HOEFNAGELS, Harry Joseph Marie

Harry Hoefnagels

maatschappijkritisch socioloog, is geboren te Bleijerheide (gemeente Kerkrade) op 20 juli 1922 en overleden te Nijmegen op 21 september 1990. Hij was de zoon van Adrianus Leonardus Gerardus Hoefnagels, gemeenteontvanger, en Maria Elisabeth Crombach.

Hoefnagels was de oudste zoon in een gezin met vijf broers (een zesde overleed jong) en éen zuster. Na het gymnasium aan het Bernardinuscollege in Heerlen trad hij in 1941 in bij de Sociëteit van Jezus en werd in 1953 tot priester gewijd. Van 1955 tot 1957 studeerde hij sociologie in Leuven en in 1961 promoveerde hij aan de Sorbonne universiteit in Parijs bij de (niet-katholieke) Raymond Aron met een dissertatie over de verhouding tussen de sociologie en de ‘sociale kwestie’. Van 1959 tot 1967 doceerde hij aan het Collegium Berchmanianum, het ‘studiehuis’ van de paters jezuïeten in Nijmegen en van 1967 tot 1969 aan de Katholieke Theologische Hogeschool Amsterdam, waarin de grootseminaries van de bisdommen Haarlem en Rotterdam waren samengebracht met de theologische opleidingen van diverse religieuze ordes, waaronder die van de jezuïeten. Sinds 1963 was hij als docent tevens verbonden aan het Institut catholique de l’Action populaire te Parijs, eveneens een jezuïetencollege. Eind jaren zestig was hij betrokken bij de activiteiten van het retraitehuis Sint-Ignatius in Spaubeek in Zuid-Limburg, waar hij na de opheffing van het Berchmanianum als opleidingsinstituut was gaan wonen. In 1969 werd hij benoemd tot buitengewoon (en deeltijd) hoogleraar in de normatieve maatschappijleer aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (thans Radboud Universiteit). In 1970 verhuisde hij weer naar het Berchmanianum in Nijmegen. Vanaf 1972 was hij ook hoogleraar aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen (een universiteit van de jezuïeten, thans Universiteit Antwerpen). Hoefnagels, een trouw lid van de jezuïetenorde, was nauw verbonden met het internationale netwerk van de orde. Hij vervulde gastdocentschappen aan jezuïetencolleges in Frankrijk, Engeland, de Verenigde Staten en Duitsland. In het laatste land had hij intensief contact met de Jesuiten Hochschule Sankt Georgen te Frankfurt am Main. Daar ontmoette hij de invloedrijke Duitse vormgever van de katholieke sociale leer Oswald von Nell Breuning, die hij als zijn grote leermeester beschouwde. In de zomervakanties deed Hoefnagels pastoraal werk in Duitsland en Frankrijk, onder meer als kapelaan in een parochie van de Parijse banlieue.

