HEEG, Tonnis van der

Tonnis van der Heeg

(roepnaam: Tonnis, Teun), bestuurder kleding- en textielarbeidersbonden en NVV, is geboren te Groningen op 29 maart 1886 en overleden te Almelo op 15 augustus 1958. Hij was de zoon van Albert Jans van der Heeg, pakhuisknecht, en Hyke Noordhuis. Op 12 februari 1919 trad hij in het huwelijk met Hendrica Wilhelmina Elisabeth Beeking, administrateur van De Proletarische Vrouw, met wie hij een zoon kreeg. Dit huwelijk werd op 13 november 1925 ontbonden. Op 2 april 1928 hertrouwde hij te Göteborg (Zweden) met Linnea Karin Long, met wie hij een zoon kreeg. Zij keerde in 1935 met hun zoon terug naar Zweden.

Van der Heeg was het derde in een gezin met acht kinderen. Toen hij acht jaar was, liep hij voor het eerst mee in een 1 Mei-optocht, met een rode papieren muts op. Als jong kleermakersgezel sloot hij zich aan bij de vrijsocialistische jongelingenvereniging Ontwikkeling. Nadat hij in 1902 in De Toekomst, het volksgebouw van de Groninger arbeidersbeweging, zijn één jaar oudere vakgenoot Evert Kupers had ontmoet, die lid was van de sociaal-democratische jeugdbond De Zaaier, ging Van der Heeg niet lang daarna naar De Zaaier over. Toen hij achttien werd, meldde hij zich als lid van de SDAP en sloot zich aan bij de kleermakersvereniging Vooruitgang door Broeder-schap, waarvan Kupers secretaris was. In 1908 volgde hij Kupers, die de eerste bezoldigd bestuurder van de Nederlandsche Bond van mannelijke en vrouwelijke arbeiders in de Kleedingindustrie en aanverwante vakken geworden was, naar Amsterdam en vond werk bij de Coöperatieve Kleermakerij 'Vooruit'. Hij werd onbezoldigd voorzitter van de Amsterdamse bondsafdeling en polemiseerde in het bondsblad Het Kleedingbedrijf tegen 'reactionnaire' vakgenoten, die meenden dat confectie en vrouwenarbeid nog waren tegen te houden. In september 1908 werd Van der Heeg de eerste bezoldigde bestuurder van de afdeling Amsterdam. Als zodanig speelde hij een grote rol bij de voorbereiding van de Nederlandsche Tentoonstelling van Huisindustrie in 1909 en leidde hij de Amsterdamse kleermakersstaking van 1913, die een eerste plaatselijk looncontract met de georganiseerde kleermakerspatroons opleverde. In 1914 verzorgde Van der Heeg een vrouwenrubriek in het bondsblad, waarin hij zich opwierp als voorvechter van de 'maatschappelijke en politieke gelijkstelling van man en vrouw'. In dat streven kreeg hij steun van Alida de Jong, die sinds 1912 de tweede afdelingsbezoldigde was. Als één van de weinige 'moderne' vakbondsleiders toonde Van der Heeg in 1917 begrip voor het 'Aardappeloproer'. In Het Kleedingbedrijf pleitte hij voor een feller optreden van NVV en SDAP tegen de regering. Maar in samenwerking met syndicalisten en de Sociaal Democratische Partij zag hij niets. Van der Heeg, die Kupers in februari 1915 als bondssecretaris was opgevolgd, volgde hem in mei 1918 op als voorzitter. Het mooiste resultaat van zijn voorzitterschap boekte hij al in april 1919, toen na een reeks van stakingen en langdurige onderhandelingen voor het eerst een landelijke loonregeling tot stand kwam met flinke loonsverhogingen, een vakantieregeling, ziekte-uitkering en arbeidstijdverkorting. In hetzelfde jaar was hij een van de oprichters van de Internationale Federatie van Arbeiders in de Kledingindustrie, waarvan hij secretaris werd. Zijn door zelfstudie verworven talenkennis en belezenheid kwamen hem daarbij zeer van pas. In april 1924 vertrok Van der Heeg, die al sinds zijn jeugd van tijd tot tijd aan tuberculose leed, naar een Zwitsers sanatorium. Zijn reis en verblijf werden bekostigd uit een inzameling in de kringen van NVV en SDAP. Een jaar later keerde hij in gewicht toegenomen en gebruind terug. Desondanks zou hij in de jaren dertig nog enkele malen geruime tijd door ziekte worden uitgeschakeld. Van der Heeg, die gold als een charmant teamleider en een deskundig en tactisch onderhandelaar, was een vlot spreker, maar geen groot agitator. De belangen van de thuiswerkers lagen hem na aan het hart. Hij ijverde voor toepassing van de Ziektewet en voor de totstandkoming van een Wet op de Huisarbeid (1933). In een periode waarin de vakstrijd voornamelijk defensief was, bleven de resultaten echter beperkt.

