HOEVEN, Willem van der

Willem van der Hoeven

medeoprichter Nijmeegsche Bestuurdersbond en secretaris Nederlandsche Sigarenmakers- en Tabaksbewerkersbond, is geboren te Nijmegen op 9 november 1879 en overleden te Amsterdam op 6 januari 1956. Hij was de zoon van Jan Willem van der Hoeven, winkelbediende, later sigarenmaker, en Johanna van den Berg. Op 2 februari 1900 trad hij in het huwelijk met Maria Christina Arnolda Vos, met wie hij vier dochters en twee zoons kreeg.

Van der Hoeven werd net als zijn vader sigarenmaker. Op zijn negende ging hij bij een thuiswerker binnengoed strippen en op zijn twaalfde kwam hij in de fabriek. Door toedoen van een medearbeider sloot hij zich in februari 1898 aan bij de Nederlandsche Sigarenmakers- en Tabaksbewerkersbond en deed op de plaatselijke vergaderingen al snel zijn mond open. De socialistische onderwijzer H.J. Hegeraat hielp hem met zijn algemene ontwikkeling en talenkennis en beïnvloedde, naar men mag aannemen, de politieke opvattingen van Van der Hoeven, die van huis uit Nederlands hervormd was maar met een rooms-katholieke vrouw trouwde. Van der Hoeven volgde avondcursussen en zat tot laat in de avond over zijn boeken gebogen. Eind 1900 werd hij lid van een door de timmerliedenvereniging ingestelde commissie die de omvang van de werkloosheid en de materiële positie van de werklozen in Nijmegen onder de loep nam. Hoewel er niet veel succes werd behaald, sprak Van der Hoeven over nuttig werk: 'men leerde de toestand overzien'. In 1901 werd hij secretaris van de afdeling van zijn bond, in welke hoedanigheid hij een rol speelde in de zich uitkristalliserende Nijmeegse sociale en links-politieke verhoudingen. Hij zag weinig in de strategie en tactiek van het Plaatselijk Arbeids Secretariaat ('een "fabriek" van grote woorden') en was in maart 1906 een van de initiatiefnemers tot oprichting van de Nijmeegsche Bestuurdersbond (NBB). Van dit voorlopig nog kleine samenwerkingsverband van vakorganisaties en SDAP werd hij voorzitter. Zijn eerste openbare optreden vond plaats in 1909, toen de NBB bij de gemeenteraad gehoor probeerde te vinden voor de nieuwe Wet op het Arbeidscontract. Op een drukbezochte openbare vergadering moest Van der Hoeven na NVV-secretaris J. van den Tempel spreken. Hij kreeg last van plankenkoorts en 'vergat om zijn pet af te zetten en na vijf minuten kon hij uit zijn knipsels en aantekeningen geen weg meer vinden. Met een robuust gebaar schoof hij alles van zich af, en toen ging het goed.' Bij moeilijkheden binnen de NBB bleek Van der Hoeven volgens een medebestuurder te beschikken over een 'nuchter hoofd'. Van der Hoeven, die vanwege zijn schriele gestalte door zijn vrienden 'de hèrring' genoemd werd, wist volgens P.F. Maas bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1911 en 1913 een opmerkelijk hoog aantal stemmen te behalen. In 1913 - het jaar van de grote landelijke sigarenmakersstaking waarbij ook Van der Hoeven werd 'uitgesloten' - kwam hij zelfs dicht bij een raadszetel voor de SDAP. Van der Hoeven was ook landelijk actief. Als afgevaardigde op de congressen van zijn bond voerde hij het woord en viel hij op door zijn rustige en preciese betoogtrant en heldere formuleringen. Zijn kritiek in 1908 op de vakactie en loonstrijd van de bond was dat deze te onsamenhangend waren en geen perspectief boden op een 'welomschreven doel'. Van bestuurder en redacteur F. Bommer kreeg hij voor zijn pleidooi ten gunste van meer gecentraliseerde actie een pluimpje, maar hij kreeg ook te horen dat 'tot uitvoering daarvan nog lang niet kon worden overgegaan omdat er nog zoo veel, oneindig veel meer is te doen'. In 1910 werd Van der Hoeven secretaris van een commissie die de financiële verhouding tussen afdelingen en bond moest herzien. Deze wist ondanks veel weerstand uiteindelijk een gecentraliseerde bondskas door te voeren. In 1911 vroeg het NVV Van der Hoeven zitting te nemen in de commissie tot hervorming en unificatie van de plaatselijke bestuurdersbonden. In 1912 dong Van der Hoeven mee naar de functie van gesalarieerd bestuurder bij zijn bond en eindigde op de vierde plaats. Toen in maart 1915 door vertrek twee nieuwe bezoldigden moesten worden aangetrokken, kreeg hij veruit de meeste stemmen. Op 15 april trad hij in dienst van de sigarenmakersbond en verhuisde hij met zijn gezin naar Amsterdam. De Nijmeegse arbeidersbeweging verloor daarmee een van de weinige autochtonen die een vooraanstaande plaats in de beweging bekleedden, bovendien een van de weinigen met leiderskwaliteiten.

