HEIJERMANS, Herman

Herman Heijermans

toneelschrijver en sociaal-democraat, is geboren te Rotterdam op 3 december 1864 en overleden te Zandvoort op 22 november 1924. Hij was de zoon van Herman Heijermans, journalist, en Matilda Moses Spiers. Louis Heijermans, Ida Heijermans en Marie Heijermans waren broer en zussen van hem. Op 30 maart 1898 trad hij in het huwelijk met Maria Sophia Peers, cabaretzangeres, met wie hij een dochter kreeg. Het huwelijk werd ontbonden op 27 november 1918. Op 17 december 1918 trad hij in het huwelijk met Anna Elizabeth Henriëtte Jurgens, actrice, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: onder meer Dirk Akerman, Cali-Nicta, Colijn, Deysselianus, L.H.A. Drabbe, Samuel Falkland, Gerrit(je), Koos Habbema, F. Hoekstra, Icarus Forens, Ivan Jelakowitch, Hans Ludificor, Hans Muller, P. Peers, M. de Pinto, Sluipdoor, Heinz Sperber, J.W. Stoop, E.W. Thijssen, Zieltje.

Heijermans groeide op als oudste zoon in een liberaal joods gezin met elf kinderen, van wie één heel jong overleed. In het ouderlijk gezin werd druk gemusiceerd, getekend en gezongen. De vader was journalist bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant en hoofdredacteur van Het Zondagsblad. Volgens zijn zoon Louis kiemde bij hun vader al revolutionair verzet tegen de 'burgerlijke dufheid' van Rotterdam. Het gezin zou de sociaal-democratie later enige vooraanstaande leden leveren. Herman begon na de Hoogere Burger School in 1883 zijn loopbaan als kantoorbediende bij de Wissel- en Effectenbank, later Twentsche Bank. Deze belastte hem in 1886 met de groothandel in lompen en metalen van Cohen en Mok. Daarnaast dreef hij met zijn jongere broer Boen vanaf 1888 een agentuur in huishoudelijke artikelen. Na vijf jaar dreigde het faillisement van de lompenhandel maar zijn vader wist dit nog net te verhinderen. Tegelijkertijd verbrak Betsy Vles, de dochter van een rijke collega, de verloving. Het dreigende faillissement betekende een grote schande voor de familie. Heijermans zweeg er zijn hele verdere leven over. In 1891 was Heijermans begonnen zijn eerste schetsjes te schrijven, die zijn vader in Het Zondagsblad plaatste. Hij besloot van zijn pen te gaan leven en in 1892 vertrok hij op goed geluk naar Amsterdam. Hij werd toneelrecensent bij de in 1893 opgerichte Telegraaf. 'Hij wierp zich met al de onstuimigheid van zijn jonge geestdrift op de hervorming van het tooneel', aldus J.F. Ankersmit. Door zijn felle kritieken verwierf Heijermans zich vijanden bij de vleet. Dit gold ook voor de geestige persiflages op de recensies van zijn collega's onder het pseudoniem Gerritje. Hetzelfde blad publiceerde in 1894 Heijermans' eerste 'column' onder het pseudoniem Falkland. Dit pseudoniem had ook zijn vader al gebruikt. Het was de naam van de Engelse dichter en politicus Falkland uit de zeventiende eeuw. Vanaf augustus 1896 verschenen zijn Falklandjes in het Algemeen Handelsblad. Hij zou er honderden schrijven, pittige stukken vol humor, die onder de naam Schetsen in negentien bundels tussen 1898 en 1915 heruitgegeven werden. Doordat hij zich in een dagblad beknopt, leesbaar en helder moest uitdrukken, stonden zijn stukken minder onder invloed van het proza der Tachtigers-epigonen. Hij ontmoette in deze tijd de acht jaar jongere Frans Mijnssen, met wie hij levenslang, zij het niet zonder botsingen, intiem bevriend zou blijven. Mijnssen stamde uit een zakenmilieu en Heijermans hielp hem tegen het ouderlijk huis in, zijn weg als toneelschrijver en criticus te vinden. Heijermans eerste toneelwerk Dora Kremer (1893) behandelde de opgesloten positie van de vrouw binnen het