In februari 1932 werd Van der Heeg lid van het verbondsbestuur van het NVV, waar hij tot de linkervleugel behoorde. Hij maakte bezwaar tegen het plan om het NVV-jubileumcongres van 1932 op te luisteren met duur vuurwerk. Volgens hem zouden de werklozen dat niet begrijpen. Hij pleitte voor organisatie van werklozen en vrouwen in de vakbeweging, een boycot van Duitse waren in 1933 en voor actiever steun aan de republikeinse strijders in de Spaanse Burgeroorlog. Maar van een 'Arbeidersweer', zoals G.J.A. Smit van de handels- en kantoorbediendenbond in het verbondsbestuur bepleitte, moest hij niets hebben. Hij vond dat 'gevaarlijke Spielerei'. In Hilversum, waar Van der Heeg zich in 1921 met zijn gezin gevestigd had, was hij in 1926 voor de SDAP in de gemeenteraad gekomen. Hij hield zich er bezig met sociale zaken en gemeentebedrijven en werd in 1931 fractievoor-zitter. Ook in de SDAP neigde hij naar de linkervleugel, doch de eenheid was hem veel waard. Hij had scherpe kritiek op de groep rond De Fakkel, maar bestreed hun royement. Toen de bom op het Haarlems congres van 1932 barstte, meldde hij zich aan bij de nieuwe Onafhankelijke Socialistische Partij doch keerde al na enkele weken terug naar de SDAP. Met de communisten had Van der Heeg het binnen de bond hevig aan de stok. Van 1930 tot 1935 roerde de Roode Vakbewegings Oppositie zich op straat, tijdens vergaderingen en in het stencilblad De Roode Naald. In De Tribune heette Van der Heeg een 'klasseverrader' en 'organisator van het internationale kapitalistische front tegen Sowjet-Rusland'. De bondsleiding reageerde met royementen, maar in de Hilversumse gemeenteraad verdedigde Van der Heeg in 1939 als fractieleider - vergeefs - het recht van een communistisch raadslid om in een raadscommissie te worden verkozen.