Dat Van der Hoeven in De Sigarenmaker was gaan publiceren (voor het eerst in 1905) dankte hij aan Bommer, die verscheidene bondsleden aanspoorde te gaan schrijven. Van der Hoeven leerde in dit opzicht veel van Bommer. 'Hij was als journalist niet gemakkelijk en stelde hooge eischen. De "uitschotjes" die ik vroeger wel eens van hem kreeg, hebben wel dit resultaat gehad dat ik nu met eenige gerustheid dit werk durfde aanvaarden', schreef hij in 1915, toen hij een gezamenlijke redactie voor het bondsblad vormde met Bommer en H.J.J. Eichelsheim (met wie hij ook persoonlijk veel optrok). De samenwerking verliep zo vlot dat zij van afzonderlijke ondertekening van hun artikelen afzagen. Van der Hoeven echter verrichtte het leeuwedeel van dit werk en in de bond sprak het in 1930 vanzelf dat hij, toen de beide anderen met pensioen gingen, alleen redacteur bleef. Van meet af aan schreef hij artikelen over de economische ontwikkeling van de sigarenindustrie en de daar heersende sociale omstandigheden. Over de sigarenindustrie schreef hij ook in De Vakbeweging, al gingen zijn eerste stukjes in dat blad in 1917 over de rooms-katholieke vakbeweging. Zijn opmerkelijkste bijdrage in het kader van de economische ontwikkeling betrof de mechanisatie van het sigarenvak. Hoewel al vroeg geëxperimenteerd werd met het mechaniseren van de sigarenindustrie, duurde het tot de jaren twintig voordat machines in landen als Zweden en de Verenigde Staten rendabel werden. Vakbondsbestuurders ondernamen in 1927 een studiereis naar Zweden en kwamen tot de conclusie dat de techniek dit maal niet veel goeds beloofde voor de werkgelegenheid van de sigarenmakers. Van der Hoeven bleef van mening dat invoering van machines uiteindelijk niet tegen te houden of terug te draaien was, maar verwierp nu de aanvankelijk door de bond gehuldigde compensatietheorie. Deze hield in dat de werkgelegenheid zich na invoering van de machines zou herstellen, mogelijk zelfs uitbreiden door toename van de consumptie. Van der Hoeven berekende echter dat de mechanisatie, zelfs bij een toename van de consumptie met twintig procent, toch nog een kwart van de werklieden overbodig zou maken. Hij hoorde nu tot de 'pessimisten', tegenover 'optimisten' als Th. van der Waerden, die Van der Hoeven in 1931 in De Socialistische Gids op de specifieke ontwikkelingen en opvattingen in de sigarenindustrie geattendeerd had. De socialistische en confessionele bonden besloten tot een actie om de mechanisatie van het sigarenvak te beperken. In 1933 wendden zij zich met een 'program van sanering' tot de patroonsbonden. Hoewel vooral de katholieke patroons onder leiding van K.L.H. van der Putt, tevens lid van de Tweede Kamer, aanvankelijk veel voor een wettelijke beperking voelden, lieten zij het afweten toen de regering begin 1936 een wetsontwerp indiende. Van der Hoeven meende dat zij 'schrokken van hun "eigen moed" en prees SDAP-Kamerlid Van der Waerden, van wie de meeste medewerking werd verkregen, ondanks diens bezwaren tegen een dergelijke wet. Van der Hoeven, die Van der Waerden op dit punt in 1935 in De Socialistische Gids nog had bestreden, noemde hem de best gewapende van de tegenstanders van de strijd tegen mechanisatie in de sigarenindustrie, en schreef later: 'Dr. Van der Waerden gaf zich, precies zoals hij er over dacht. Toen wij eens critisch schreven over zijn theorie was zijn antwoord: "Theorie is samengevoegde praktijk!" Door middel van amendementen probeerde Van der Waerden het wetsontwerp ten gunste van de bonden om te buigen maar ondervond hier de tegenwerking van de confessionelen. Bovendien zorgde hij ervoor dat de Bedrijfsraad werd gehoord, iets waar de anders zo voor Bedrijfsraden geporteerde confessionelen niet aan hadden gedacht. In de actie voor deze wet, die tot een voor een liberaal gericht kabinet opmerkelijke ingreep in het mechanisatieproces in een bepaalde bedrijfstak leidde (de wet trad eind 1936 in werking), had Van der Hoeven naar eigen zeggen 'een zeer werkzaam aandeel'.