Onder sociaal-historici kreeg Hoefnagels bekendheid door zijn boek Een eeuw sociale problematiek (1957), een van de eerste overzichten waarin de geschiedenis van arbeidersbewegingen van verschillende signatuur in Nederland in relatie werd gebracht met de sociale ontwikkeling. Hierin wijdde hij ook enkele bladzijden aan de loonstrijd ‘als symptoom van de sociale kwestie’. Strijd was volgens hem onvermijdelijk in de verhouding tussen werkgevers en werknemers. Door de tegengestelde belangen was het een illusie te veronderstellen dat altijd een vergelijk mogelijk was. De beslissing kon niet anders tot stand komen dan door de inschakeling van machtsmiddelen, zoals een staking. Dit idee was leidraad bij de kritische beoordeling van de loonpolitieke situatie en de houding van de vakbeweging daarin, waarmee hij in de jaren zestig bekendheid zou verwerven. Hoefnagels, die geen ruimte voor een specifieke katholieke sociologie zag, distantieerde zich van de opvatting dat de sociologie het sociale leven zou moeten beoordelen naar de tijdloze maatstaven van het ‘natuurrecht’ en een daarop gebaseerde sociale leer van de kerk. Er waren geen absolute, maar alleen historisch gegroeide normen voor sociale rechtvaardigheid en voor de positie die verschillende sociale groepen in de samenleving innemen. Verandering daarin kon alleen door (sociale, politieke, en ideologische) strijd tot stand komen. Dit standpunt droeg hij vanaf 1959 uit als sociaaleconomisch medewerker van De Linie, een weekblad van de jezuïeten. Daarin behandelde hij ook de loonpolitiek, die toen gericht was op centrale beheersing door de overheid. In een spraakmakend artikel in het vakblad van de Nederlandse sociologen, de Sociologische Gids, uitte hij eind 1961 felle kritiek op de geleide loonpolitiek en de meegaande houding van de vakbonden daarin, die volgens hem ‘verraad plegen aan hun roeping en zich gedragen als gewillige instrumenten van een overheid, die erop uit is de lonen laag te houden’. Tot deze kritische houding was hij gekomen onder invloed van zijn contacten in het Franse christelijke vakverbond Confédération française des travailleurs chrétiens, dat in deze periode een proces van radicalisering en deconfessionalisering doormaakte. Dit leidde er in 1964 toe dat de godsdienstige uitgangspunten uit de statuten werden geschrapt en de naam werd gewijzigd in Confédération française démocratique du travail. Dit vakverbond zou in de Franse beweging van mei 1968 een belangrijke rol spelen door de eis van arbeiderszelfbestuur voorop te stellen.

Hoefnagels’ pleidooi voor een strijdbaarder opstelling in de loonstrijd lokte een storm van reacties uit in de Nederlandse pers, waardoor hij in brede kring bekend raakte als kritisch commentator van vakbondsvraagstukken. Arbeidssocioloog Bram Peper stelde in 1973 dat diens artikel uit 1961 was ‘te beschouwen als een eerste symptoom van een wijzigend sociaal-politiek klimaat in ons land’. Het trok zoveel aandacht en ontlokte zoveel reacties, omdat het verscheen op een moment dat de op centraal overleg gerichte koers van de vakbeweging steeds minder geloofwaardig werd. De restrictieve geleide loonpolitiek kwam in de eerste helft van de jaren zestig onder druk te staan. In deze periode van hoogconjunctuur ontstonden zulke grote tekorten op de arbeidsmarkt dat werkgevers vanzelf meer gingen betalen of onder vakbondsdruk snel bereid waren loonsverhogingen toe te staan. Met zijn kritiek kreeg Hoefnagels al binnen enkele jaren gelijk, zoals de vakbondsbestuurders moesten erkennen. Bij zijn aanstelling als hoogleraar had hij geprobeerd lid te worden van zowel de NVV-ambtenarenbond als van die van het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV), maar dat bleek onmogelijk. Het gaf echter aan dat hij het onderscheid tussen ‘katholieke’ en ‘algemene’ bonden achterhaald vond. Naar aanleiding van zijn kritische beschouwingen legde het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) onder leiding van André Kloos contact met hem en benoemde hem tot lid van het Curatorium van het Wetenschappelijk en Scholingsinstituut van het NVV. Hoefnagels nam deel aan studieconferenties en vormingsbijeenkomsten van het NVV. Eind 1968 discussieerde hij met econoom Cees de Galan over de ‘vakbeweging nu en in de toekomst’. Als buitenstaander werd Hoefnagels lid van een commissie die een statutenwijziging van het NVV moest voorbereiden. In de nieuwe statuten, die op het 25e congres begin oktober 1969 werden vastgesteld, ontbrak de eerdere afwijzing van het geloof als organisatiebeginsel. Volgens Hoefnagels hoefden de statuten ‘bij een eventuele fusie met andere centrales nauwelijks gewijzigd’ te worden. ‘Dit zouden ook de statuten kunnen zijn van één enkele vakbeweging.’ Hij had voor het schrappen van het geloofsartikel gepleit, omdat hij sterke voorstander was van zo´n fusie. Mede op grond van ontwikkelingen in Frankrijk en Duitsland meende hij dat de confessionele vakbeweging gedoemd was te verdwijnen. Deze opvatting droeg hij uit in lezingen en publicaties, onder meer in het NKV-blad Ruim Zicht. Volgens Hoefnagels leverde het katholieke geloof ‘geen maatschappijvisie, die tot een andere opzet van de vak-actie voert dan die van niet-katholieken’. Er was daarom ‘principieel geen noodzaak van een katholieke vakorganisatie’. Hij maakte deel uit van een bredere stroming in het NKV die de confessionele grondslag van het verbond ter discussie stelde. Per 1 januari 1976 leidde dit tot de vorming van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) van NKV en NVV. Tot zijn tegenstanders binnen het NKV hoorde Frans Dohmen van de mijnwerkersbond.

