HOOGCARSPEL, Jan

Jan Hoogcarspel

Rotterdams voorman van de Sociaal-Democratische Partij en de Communistische Partij in Nederland, is geboren te Amsterdam op 6 april 1888 en overleden te Rotterdam op 20 november 1975. Hij was de zoon van Jacob Hoogcarspel, tabakswinkelier, en Johanna Catherina de Vries. Op 24 januari 1924 trad hij in het huwelijk met Johanna Broeder, met wie hij twee dochters en twee zoons kreeg.

Hoogcarspel kon de HBS te Utrecht en Haarlem bezoeken. Zijn vader had een sigarenwinkel in wijk C te Utrecht. Na zijn eindexamen werd de zoon eerst bankbediende, maar in 1906 kreeg hij een aanstelling bij de spoorwegen te Utrecht als surnumerair om vervolgens op te klimmen tot klerk. Hij sloot zich aan bij de SDAP en colporteerde met het marxistische weekblad De Tribune. Hoogcarspel maakte het buitengewoon congres te Deventer mee, waar de Tribune-redacteuren in 1909 geroyeerd werden. Hij werd lid van de Sociaal-Democratische Partij (SDP), die te Utrecht een kleine afdeling had, waarvan hij voorzitter werd. Blijkbaar op raad van H. Gorters vriend J. Stibbe, een leraar staatswetenschappen, is hij zich in de wetenschap der economie gaan verdiepen en las hij Das Kapital van K. Marx geheel. In 1912 behaalde hij de middelbare akte staathuishoudkunde en in 1914 die voor staatsinrichting. Volgens A. Romein-Verschoor was hij het 'schoolvoorbeeld van de begaafde jongen die door sociale belemmeringen niet aan een academische vorming was toegekomen', maar als autodidact zich alle kwaliteiten verworven had.

Zijn eerste leraarsbaan was aan de HBS te Zaltbommel, spoedig in 1915 gevolgd door een te Rotterdam van meer blijvende aard. Veertig jaar lang zou hij hier aan diverse gemeentelijke scholen en aan de Rijks HBS te Schiedam de staatswetenschappen doceren. Hij ontwikkelde zich tot een bekwaam docent die strikt objectief les gaf, maar zijn leerlingen toch meer schonk dan alleen vakkennis. Over het algemeen was hij een vlot spreker op cursus- of openbare vergaderingen en iemand die ook belangrijke organisatorische taken op zich nam, maar als schrijver was hij niet zeer produktief. In 1918 publiceerde hij in De Nieuwe Tijd een artikel over 'De jongste Nederlandsche Marx-kritiek' en vertaalde stukken van Rosa Luxemburg. Te Rotterdam speelde hij een grote rol in de plaatselijke afdeling van de SDP en de Communistische Partij in Nederland (CPN) en had hij een leidend aandeel in de campagne tot leniging van de hongersnood in Rusland in 1921.

In 1925 en 1926 kwam de partijcrisis tot uitbarsting, waarbij de vakbewegingspolitiek een belangrijke factor vormde. Hoogcarspel was steeds een sterk voorstander van een op het NVV gerichte koers, maar de sympathisanten met het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) waren in de gelederen van de CPN vrij talrijk. Hij presideerde de oprichtingsvergadering van de Communistische Partij Holland-Centraal Comité (Wijnkoopgroep) te Amsterdam op 17 oktober 1926. De Rotterdamse afdeling was daarvan een belangrijk steunpunt met G. van Burink als agitatorische figuur. Door het wegvallen van W. van Ravesteyn na 1926 werd de positie van Hoogcarspel in deze tijd van meer belang. Hij was ook met Wijnkoop bestuurslid van de Internationale Arbeiders Hulp (IAH), die in 1928 echter ten onderging na een formele veldslag met de officiële CPN op een congres te Amsterdam. Toch publiceerde de IAH nog een bundel opstellen Kultuur en wetenschap in het nieuwe Rusland (Rotterdam 1929) onder redactie van H. Roland Holst, P. Alma en J. Hoogcarspel met vele opmerkelijke bijdragen. Ook later zou Hoogcarspel zich op een dergelijke niet-sektarische wijze voor de vriendschappelijke relaties met de Sovjet-Unie inzetten. