HOITSEMA, Maria Wilhelmina Hendrika

Maria Wilhelmina Hendrika (Rutgers-) Hoitsema

(bekend als Mevr. Dr. J. Rutgers-M.W.H. Hoitsema; roepnaam: Mietje), feministe die het van de in de vrouwenbeweging actieve vrouwen het langst (tot 1905) volhield in de SDAP, is geboren te Britsum (Fr.) op 10 juli 1847 en overleden te Rijswijk op 26 oktober 1934. Zij was de dochter van Synco Hoitsema, predikant, en Rika van Bolhuis. Op 3 augustus 1885 trad zij in het huwelijk met Johannes Rutgers, arts. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniem: Amalasuntha.

Hoitsema behaalde in 1865 haar onderwijzersakte en werd na enkele betrekkingen hoofd van de Openbare Meisjesschool voor Uitgebreid Lager Onderwijs in Rotterdam in 1873. Zij gaf deze functie op in 1885, toen zij met de een jaar eerder weduwnaar geworden dr. J. Rutgers huwde en zich wijdde aan de opvoeding van haar drie stiefkinderen. Zij werd langzaamaan sociaal geëngageerd, in de eerste plaats in feministische richting. Zij was in 1894 medeoprichtster van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, de eerste van een lange rij commissies, besturen en verenigingen waarin zij actief was. In Rotterdam werd zij presidente van de eerste afdeling van deze vrouwenvereniging. In 1895 richtte zij de Rotterdamsche Buurtvereeniging op ter ontwikkeling van vrouwen en kinderen en gezinnen uit de arbeidersklasse. Deze vereniging ging later op in de uit het Toynbeewerk voortgekomen vereniging Ons Huis. Voor de eveneens in 1895 door haar in Rotterdam opgerichte Vereeniging ter behartiging van de belangen der Vrouw organiseerde zij in 1898 enige geruchtmakende lezingen over de intellectuele capaciteiten van de vrouw. Hector Treub verdedigde de geschiktheid van vrouwen voor universitaire studies. De Utrechtse psychiater C. Winkler bestreed dit. Na dit debat werd de intellectuele inferioriteit van vrouwen niet meer in serieuze discussies verdedigd. In 1898 kwam naar Frans voorbeeld (de Maternité mutuelle) de Vereeniging Onderlinge Vrouwenbescherming tot stand, een poging hulp aan ongehuwde moeders te organiseren op basis van de erkenning van een recht op moederschap. In 1895 had Hoitsema onder pseudoniem in het Sociaal Weekblad voor deze vorm van hulp gepleit met als uitgangspunt dat vrouwen zich persoonlijk in zouden zetten om verleide en bedrogen zusters te helpen. Dat de oprichting zo lang op zich liet wachten, kwam door verschil van mening over de grondslag van de vereniging, die ook in Amsterdam was voorbereid. Annette Versluys-Poelman ging ervan uit dat de hulp die geboden werd van een niet-moraliserend karakter moest zijn, terwijl Hoitsema een onderscheid wenste te maken tussen 'ontuchtige en zedelooze' vrouwen en 'verleiden'. Alleen de laatsten moesten volgens haar zonder veroordelende houding ondersteund worden.

In 1898 nam Hoitsema actief deel aan de bijeenkomsten rond de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, waarna zij bij de oprichting van de Nationale Vrouwenraad in hetzelfde jaar vice-presidente werd van deze federatie van vrouwenorganisaties. Zij speelde ook een rol in de internationale organisaties en bezocht buitenlandse congressen. In 1899 nam zij deel aan de oprichting van de School voor Maatschappelijk Werk in Amsterdam. Van 1899 tot 1912 was zij presidente van de Nieuw- Malthusiaansche Bond. Het controversiële karakter van de propaganda voor anticonceptie verhinderde niet dat zij een centrale plaats in de feministische activiteiten bleef innemen. Eind jaren negentig werd zij lid van de SDAP. Hierin speelde zij een rol in het debat over de wettelijke regeling van vrouwenarbeid, waarvoor zij in 1901 ook het Nationaal Comité inzake Wettelijke Regeling van Vrouwenarbeid oprichtte. Zij verdedigde op het congres van de SDAP in 1902 namens een minderheid uit de afdeling Rotterdam de mening dat aparte bescherming van vrouwenarbeid ongewenst was, omdat de economische bewegingsvrijheid van vrouwen er door beperkt zou worden. Voor haar ideeën over de dubbele uitbuiting van de vrouw kreeg zij in de SDAP geen steun. Henriette Roland Holst zag in haar betoog een 'feministisch duiveltje' en zonder moeite stelde de meerderheid van het congres vast dat aparte bescherming van vrouwenarbeid zinvol was. Na het congres kwam het tot een polemiek tussen beide vrouwen. Hoitsema legde haar visie vast in de brochure Arbeidswetgeving en bizondere bescherming van vrouwenarbeid (Rotterdam 1904), waarop Roland Holst antwoordde met De vrouw, de arbeidswetgeving en de sociaal-demokratie (Amsterdam 1903; eerst in De Nieuwe Tijd, 1903, 629-646 en 729-738). Hoitsema schreef hierop Nog eens: Arbeidswetgeving en bizondere bescherming van vrouwenarbeid. Antwoord aan Mevrouw Henriëtte Roland Holst (Rotterdam 1904).