burgerlijke huwelijk en deed in de verte denken aan Nora van Hendrik Ibsen. Het werd door de toneelcritici, die hun kans schoon zagen, gekraakt en beleefde niet meer dan vier opvoeringen. Beledigd bracht Heijermans nu zijn nieuwe stuk Ahasverus (1894) uit over de jodenpogroms in Rusland onder het pseudoniem Ivan Jelakowitsch. Ditmaal oogstte hij lof. Het stuk werd zelfs in Parijs opgevoerd. Heijermans reisde daarheen en kwam onder de indruk van het opkomende symbolisme, dat haaks stond op het naturalisme. Het ging om de idee achter het zintuigelijk gegevene. Heijermans schreef in deze geest het prozagedicht Fleo (Amsterdam 1894), dat zelfs de christelijke symboliek niet schuwde. Hij werd heen en weer geslingerd tussen symbolisme en naturalisme, tot het socialistische ideaal voor hem de rauwe kapitalistische werkelijkheid en de idee van een menselijker samenleving verenigde. Heijermans woonde in de Amsterdamse Pijp enige tijd op kamers samen met zijn broer Louis, die al lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) was. Dit bohemien-bestaan duurde tot Herman de beeldschone Marie Peers ontmoette, met wie hij in 1895 eerst in Wijk aan Zee ging samenwonen en later trouwde. Zij kwam uit een familie van circusartiesten en kon lezen noch schrijven. Ze begon aan een geslaagde inhaalmanoeuvre en publiceerde later zelfs een toneelstuk, gedichten en herinneringen. In Katwijk aan Zee, waar ze vanaf 1901 een tijdlang woonden, werd in september 1902 hun dochter Hermine geboren. Heijermans leerde hier Jan Toorop kennen, met wie een duurzame band ontstond. Van aangespoeld hout maakten ze samen een boekenkast. Toorop ontwierp affiches bij sommige toneelstukken van Heijermans en in 1914 portretteerde hij hem. Peers' twee dochters uit een eerdere verbintenis waren haar 'als gevallen vrouw' ontnomen door de vader. Deze geschiedenis verwerkte Heijermans in zijn roman Kamertjeszonde (Amsterdam 1897). Deze verscheen uiteindelijk onder het pseudoniem K. Habbema bij een uitgeverij van pornolectuur, nadat andere uitgeverijen het manuscript geweigerd hadden. Lezers die dachten met een zinneprikkelend boek te maken te hebben, kwamen bedrogen uit. Het stelde de bekrompen huwelijksmoraal aan de kaak. Het boek was een succes en een gerenommeerde uitgever verzorgde de herdrukken.

Begin 1897 sloot Heijermans zich ook zelf bij de SDAP aan. Hij luisterde het paascongres van de partij in 1898 op met een eenacter, Puntje, een puur partijpolitiek en vooral anti-rooms stuk. Hierin vertolkten behalve hijzelf, Peers, Ankersmit, J.J. de Roode en de acteur M.J. Ternooy Apèl, als enige beroepsacteur, de rollen. Via Ternooy Apèl raakte Heijermans als toneelschrijver verbonden aan de Nederlandsche Tooneelvereeniging. Hij mengde zich ook in de partijpolitiek en ijverde voor een SDAP-dagblad dat naar zijn mening in de plaats moest komen van De Sociaal-Democraat, die driemaal per week verscheen en het dagelijks nieuws niet op de voet kon volgen. Hij schreef hiervoor een nota en maakte een begroting. In mei 1899 nam hij zitting in de Voorbereidingscommissie voor een Dagblad, die er uiteindelijk met financiële steun van Duitse geestverwanten in slaagde in maart 1900 met de uitgave van Het Volk te beginnen. Heijermans was een onvermoeibare publicist. Als devies koos hij 'nulla dies sine linea' (geen dag zonder schrijven; linea is letterlijk verfstreek). Het kostte echter moeite de vele artikelen die hij schreef, geplaatst te krijgen. Literaire bladen als De Gids en het Tweemaandelijksch Tijdschrift weigerden zijn bijdragen. Toen ook het wetenschappelijk maandblad van de SDAP, De Nieuwe Tijd, werk