In zijn bond gold Van der Hoeven als een harde werker, die stad en land afreisde voor bondsaangelegenheden en acties, die over goede contacten met politici in 'Den Haag' beschikte en ook in het internationaal verbond van tabaksbewerkers actief was. Nadat Eichelsheim in 1931 als secretaris van dit verbond was afgetreden ging het secretariaat over naar Duitsland. Op instigatie van Van der Hoeven, die in de jaren dertig bestuurslid van dit internationale beroepssecretariaat was, keerde het secretariaat vanwege de dreigende gevaren in Duitsland in 1932 naar Nederland terug. 'Hierdoor werd een deel van het vermogen en het archief tenminste gered.' Ook binnen het NVV stond Van der Hoeven goed aangeschreven. Wie hem in de latere jaren op hoofdbesturenvergaderingen van het NVV hoorde spreken, aldus Vooruit, 'begreep al spoedig waardoor hij dáár zulk een gezaghebbend woord had: rustig, doordacht, en steeds: heel precies. En onwrikbaar.' Na zijn pensionering in 1939 bleef Van der Hoeven, die bij het vijftigjarig bestaan van de bond in 1937 de geschiedenis van het werken en streven van de sigarenmakers- en tabaksbewerkersbond in een gedenkboek had vastgelegd, de pen in het bondsblad voeren. Hij schreef allerlei afleveringen over onder meer de technische ontwikkeling in de sigarenindustrie, de sociale verhoudingen en de ontwikkeling van het vak in Denemarken. Ook was hij nog jarenlang medewerker van het in Culemborg uitgegeven industrieblad De Tabaksplant. Na de oorlog bleek Van der Hoeven nog bereid zijn - pas in 1983 gepubliceerde - herinneringen aan zijn Nijmeegse jaren op papier te zetten terwille van het vijftigjarig bestaan van de NBB. Bij het schrijven in 1954 ondervond hij echter de gevolgen van zijn gevorderde leeftijd: 'Het coördineren gaat mij niet zo best meer af.' Hij overleed begin 1956 na een korte ziekte.

Archief: 

Twee schriftjes met herinneringen aan zijn Nijmeegse periode in Vakbondshistorisch Archief Nijmegen en omstreken (Nijmegen).

Publicaties: 

Artikelen in De Sigarenmaker en De Tabaksplant; 'De wachtgeldregeling in de Sigarenindustrie' in: De Vakbeweging, 27.12.1918, 218-219 en 10.1.1919, 2-3; 'Een bekentenis' in: De Vakbeweging, 2.5.1919, 66-67; 'Aan het verkeerde adres' in: De Vakbeweging, 1923, 122-126; 'De toestand in de Sigarenindustrie' in: De Vakbeweging, 1925, 447-454; 'Duidelijk maar ook ietwat gevaarlijk' in: De Vakbeweging, 1926, 41-42 (tegen H. Lindeman); 'De Bijbel en de Medezeggenschap' in: De Vakbeweging, 1926, 206-210; 'Het kapitalisme en de Sumatra-tabak' in: De Vakbeweging, 1926, 403-406; Een woord tot de roomsch-katholieke arbeiders (Amsterdam 1927); 'N.V.V. en S.D.A.P.' in: De Vakbeweging, 1928, 120-125 (met naschrift E. Kupers); 'Iets over Rationalisatie in de Sigaren- en Tabaksindustrie' in: De Vakbeweging, 1929, 542-548; 'De Sigarenindustrie in Indonesië' in:De Vakbeweging, 1930, 76-79; 'Een verzoek om opheldering' in: De Vakbeweging, 1930, 182 (met antwoord S. Mok); 'Dr. Th. van der Waerden en "ons rapport"!' in: De Socialistische Gids, 1931, 740-743 (met antwoord Van der Waerden, 743-744); 'H.J.J. Eichelsheim overleden' in: De Socialistische Gids, 1933, 409-412; 'Bedrijfsvorming in de Sigarenindustrie' in: De Vakbeweging, 1934, 262-266; 'Het mechanisatie-vraagstuk in de sigarenindustrie' in: De Socialistische Gids, 1935, 69-75; (met C.W. Jacobsen, F.J. Jurgens, Is. Voet) 'Onderlinge verhoudingen tussen de bedrijfsverenigingen' in: De Vakbeweging, 30.9.1937 (antwoord aan F. Rippen); De Nederlandse Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond opgericht op 26 december 1887 (z.pl. 1937); 'Bij het einde van mijn loopbaan' in: De Sigarenmaker, 18.11.1939, 2; 'Het NVV in Nijmegen tussen 1906 en 1919. Herinneringen en naspeuringen, in 1954 op schrift gesteld door de oud-voorzitter van de Nijmeegse Bestuurdersbond' in: B. Reinalda (red.), De vroege jaren van de nijmeegse vakbeweging (Nijmegen 1983) 73-94.

Literatuur: 

Th. Beerends, 'W. van der Hoeven' in: De Sigarenmaker, 4.11.1939, 1; 'W. v.d. Hoeven "rustend burger" in: Vooruit, 9.11.1939; Th. Beerends, 'In memoriam W. van der Hoeven' in: De Vakbeweging, 24.1.1956, 43; 'In memoriam W. van der Hoeven' in: De Bedrijfsgemeenschap, 1956, februari, I; P.F. Maas, Sociaal-Democratische Gemeentepolitiek in Katholiek Nijmegen 1894-1927(Nijmegen 1974); B. Reinalda (red.), De vroege jaren van de nijmeegse vakbeweging (Nijmegen 1983); K.E. Sluyterman, Ondernemen in sigaren (Tilburg 1983).

Portret: 

W. van der Hoeven (1927), IISG

Auteur: 
Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 91-95
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995