Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Deel 2 (Leiden 1912) 546-547; L. Buning, 'Het begin van de werkliedenbeweging in Drenthe, voornamelijk te Assen' in: Nieuwe Drentse Volksalmanak, 1965, 44-71; L. Buning, Het herenbolwerk. Politieke en sociale terreinverkenningen in Drenthe over de periode 1748-1888 (Assen 1966); H.J. Prakke, Deining in Drenthe (Assen 1969); Th.F. Glick, The comparative reception of Darwinism (Austin 1974) 269-306; O. Noordenbos, P. Spigt, Atheisme en vrijdenken in Nederland (Nijmegen reprint 1976) 185-190; J.M. Welcker, Heren en arbeiders (Amsterdam 1978); E. Alkema, 'Het tijdschrift Isis (1872-1881) en de verspreiding van het Darwinisme onder het grote publiek' in: Tijdschrift voor de geschiedenis der geneeskunde, natuurwetenschappen, wiskunde en techniek, 9, 1986, 68-91; I.N. Bulhof, Darwins Origin of Species: Betoverende wetenschap. Een onderzoek naar de relatie tussen literatuur en wetenschap (Baarn 1988) 25-52; P.H. Hoekman, 'Hartogh Heijs van Zouteveen, Hermanus' in: J. Bos, W. Foorthuis (red.), Drentse biografieën 2 (Meppel 1990); K. van Berkel, 'Dirk Huizinga als redacteur van Isis (1872-1875). Een Groningse bijdrage aan de popularisering van de natuurwetenschap in negentiende-eeuws Nederland' in: K. van Berkel, H. Boels, W.R.H. Koops (red.), Nederland en het Noorden (Assen 1991) 184-207; M.A.W. Gerding, P. Hoekman, '"Darwin" in Drenthe' in: J. Bieleman e.a. (red.), Nieuwe Drentse Volksalmanak (Assen 1992); J. Houkes, 'De invloed van het natuurwetenschappelijk denken op de vroege arbeidersbeweging in de stad Groningen' in: P. Derkx e.a. (red.), Voor menselijkheid of tegen godsdienst (Hilversum 1998) 34-50.

Portret: 

H. Hartogh Heijs, staande links, uit: De Nederlandsche Spectator, 1881, nr. 3

Auteur: 
Piet Hoekman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 74-78
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002