van hem teruggestuurd had, startte Heijermans een eigen tijdschrift. In juni 1897 verscheen het eerste nummer van De Jonge Gids, 'tijdschrift gewijd aan letteren en politiek'. Zelf leverde hij bijdragen onder negen pseudoniemen, maar het is niet zo dat hij het zelf vol schreef. Hij slaagde er in medewerking te krijgen van SDAP'ers als De Roode, A.S. de Levita, F. van der Goes, Ankersmit, H. van Kol, Henri Polak, W.L. Brusse, L.M. Hermans, Is. Querido, A. van Collem en Dirk Troelstra, maar ook van hele en halve anarchisten als F. Domela Nieuwenhuis, Chr. Cornelissen, J.K. van der Veer, B. Bymholt en B.P. van der Voo. Een bijzondere prestatie in de jaren dat de verschillende richtingen elkaar venijnig bestreden en belasterden. Verder verleenden ook partijloze letterkundigen hun medewerking. Toch schuwde Heijermans theoretische verhandelingen zoals over de marxistische economie niet. Zelf keerde hij zich op een niets ontziende wijze tegen het 'establisment', maar hij nam het op voor delinquenten, gestichtskinderen en prostituées. Geruchtmakend is een enquête over de behandeling van om politieke redenen veroordeelde socialisten in Nederlandse gevangenissen, waarvoor Heijermans in 1897 onder meer Domela Nieuwenhuis en W.H. Vliegen ondervroeg. Een andere enquête met veel statistisch materiaal en interviews behandelde het lot van jonge criminelen in de rijksopvoedingsgestichten. In De Jonge Gids zette Heijermans ook zijn kunstopvatting uiteen. De Tachtigers met hun 'gezever' over schoonheid noemde hij 'onanisten van het gevoel'. Een andere schoonheid zou geboren worden in de proletarische kunst. Strikt genomen kon volgens socialistische theoretici, met wie Heijermans weinig op had, proletarische kunst pas ontstaan na de voltooiing van het socialisme. Maar volgens Heijermans was nu, met het naturalisme en het realisme, al een overgangsfase ingetreden. Door het socialistische perspectief zouden deze kunstvormen tot volheid geraken. Zelf zag Heijermans zich als een vroege belichaming van de toekomstige socialistische kunst: 'want in mij is verzet en verzet geeft mij schoonheid'. In een aantal van zijn stukken stonden de kapitalistische uitbuiting en de sociale ellende centraal, maar van Herman Gorters geïdealiseerde voorstelling van de arbeidersklasse moest hij niets weten. Hij schetste de werkers met al hun tekorten en berusting en in al hun verscheidenheid. Enkele van zijn personages liet hij door hun ervaringen niet alleen tot dieper inzicht in het 'ontzaggelijk tijds-epos', 'de reuzen-worsteling tussen Kapitaal en Arbeid', komen maar zij gingen ook de bevrijding van de arbeiders en de komst van een humaner samenleving als toekomstperspectief zien. Omdat De Jonge Gids ook terreinen van De Nieuwe Tijd bestreek, nodigde Nieuwe Tijd-redacteur Gorter Heijermans in het najaar van 1898 uit voor een gesprek over samenwerking. Afgesproken werd dat De Jonge Gids alleen letterkundig werk en De Nieuwe Tijd politiek en economisch werk zou publiceren. Heijermans trad toe tot de redactie van De Nieuwe Tijd. Tot zijn woede hield men zich niet aan de afspraak. Bovendien was hij van mening dat De Nieuwe Tijd veel te intellectualistisch was en zelfs geïnteresseerde arbeiders niet bereikte. Toch nam Heijermans het initiatief tot fusiebesprekingen tussen zijn blad en De Nieuwe Tijd, maar Gorter wenste zich het recht voor te behouden om werk van Heijermans te weigeren. Voor Heijermans was daarmee de maat vol en hij stapte uit de redactie. Zijn eigen blad hield het ondanks chronisch geldgebrek vol tot maart 1902 en in 1903 trad Heijermans opnieuw toe tot de redactie van De Nieuwe Tijd.