Hoefnagels vond dat de omschrijving van zijn Nijmeegse leeropdracht (normatieve maatschappijleer) geen recht deed aan de inhoud van zijn sociologiebeoefening. Als hoogleraar riep hij vanaf het begin tegenstand op van de empirisch sociologen die het op het Sociologisch Instituut voor het zeggen hadden. Met zijn geëngageerde en reflexieve sociologie beantwoordde hij niet aan hun empirisch-sociologische profiel maar vond hij de opkomende studentenbeweging aan zijn zijde. De beginjaren van zijn hoogleraarschap vielen samen met het hoogtij van de studentenbeweging in Nijmegen. Hij werd er naar eigen zeggen sterk door beïnvloed: ‘De studentenbeweging liet me een aantal fundamentele tekortkomingen van onze maatschappij zien … Dat raakte me. Ik voelde de noodzaak om mijn oude standpunt te corrigeren en stelde me op een maatschappijkritisch standpunt’. Onder invloed van de studentenbeweging begon hij zich te verdiepen in de kritische sociologie van de zogeheten Frankfurter Schule. Dat deed hij in een samen met studenten opgezette reeks colleges naast het reguliere onderwijsprogramma, dus in de vrije tijd van de studenten, die ook diverse publicaties opleverde. Door de toeloop van studenten riep zijn onderwijs irritatie op bij het bestuur. De voorzitter, godsdienstsocioloog Osmund Schreuder, een (wegens huwelijk) uitgetreden franciscaan en een felle tegenstander van Hoefnagels’ sociologische visie, riep hem op het matje. In een functioneringsgesprek werd geëist dat Hoefnagels zich strikt zou houden aan zijn leeropdracht en dat hij zijn extra-curriculaire activiteiten zou staken. In de jaren daarna werd zijn vak steeds meer gemarginaliseerd en liep de belangstelling van studenten terug.

Terugblikkend op zijn wending naar een ‘maatschappijkritisch’ standpunt omstreeks 1970 wees Hoefnagels erop dat de ‘kritische studenten’ onder zijn gehoor hem ertoe hadden aangezet ‘zich steeds meer in Marx te verdiepen’. Hij begon het als ‘een wantoestand’ te zien ‘dat het maatschappelijk kapitaal, dat door de arbeid van de beroepsbevolking voortdurend vernieuwd wordt, in handen blijft van een kleine groep, die ooit in het verleden de eigendomsrechten ervan verworven heeft’. Eén van de aanknopingspunten ‘voor het streven naar de hervorming van de eigendomsorde’ zag Hoefnagels in de bedrijfsbezettingen die in deze jaren ‘een gewoon verschijnsel in het industriële leven’ waren geworden. Al in 1970 had hij voorspeld dat de bezettingen van universiteitsgebouwen door studenten (zoals die van het Amsterdamse Maagdenhuis in 1969) navolging zouden vinden in de industrie. In 1972 volgde de legendarische bezetting van de ENKA-fabriek in Breda en daarna die van tal van andere bedrijven. In de praktijk was bedrijfsbezetting echter vooral een actiemiddel om bedrijfssluiting te voorkomen en werkgelegenheid te behouden. Een wijziging in de eigendomsverhoudingen werd nergens nagestreefd. In 1972 vond hij zijn veelbesproken artikel uit 1961 niet meer maatschappijkritisch genoeg: ‘Het was nog niet maatschappijkritisch in eigenlijke zin; de kritiek bleef binnen het kader van de bestaande maatschappelijke orde’. De derde druk van zijn veelgebruikte Een eeuw sociale problematiek voorzag hij in 1974 van een nieuw voorwoord. Anders dan in het boek werd verondersteld was het volgens hem ‘niet meer mogelijk … zonder meer te vertrouwen dat ook zonder principiële aantasting van het kapitalistische karakter van onze maatschappij, goede sociale verhoudingen verwerkelijkt zullen worden’. 