De Duitse bezetting plaatste Van der Heeg in uiteenlopende rollen. In de bond kwam hij met ere buitenspel te staan. Op 15 augustus 1940 werden Van der Heeg en veertien andere vakbondsbestuurders ontslagen, omdat de bezetter aannam dat zij 'niet tot loyale medewerking bereid' waren. In de Hilversumse gemeentepolitiek echter kreeg en aanvaardde Van der Heeg nieuwe en al snel omstreden verantwoordelijkheden. Vier dagen na de Duitse inval in mei 1940 was de joodse SDAP-wethouder voor de bedrijven David Lopes Dias onaangekondigd uit Hilversum verdwenen, volgens een latere verklaring van de burgemeester met een geheime opdracht. Op 17 mei had de raad Van der Heeg aangewezen als Lopes Dias' vervanger. Om diverse redenen meende de fractiemeerderheid dat de inmiddels teruggekeerde Lopes Dias beter niet zijn functie kon hervatten. Maar, na enige aarzeling, wilde Lopes Dias dat juist wel en nam op 4 september zijn post weer in. Toen Hilversum eind oktober een NSB-burgemeester kreeg, nam Lopes Dias ontslag en werd kort daarna gearresteerd en weggevoerd. Hierna werd Van der Heeg op 5 november de nieuwe wethouder voor de bedrijven. Nadat de raad was ontbonden, vroeg en kreeg hij begin april 1941 zijn ontslag als wethouder. Hij aanvaardde nu een ambtelijke functie als hoofd van de Distributiedienst. Deze positie gebruikte hij om maandelijks een groot aantal bonkaarten te verstrekken aan de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) van het verzet. Toen in september 1943 een deel van het personeel van de Distributiedienst werd gearresteerd, wist hij onder de naam Bindert van Kammen onder te duiken in Enschede. Daar beraadslaagde hij met W.J. Fijlstra, H. van Asselt en B. van Pelt van de textielarbeidersbond De Eendracht over een nadere uitwerking van de fusie tussen de bonden van kleding- en textielarbeiders, waarvoor de plannen al sinds 1940 klaarlagen. Voor Van der Heeg eindigden deze activiteiten onverhoeds door zijn arrestatie in september 1944. Meteen na de bevrijding ontbrandde in de SDAP-afdeling een emotioneel debat over de houding van de fractiemeerderheid tegenover Van der Heegs leiderschap van de Distributiedienst. De Ereraad van de SDAP keurde het aanvaarden van die functie af, maar toonde 'respect en waardering' voor zijn motieven en de wijze waarop hij zijn ambt had vervuld. Een arbitragecommissie onder leiding van M.A. Reinalda adviseerde de afdeling de meest op de voorgrond tredende figuren uit beide kampen, waaronder Van der Heeg en zijn felste opponent Jan Broeksz, niet te laten terugkeren in leidende functies. Van der Heeg stelde zich daarom in november 1945 niet herkiesbaar als raadslid en wethouder.

In mei 1945 werd Van der Heeg volgens in 1944 gemaakte afspraken voorzitter van het voorlopig bestuur van de nieuwe Algemene Nederlandse Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de Textiel- en Kledingbedrijven 'De Eendracht'. Zijn formele verkiezing volgde in februari 1946. Als bondsvoorzitter was hij opnieuw lid van het NVV verbondsbestuur en vanaf 1946 van de Algemene Raad van het NVV. In die organen drong hij aan op een radicale 'zuivering', uitte hij kritiek op de te loyale houding van het NVV tegenover de Indonesië politiek van de kabinetten-Schermerhorn, -Beel en -Drees en toonde hij zich de meest uitgesproken voorstander van fusie tussen het NVV en de Eenheids-Vakcentrale (EVC). In Twente, het centrum van de textielindustrie, had de EVC veel aanhang en bepaald niet alleen onder communistisch gezinden. Van der Heeg vreesde dat het NVV door het afwijzen van een fusie zijn laatste krediet zou verspelen en dat daarmee de invloed van de Communistische Partij in Nederland op de EVC alleen maar zou toenemen. Maar bij de definitieve stemming in 1949 bleek Van der Heeg nog de enige fusie-voorstander te zijn. Na zijn pensionering in september 1949 bleef Van der Heeg het wel en wee van zijn bond intensief volgen. Hoewel formeel nog in Hilversum woonachtig, verbleef hij meestal in Almelo bij zijn vriendin Martha Gorter, bij wie hij in 1944 ondergedoken was geweest. Hij overleed in 1958 in een Almeloos ziekenhuis aan longkanker.

Publicaties: 

De kleermakers en hun strijd voor goede arbeidsvoorwaarden (Amsterdam 1928); De toepassing der sociale verzekeringswetten, in het bijzonder van de Ziektewet, in de huisindustrie (Amsterdam 1930); De herstelpolitiek van Roosevelt. Rede uitgesproken op de 16e Alg. Vergadering van het Ned. Verbond van Vakverenigingen (Amsterdam 1935).

Literatuur: 

Vijfentwintig jaar 1908-1933', in: Het Kleedingbedrijf, 2.9.1933; S. Witteboon, Evert Kupers (Amsterdam 1949) 28-35; De Vakbeweging, 2.8.1958, 261; E. Kupers, 'In memoriam T. van der Heeg', in: De Eendracht, 1.10.1958; B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992).

Portret: 

T. van der Heeg, IISG

Auteur: 
Peter-Paul de Baar
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 78-81
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002