Ondertussen schreef Heijermans toneelstukken. In 1898 verscheen Ghetto, dat speelde in de bedompte, orthodox-joodse sfeer van sjacheraars en voddenkooplieden. De hoofdpersoon maakte zich onmogelijk door zich af te keren van het joodse geloof. Ghetto veroorzaakte her en der relletjes. Heijermans' uitlatingen over joden waren in zijn vroege jaren soms grof en beledigend, maa hij ontkende aanvankelijk dat Ghetto een antisemitisch stuk was. Niettemin bracht hij wijzigingen in de tekst aan 'door 't getto-begrip in de kristelijke dienstmaagd te vervolledigen en van 'n joods getto tot meer universele en noodzakelijke getto-mensen te geraken. Gelukt is dit niet. De zwaar-beschuldigde joden in Ghetto maak 'k m'n ekskuus'. De premières van zijn stukken - in totaal schreef hij er zestig - durfde hij niet bij te wonen. Liever wachtte hij in een naburig café op de afloop, uit angst dat de agressie die zijn werk opwekte tot een aanslag zou leiden. Hij bewoog zich mede daarom bij voorkeur per taxi. In de roman Diamantstad (Amsterdam 1904), die eveneens in het Amsterdamse 'ghetto' speelde, zag de hoofdpersoon de verheffing van de arbeiders als vrucht van een staking. De opvoering van Allerzielen (1904) daarentegen werd in sommige plaatsen verboden, omdat het stuk kwetsend zou zijn voor rooms-katholieken. Beroemd, ook in het buitenland, werd Heijermans met Op hoop van zegen in 1900. De aanklacht in het boek van Bernard Canter, een der eerste sociale reporters in Nederland, Een droomer ter haringvangst (1896), inspireerde Heijermans. Hij woonde als journalist in 1899 het eerste Nationaal Visscherij-Congres bij en deed daar verslag van in De Nieuwe Tijd, na zich eerst verder uitvoerig gedocumenteerd te hebben, onder de titel 'Barmhartige reeders'. Voor de reders telden de slecht onderhouden schepen, die goed verzekerd waren, en niet de bemanning. Hij kende de vissersbevolking, waar hij jaren tussen gewoond had. Hij hield van de zee maar had de stad nodig voor zijn werk. De eerste opvoering vond op 24 december 1900 plaats. Esther de Boer-van Rijk, die in tal van andere stukken van Heijermans met groot succes de vrouwelijke hoofdrol zou spelen, speelde de hoofdrol van de vissersweduwe Kniertje. De vrome en berustende Kniertje kwam niet verder dan 'De vis wordt duur betaald' maar dat maakte haar klacht des te indrukwekkender. Het stuk droeg bij aan de totstandkoming van de Schepenwet van 1 juli 1909 ter vergroting van de veiligheid en het tegengaan van scheepsrampen. Eind 1901 schreef Heijermans Ora et labora, na een week lang met zijn vrouw door Drenthe gezworven te hebben, waar zij plaggenhutten bezochten en met veenarbeiders spraken. De première was op 1 februari 1902. Toorop ontwierp het affiche. Het ene stuk na het andere kwam uit Heijermans' handen, vooral in vakantietijd. De première was vaak met kerstmis. Heijermans sneed zeer uiteenlopende onderwerpen aan. Behalve het harde arbeiderslot kwamen de bekrompen wereld van de kleine burgerij en de onderdrukte positie van de vrouw aan de orde. Een hoogtepunt vormt Schakels (1903), met Louis Bouwmeester bij de première in de hoofdrol. Thematisch doet het denken aan King Lear. Bij Heijermans is het een smid, die zijn leven lang keihard werkt en van zijn smederij een groot metaalbedrijf maakt. Op zijn oude dag draagt hij het over aan zijn kinderen, die het alleen om geld gaat en die hem menselijk kapot maken door een huwelijk met zijn huishoudster op de meest infame wijze te verhinderen. Eenzaam blijft hij achter. Heijermans schuwde ook het fantastisch-romantische genre niet. De wijze kater (1917) speelt aan een hof. De rol van de kater, die veel lenigheid vergde, speelde Jan Musch met groot succes. Vooral kinderen keerden geregeld in de stukken en romans van Heijermans terug. In 1903 bundelde hij Het kind, Het kamerschut en In de jonge Jan in Kinderen. Doordat zijn stukken in verschillende landen opgevoerd werden, had Heijermans er last van dat Nederland niet aangesloten was bij de zogeheten Berner Conventie. Hierdoor was hij auteursrechtelijk niet beschermd. Daarom verhuisde hij in 1907 naar Berlijn, waar hij al geen onbekende meer was. Rijke vrienden maakten dit financieel mogelijk. Nu Heijermans overwegend thuis werkte, moest zijn vrouw er zorg voor dragen dat in huis volkomen stilte heerste als hij zat te schrijven. Hij publiceerde onder het pseudoniem Heinz Sperber als toneelrecensent in het socialistische blad Vorwärts. Hierdoor raakte hij in een vinnige polemiek verwikkeld met Franz Mehring. In brieven aan G.B. Shaw en Maxim Gorki opperde hij het plan voor een internationaal literair tijdschrift onder