In de jaren zeventig raakte Hoefnagels in de ban van het idee van ‘de grenzen aan de groei’, zoals uitgedragen in het rapport van de Club van Rome met dezelfde titel uit 1972. Het rapport leidde tot ‘een omslag in mijn denken’. Hij verbond de problematiek van de grenzen aan de groei vanaf 1972 met andere maatschappelijke problemen zoals ‘het ontwikkelingsvraagstuk, het werkgelegenheidsvraagstuk, en het onleefbaar worden van de samenleving’. Hij zag de menselijke toekomst daardoor ‘bedreigd’. Om die dreiging het hoofd te bieden was een andere maatschappijvorm nodig, ‘een maatschappij waarin de mens verantwoordelijkheid voor het geheel wil dragen’. Volgens Hoefnagels beleefden wij ‘het definitieve einde van het tijdvak van permanente groei’. De welvaartsgroei, waaraan de samenleving in de jaren vijftig en zestig gewend was geraakt, zou daardoor minder vanzelfsprekend worden. Om de door de nulgroei te verwachten maatschappelijke problemen, zoals werkloosheid en een scheve inkomensverdeling, op te lossen, was ‘een ommekeer’ nodig, ‘die een heroriëntering in allerlei gebieden van ons maatschappelijk leven impliceert en die tot de grondslagen ervan reikt’. Daartoe verdiepte hij zich in het milieuvraagstuk. 

In aansluiting op zijn zorgen over de menselijke toekomst en het maatschappelijke onvermogen om die het hoofd te bieden, begon Hoefnagels in de jaren tachtig vragen te stellen over de rol van de wetenschap daarin. In 1982 was hij een van de drijvende krachten achter een manifest van vertegenwoordigers van verschillende faculteiten van de Nijmeegse universiteit dat de zorg over de rol van de wetenschap onder woorden bracht. Het manifest riep op tot bezinning en deed een beroep op alle leden van de universitaire gemeenschap om in hun onderwijs- en onderzoeksactiviteiten ‘inhoud te geven aan de verantwoordelijkheid van wetenschapsbeoefenaren voor de toekomst van de mensheid’. Op een bijeenkomst op 18 maart 1982 besloten honderd aanwezigen een vereniging op te richten onder de naam Wetenschap en Toekomst. Hoefnagels werd voorzitter. Hij meende dat er ‘een fundamentele heroriëntering’ en ‘een van de gangbare afwijkende werkwijze’ in de wetenschap noodzakelijk waren, maar de activiteiten van de vereniging beperkten zich tot lezingenreeksen, discussiebijeenkomsten en academische leergangen voor studenten. Op 1 december 1984 trad hij af als voorzitter, teleurgesteld naar later bleek. Bij zijn afscheid als hoogleraar in 1987 noemde hij Wetenschap en Toekomst ‘een faliekante mislukking: de beoogde discussie onder wetenschappers kwam niet van de grond’.
Hoefnagels’ progressieve maatschappijopvattingen staan in merkwaardig contrast met zijn behoudende visie op de ontwikkelingen in de katholieke kerk in dezelfde periode. In het kerkelijke vernieuwingsproces wilde hij de band met Rome koste wat kost behouden en op basis van dat uitgangspunt was hij mede-initiatiefnemer van de in december 1969 opgerichte Aktiegroep Wereldkerk. De groep had bezwaar tegen ‘de ongecontroleerde vernieuwing, tegen de pressie van de vernieuwers, tegen overdreven meningen, tegen het loslaten van de band met de wereldkerk … en ook tegen het pastoraal concilie, waar de stem van positieve vernieuwers te weinig aan bod komt’. In die tijd speelde de kwestie van het celibaat hoog op door het optreden van de Amsterdamse studentenpastores (overigens eveneens jezuïeten) van wie Huub Oosterhuis de bekendste was. Hoefnagels en de Aktiegroep Wereldkerk keerden zich tegen het aanblijven van Oosterhuis als gehuwd pastor en eisten maatregelen van de bisschoppen, die prompt alle banden met de Amsterdamse studentenekklesia verbraken. Ook bij de benoeming van de conservatieve Ad Simonis (zelf actief lid van Wereldkerk) tot bisschop van Rotterdam speelde de Aktiegroep een rol. 

Bij zijn afscheid als hoogleraar in 1987 noemde Hoefnagels zichzelf een ‘randfiguur’. Anderen noemden hem een ‘roepende in de woestijn’. In het maatschappelijk klimaat van de jaren tachtig kan dat zo zijn geweest, maar deze typeringen doen geen recht aan de weerklank die hij in zijn loopbaan als geheel had ondervonden. Hij oefende wel degelijk invloed uit, zij het hoofdzakelijk indirect. Hij deed dat door mensen en instituties zoals de vakbeweging, de kerk en de universiteit een kritische spiegel voor te houden en door steeds vraagtekens te zetten bij gevestigde opvattingen, praktijken en patronen. Vanaf het begin van zijn werkzame leven streefde hij bewust naar een rol in de samenleving. Hij deed dat met interventies in debatten en praktijken op tal van terreinen. Die leverden tegenspraak op, soms ook openlijke tegenstand, maar in veel gevallen kreeg hij op langere termijn gelijk. Veel van zijn inzichten hadden voorspellende waarde, wat mogelijk was omdat hij als socioloog op basis van sociale analyses tendensen blootlegde. Zijn interventies kwamen tot stand in specifieke maatschappelijke omstandigheden en waren in die zin gebonden aan de tijd waarin hij ze plaatste. Historisch hadden zij hun werking, maar sommige hebben in aangepaste vorm ook actualiteitswaarde. Het kernstuk van zijn maatschappelijk bekommernis, de ‘grenzen aan de groei’, is inmiddels geherformuleerd in pleidooien voor een ‘alternatieve’, ‘selectieve’ of ‘duurzame’ groei, maar het probleem van de ‘aantasting van de biosfeer’, de ‘roofbouw op de natuur’ en de ‘milieuvergiftiging’, zoals het in het mede door hem geschreven manifest ‘Wetenschap en de bedreigde menselijke toekomst’ uit 1982 heet, is alleen maar urgenter geworden. 
 

Archief: 

Radboud Universiteit Nijmegen, Universiteitsarchief, dossier oud hgl 0783, doos hgl 0136, en Archief Faculteit der Sociale Wetenschappen 1964-1975, dossiernummer 07.515-710; Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen, Archief Aktiegroep Wereldkerk, archiefnr. 137.

Publicaties: 

Voor een overzicht van zijn publicaties zie P. Bruinsma e.a. (red.), Sociologie als engagement. In dialoog met Harry Hoefnagels (Zeist 1987) 272-281; De kern van de sociale kwestie nu’ in: Katholiek Cultureel Tijdschrift Streven, 5/2, 1952, 209-218; Een eeuw sociale problematiek. Van sociaal conflict naar strategische samenwerking (Assen 1957, herdrukt in 1966, 1974 en in 1977 met een nieuwe ondertitel De Nederlandse sociale ontwikkeling van 1850-1940); ‘Nederland een sociaal paradijs? Poging tot een sociologisch verantwoorde beoordeling onzer sociale verhoudingen’ in: Sociologische Gids 8 (1961) 274-289; La sociologie face aux ‘problèmes sociaux’. Préface de Raymond Aron (Brugge 1962; Textes et études philosophiques); Sociologische kanttekeningen bij aktuele sociaal-politieke vragen (Meppel 1962); 'Vakbeweging en loonpolitiek’ in: Sociaal Maandblad Arbeid, 18, 1963, 807-818; De problemen van het menselijk samenleven. Inleiding tot het sociologische denken (Roermond 1964; vertaald in het Duits als Soziologie des Sozialen. Einführung in das soziologische Denken, Essen 1966); Kirche in veränderter Welt. Religionssoziologische Gedanken (Essen 1964; vertaald als De kerk in een veranderende wereld: godsdienstsociologische perspectieven, Brugge 1967); ‘De koerswijziging der christelijke vakbeweging in Frankrijk’ in: Streven. Maandblad voor geestesleven en cultuur, 18, 1964-1965, 979-987; ‘Sociologie van de vakvereniging. Kritische opmerkingen bij G. Kuiper’s overzicht van het sociologisch onderzoek der vakorganisaties’ in: Mens en Maatschappij, 41, 1966; 195-198; Kritische sociologie. Inleiding tot het sociologisch denken der ‘Frankfurter Schule’ (Alphen aan de Rijn 1973); De toekomst staat op het spel. Beschouwingen over het problematische karakter van de huidige maatschappij (Antwerpen 1975); Mijn, dijn en samsam. Opstellen over eigendomsorde, inkomensverdeling en werkgelegenheid (Nijmegen 1976); Vooruitgang zonder groei? Over de noodzaak van een alternatieve toekomst (Alphen aan de Rijn 1979; gelijktijdig verschenen in het Duits onder de titel Die neue Solidarität. Ausweg aus der Wachstumskrise, München 1979); Wat heet sociaal. Sociologie kan ook anders (Baarn 1983); Sociologie en onze de natuur niet ontziende civilisatie (Nijmegen 1987, afscheidscollege); Wat is maatschappelijk geëngageerde sociologie wetenschappelijk waard? (Antwerpen 1987, afscheidscollege); Wetenschap en de bedreigde menselijke toekomst. Een onorthodoxe inleiding in de wetenschapsleer (Baarn 1989).

Literatuur: 

Het Parool, 9.2.1962 (interview); W. Langeveld, ‘Onvrede met de arbeidsvrede. Pater Hoefnagels gooit de knuppel in het hoenderhok’ in: Economisch-Statistische Berichten, 47, 1962, 168-169; B. Peper, De Nederlandse arbeidsverhoudingen: continuïteit en verandering (Rotterdam 1973); G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging (Nijmegen 1975) 373-375; Haagse Post, 26.4.1975 (interview); J.P. Windmuller en C. de Galan, Arbeidsverhoudingen in Nederland (Utrecht 1977, tweede druk); G. Harmsen, J. Perry, F. van Gelder, Mensenwerk. Industriële vakbonden op weg naar eenheid (Baarn 1980); E.M. Struyker Boudier, Wijsgerig leven in Nederland, België en Luxemburg 1880-1980. Deel 1: De Jezuïeten (Nijmegen 1985) 209-212; P. Bruinsma e.a. (red.), Sociologie als engagement. In dialoog met Harry Hoefnagels (Zeist 1987); G. en S. Termeer, ‘“Ik ben een randfiguur gebleven”. Interview met kritisch socioloog Harry Hoefnagels’ in: Wetenschap en Samenleving. Tijdschrift voor Progressieve Wetenschap 8 (1987) 23-27; B. Reinalda, ‘Bij het overlijden van de arbeids- en milieusocioloog Harry Hoefnagels (1922-1990)’ in: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, nr. 24, december 1991, 52-55; J. Peet met medewerking van P. Mertens, in: J. Roes (red.), Katholieke arbeidersbeweging. De KAB en het NKV in de maatschappelijke ontwikkeling van Nederland na 1945 (Baarn 1993); O. Schreuder, Argonauten aan de Waal. Sociologen en het gulden vlies (Nijmegen 2003); A. Knotter, ‘Naïviteit en profetie. De socioloog Harry Hoefnagels SJ (1922-1990): een kritische Limburger met voorspellende gaven’ in: Studies over de sociaaleconomische geschiedenis van Limburg/Jaarboek van het Sociaal Historisch Centrum voor Limburg (Maastricht 2019). 

Auteur: 
Ad Knotter
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online, 2019