In 1905 stapte Hoitsema uit de partij naar aanleiding van het standpunt van Troelstra dat de opheffing van de klassenverschillen urgenter was dan die van de sekseverschillen en van de bemoeienis van het partijbestuur in de kiesrechtstrijd om het vrouwenkiesrecht naar de achtergrond te schuiven. Op het internationaal congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht in Stockholm nam Hoitsema het initiatief tot oprichting van de Internationale Correspondentie. Van dit orgaan, dat zich richtte tegen arbeidsbescherming naar sekse, was zij internationaal secretaris. In 1913 belandde zij na een val langdurig in het ziekenhuis en na een auto-ongeluk in 1918 trok zij zich langzamerhand uit het openbare leven terug. Hoitsema, die anti-militariste was, liep vlak voor haar dood op 86-jarige leeftijd evenwel nog in de Vrouwen-Vredesgang mee.

Archief: 

Archief M.W.H. Rutgers Hoitsema in het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (Amsterdam). Een korte autobiografische schets bevindt zich in het archief Nieuw-Malthusiaanse Bond in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 148).

Publicaties: 

Behalve de genoemde 'Sexueele verhoudingen in onze moderne maatschappij' in: Sociaal Weekblad, 17.8.1895, 266-268 (onder pseudoniem Amalasuntha); Wetsartikelen, waaruit blijkt dat de vrouw reden heeft over achterstelling te klagen en op herziening daarvan aan te dringen (1895; 191619); Geschiedenis van de Rotterdamsche Buurtvereeniging (Rotterdam 1898); De prostitutie te Rotterdam en de strijd tegen de reglementering in de gemeenteraad (Rotterdam 1900); Het prostitutievraagstuk (Rotterdam 1902); Modedwaasheden (Amsterdam 1905); Bescherming van vrouwenarbeid, of algemene arbeidsbescherming (Den Haag 1910); 'De vrijzinnige concentratie en de vrouwenbeweging op 25 november 1916' in: Vragen des Tijds, januari 1917; 'De Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht' in: De vrouw, de vrouwenbeweging en het vrouwen-vraagstuk II (Amsterdam 1918) 163-180.

Literatuur: 

W.H. Posthumus-van der Goot, A. de Waal (red.), Van moeder op dochter (Utrecht 1968); J. Outshoorn, Vrouwenemancipatie en socialisme (Nijmegen 1973) 32-34; M. Everard, 'Vier feministen en het Nederlandsch Wetenschappelijk humanitair Komitee' in: Socialisties-Feministiese Teksten, nr. 8, 1984, 149-175; M. van Wezel, Prat op het werk harer handen (Nijmegen 1984) 45-48; H.Q. Röling, 'De tragedie van het geslachtsleven' (Amsterdam 1987); M. Braun, De prijs van liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1992); Ch. Smit, Maria W. Rutgers-van Hoitsema (1847-1934). Een vrijgevochten vrouw in de eerste feministische golf (doctoraalscriptie Politicologie Universiteit van Amsterdam 1995); P. de Vries, Kuisheid voor mannen, vrijheid voor vrouwen. De reglementering en bestrijding van prostitutie in Nederland, 1850-1911 (Hilversum 1997); M. Grever, B. Waaldijk, Feministische Openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998).

Portret: 

M.W.H. Hoitsema, IISG

Auteur: 
H.Q. Röling
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 61-64
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003