redactie van Heijermans en de geadresseerden. Gorki leek het wel wat, maar Shaw liet niets horen. Heijermans raakte in Berlijn bevriend met de toneelschrijver Gerhart Hauptmann, door wie zijn werk volgens sommigen beïnvloed werd. Vanuit Berlijn schreef hij 'columns' voor verschillende Duitse kranten en hanteerde voor elke krant een ander pseudoniem. Een vroeg voorbeeld van participerende journalistiek leverde hij met de reportage '24 Stunden in der Irrenanstalt' (1910) in het Berliner Tageblatt, die veel deining teweeg bracht. Hetzelfde geldt voor zijn verslag van een tehuis voor daklozen. Heijermans liep al langer met het plan rond een stuk over mijnwerkers te schrijven en reeds in 1908 begon hij fragmenten in De Nieuwe Tijd te publiceren. De mijnramp op 12 november 1908 in de Radbod in het Roergebied, waarbij 348 dodelijke slachtoffers vielen, versterkten hem in zijn voornemen het stuk te voltooien. In februari 1909 had hij met hulp van kompels vermomd een week in een mijn doorgebracht. Hij herschreef op grond hiervan Glück auf, dat op 24 december 1911 in de Hollandsche Schouwburg in première ging. Het stuk begint en eindigt met een aandeelhoudersvergadering om aan te geven dat alles bij het oude blijft. Net als in Germinal (1885) van Emile Zola doorkruist een mijnramp de op handen zijnde staking. Tussen de mijnwerkers en een directielid, met wie zij samen beneden in de mijn opgesloten zitten, vallen de sociale tegenstellingen weg maar boven de grond botsen deze juist in alle hevigheid. Het stuk wordt nergens schematisch. 'Heijermans was vakman genoeg om te weten dat overtuigingskracht gebaat is bij nuances', aldus J. Perry. In Berlijn begon Heijermans aan de roman Duczika, die onvoltooid bleef maar waarvan tien hoofdstukken in De Nieuwe Gids van 1912 en 1913 gepubliceerd werden. In 1911 sloot Nederland zich aan bij de Berner Conventie. Heijermans keerde met het gezin terug naar Amsterdam, niet zonder schulden, want om aan het 'society'-leven te kunnen deelnemen had hij op royale voet geleefd . Zijn vrouw berouwde hun vertrek niet. Ze hield niet van Duitsland en was meer op het Zuiden georiënteerd. Ook het faillisement van de Nederlandsche Tooneelvereeniging, die al zijn stukken speelde, maakte zijn terugkeer noodzakelijk. In juni 1911 richtte Heijermans de NV Tooneelvereeniging op met voornamelijk dezelfde spelers en met hemzelf als directeur. Daarmee brak een nieuwe fase in zijn leven aan. Hij stak veel tijd in zijn nieuwe functie en kwam nauwelijks aan het schrijven van toneelstukken meer toe. Als directeur zat de kunstenaar in hem de zakenman in de weg. Bovendien was hij te perfectionistisch en wilde hij alle touwtjes in handen houden. In zijn werk kon hij niet delegeren, liever deed hij alles tot en met de kaartcontrole zelf. Daarbij trad hij soms bruusk, eigenmachtig en autoritair op. Net als andere toneelgezelschappen kampte hij permanent met geldgebrek. Het toneel was nog niet gesubsidieerd. Deurwaarders achtervolgden hem regelmatig. In 1914 leed zijn gezelschap een verlies van 22.000 gulden en moest Heijermans al zijn bezittingen verpanden. Hij maakte geen onderscheid tussen privé en zakelijk kapitaal, ging op bedeltocht en zag toch kans zijn acteurs uit te betalen. Hoewel hij socialist was, wist hij in deze jaren zijn toneelgezelschap mede op de been te houden dankzij de ruimhartige giften van bankiers en andere kapitaalkrachtigen, maar ook door eindeloos te schrijven en te publiceren. Simon Carmiggelt, die de Falkland-traditie verder droeg, kwalificeerde Heijermans' werk van de laatste jaren als een onmenselijke hoeveelheid schrijverij om den brode. Schulden dwongen hem daartoe. Het huldigingscomité ter ere van zijn vijftigste verjaardag, onder voorzitterschap van I. Querido, wierf tevens fondsen voor het levensonderhoud van zijn gezin. De huldiging in 1914 viel samen met de vijfhonderdste opvoering van Op hoop van zegen. De Boer-van Rijk zou in totaal 1200 keer optreden als Kniertje. Ondertussen werd het huwelijk van Heijermans een steeds zwaardere emotionele last voor hem en zijn vrouw. Het ging niet langer en hun dochter Hermin nam het initiatief en vertrok met haar moeder. Maar de band met haar vader bleef hecht. Heijermans zocht het in zijn werk maar raakte op 54-jarige leeftijd verliefd op de jonge actrice Anna Jurgens, met wie hij zijn tweede jeugd beleefde en met wie hij twee kinderen kreeg. Zijn oude vriend P. Tideman maakte het mogelijk een villa in Zandvoort te gaan bewonen. Heijermans hield van de natuur in het algemeen. Zijn pantheïstisch getinte uitlatingen over moeder aarde wijzen eveneens in die richting.

Begin 1920 werd de toneelwereld geconfronteerd met een algemene staking van toneelspelers, die betere contracten en een pensioenregeling eisten. Zij waren georganiseerd in de Nederlandsche Tooneelkunstenaars Vereeniging, die al vanaf 1913 actie voerde. Als reactie op deze bond was in 1918 de Bond van Directeuren van Openbare Vermakelijkheden opgericht. Heijermans was hier uiteraard geen lid van en kwam als theaterdirecteur ook snel tegemoet aan de redelijke eisen van de stakers, wat zijn collega-theaterdirecteuren hem niet in dank afnamen. In 1919 kwam de Stadsschouwburg in handen van de gemeente. De gemeenteraad sprak zich tevens uit voor de verhuur aan één gezelschap. Er moest uiteindelijk gekozen worden tussen W. Royaards en Heijermans. De gemeenteraad sprak zich op instigatie van F.M. Wibaut, op dat moment wethouder van financiën, in meerderheid voor Royaards uit. Slechts een enkel raadslid, onder wie A.B. Kleerekoper, steunde Heijermans. Volgens Wibaut bezat alleen Royaards 'den fijnen vertrouwbaren smaak, die bij de bespeling van de Stadsschouwburg onmisbaar is'. Over deze gang van zaken was Heijerman diep teleurgesteld. Hij wilde zijn tegenstanders misschien overtroeven door het huren van theater Carré met tweeduizend plaatsen. Hij hield het twee seizoenen vol, ook door 'contre coeur' spektakelstukken te laten opvoeren die massa's trokken. Daar was ook een nieuw stuk van hemzelf bij: De Vliegende Hollander of de grote weddenschap (1924), het relaas van een wereldvlucht. Het vliegtuig stort in zee, maar de inzittenden worden gered. Een minder geslaagde mengeling van klucht en drama. Ook Vanouds 'de morgenster' (1924) ter ere van het vijftigjarig toneeljubileum van De Boer-Van Rijk kwam moeizaam tot stand en geldt als minder geslaagd. In zijn laatste levensjaren werd Heijermans milder en bezonnener. Het gelukkige gezinsleven miste zijn uitwerking niet. Tot zijn laatste geschriften behoort het ontroerende Droomkoninkje, Een verhaal voor groote kinderen (Amsterdam 1924), waarin het vroegwijze, invalide zoontje lange gesprekken over het leven voert met zijn vader, die als electricien tenslotte in de mijn werkt en daar omkomt. Heijermans droeg het boek op aan zijn twee jonge kinderen. George van Raemdonck illustreerde het op passende wijze. Het kreeg grote bekendheid, ook doordat Kommer Klein er stukken voor de radio uit voorlas. Verder bleef Heijermans alles doen om geld te verdienen. Hij schreef feuilletons, detectives, kortere en langere verhalen en ook wel beschouwingen voor De Telegraaf, Het Leven, De Amsterdammer, Het Volk en Astra. Door de hoog oplopende schulden moest hij de strijd voor het behoud van het toneelgezelschap staken, ook al omdat zijn gezondheid hem in de steek liet. Eind 1923 nam de kanker in zijn kaakholte zulke ernstige vormen aan dat hij in de Van Leeuwenhoek-kliniek werd opgenomen. Begin 1924 vond een zware operatie plaats. In de zomer zag hij de dood onder ogen. Mijnssen, Royaards, A.M. de Jong, Lodewijk van Deyssel en Frederik van Eeden kwamen hem bezoeken. Van Eeden deed nog een poging tot bekering, wat in de pers tot verwarring leidde, maar Heijermans bleef een standvastig atheïst. Tijdens zijn ziekbed dwong hij Hermine, die ook op de planken stond, verpleegster te worden. Hij vond de toneelwereld geen goede omgeving voor haar. Levenslang hield hij er strenge opvattingen over de omgang tussen mannen en vrouwen op na. Zijn laatste briefkaart, een week voor zijn dood, was voor Mijnssen. Hij overleed in zijn huis te Zandvoort. Heijermans had via zijn zuster Hélène laten weten niet met joods ceremonieel begraven te willen worden. Wel droomde hij ervan 'door het volk uitgedragen' te worden. Zo gebeurde het. De SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen organiseerden de begrafenis. Om 'gehol en gevlieg over de graven door banaal publiek' te voorkomen waren toegangskaarten voor de begraafplaats Zorgvlied uitgegeven. Het publiek stond massaal langs de Amstel opgesteld. Aan het graf spraken Vliegen, Royaards en De Boer-van Rijk. Een Heijermansstichting werd opgericht om zijn tweede vrouw en kinderen te onderhouden en zijn talrijke schulden te delgen. Door de jaren heen bleef Heijermans' werk populair, vooral bij het amateurtoneel. Toen het radiohoorspel eind jaren twintig opkwam, zond de VARA diverse stukken van Heijermans uit, die zo een ongekend groot publiek bereikten. Carmiggelt noemde hem de grootste toneelschrijver van de twintigste eeuw. J. Mendes da Costa vervaardigde van Heijermans een portretbuste die, geplaatst in het Vondelpark, op 22 november 1929 door wethouder F.M. Wibaut onthuld werd. Vandalen beschadigden het beeld dusdanig dat het door een nieuwe versie vervangen moest worden. Deze kwam in het Leidsebosje te staan. In het begin van de bezetting was het beeld opnieuw zo zwaar beschadigd dat de gemeente het liet opslaan. F. de Miranda kreeg na de bevrijding opdracht het te restaureren maar zag hier geen kans voor. Hij vroeg het beeld te mogen houden en nam het mee naar Israël. Na diens terugkeer deed Krop een onbevredigende poging het beeld te herstellen. De steenhouwersfirma Van Tetterode slaagde hierin wel en op 1 juni 1964, de honderdste geboortedag van Heijermans, onthulde Krop het beeld. Het kwam opnieuw in het Leidsebosje te staan. Heijermans honderdste geboortedag kreeg veel aandacht en er verscheen een driedelige uitgave van zijn complete toneelwerk.

Archief: 

Archief H. Heijermans in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Niet genoemde toneelstukken: 'n Jodenstreek? (1894); Het zevende gebod (1900); Het Pantser (1902); Bloeimaand (1905); Allerzielen (1905); Uitkomst (1907); Vreemde jacht (1907); De groote vlucht (1908); De schoone slaapster (1911); De meid (1911); De opgaande zon (1911); Beschuit met muisjes (1911); Eén Mei (1912); Robert, Bertram en Comp. (1914); Eva Bonheur (1919); Dageraad (1921); Toneel-studies. I-IV (Bussum 1904-1906); Toneelwerken. I-III (Amsterdam 1965); niet genoemd proza: Trinette (Amsterdam 1893); Schetsen I-XVIII (Amsterdam 1896-1914); Sabbath. Eene studie (Amsterdam 1897); Gevleugelde daden (Bussum 1905); Biecht eener schuldige (Amsterdam 1906); Een wereldstad (Amsterdam 1908); Wat niet kon (Amsterdam 1908); Berliner Skizzenbuch (Berlijn 1908); Drijvende klompjes (Bussum 1909); Joep's wonderlijke avonturen (Amsterdam 1909); De roode filibustier (Amsterdam 1911); Droompaard (Amsterdam 1923); Levensschetsen (Den Haag 1924); Vuurvlindertje (Amsterdam 1925); De moord in de trein, speurdersroman (Amsterdam 1925).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 26-31; J.F. Ankersmit, 'In memoriam Herman Heijermans' in: De Socialistische Gids, 1924, 1025-9; M. Heijermans-Peers, H. Eerens-Heijermans, Met Herman Heijermans in hemel en put (Amsterdam 1927); F. Hulleman, Heijermans-herinneringen (Laren 1927); A. van der Horst, 30 jaar Op hoop van zegen (Maastricht 1930); F. Mijnssen, Herman Heijermans (Amsterdam 1933); L. Heijermans, 'De ontwikkelingsjaren van den schrijver Herman Heijermans' in De Socialistische Gids 1934, 769-77; G. Karsten, Herman Heijermans, novellist, romancier, dramaturg (Amsterdam 1934); E. de Boer-van Rijk, Ik kijk terug. Episodes uit mijn leven (Amsterdam 1934); B. Hunningher, Toneel en werkelijkheid (Rotterdam 1947) 128-261; B. Groeneveld, Herman Heijermans (Amsterdam 1949); 'Herman Heijermans - Toneelschrijver van het proletariaat' in: De Waarheid, 18.11.1949; J. Lemaire jr., 'Herman Heijermans. De toneelschrijver' in: De Vlam, 19.11.1949; P.J. Meertens, 'Herman Heijermans, de socialist' in: De Vlam, 19.11.1949; S.L. Flaxman, Herman Heijermans and his drama's (Den Haag 1954); G. Borgers e.a., Herman Heijermans. Schrijversprentenboek (Den Haag 1964); J. de Kadt, 'Denkend aan Heijermans' in: Tirade, 1964, 695-715 en in: De deftigheid in het gedrang (Amsterdam 1991) 855-63; G. Bongers, 'Herman Heijermans en Is. Querido' in: Maatstaf, 1964/1965, 476-98, 545-70; A. Heijermans-Jurgens, Herman Heijermans' laatste levensjaren (Amsterdam 1965); C.A. Schilp, Herman Heijermans (Amsterdam 1967); E. de Jong, Herman Heijermans en de vernieuwing van het Europese drama (Groningen 1967); J.J. Meijer, Waar wij ballingen zijn. Essays over joodse letterkundigen in Nederland (Den Haag 1968) 129-49; E. de Jong, Met waarachtige zorg. De toneelschrijver Herman Heijermans (Leiden 1971); G. Fülberth, 'Proletariese partij en burgerlijke literatuur. Diskussies rond Herman Heijermans (Sperber) in de Tweede Internationale' in: Te Elfder Ure, 19e jrg., nr. 5/6, 1972, 204-26; Hermine Heijermans, Mijn vader Herman Heijermans (Amsterdam 1973); M. Schouten, 'Herman Heijermans. De held van de engelenbak' in: Haagse Post, 1.9.1973, 26-33; H. van Neck-Yoder, Dramatizations of social change: Herman Heijermans' plays as compared with selected dramas by Ibsen, Hauptmann and Chekhov (Ann Harbour 1974); T. Luijendijk, 'De politieke denkbeelden van Herman Heijerman' in: VN Bijlage, 24.1.1981; T. Jansen, J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-1940. Dr. E. Boekman en de socialistische gemeentepolitiek (Nijmegen 1983); W.A. Ornée, 'Heijermans, Herman' in: BWN II (Amsterdam 1985) 227-9; H. Goedkoop, 'Herman Heijermans contra "De Nieuwe Tijd". Een koekoeksjong tussen de intellectuelen van de SDAP (1898-1904)' in: Het twaalfde jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam 1991) 105-34; P.-P. de Baar, 'Het Amsterdam van Herman Heijermans' in: Ons Amsterdam, 1996, 160-4; H. Goedkoop, Geluk. Het leven van Herman Heijermans (Amsterdam 1996); E. Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland (Amsterdam 1999); W. Kusters, J. Perry, Versteende wouden. Mijnen en mijnwerkers in woord en beeld (Amsterdam 1999); L. Tibbe, Vier kunstdebatten omstreeks 1900 (Nijmegen 2000); M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam 2001); P. Hagen, Journalisten in Nederland 1850-2000 (Amsterdam 2002).

Portret: 

Herman Heijermans, uit: Schrijvers prentenboek, II (Amsterdam 1964)

Auteur: 
Ger Harmsen, Margreet Schrevel
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 76-85
Laatst gewijzigd: 

25-08-2003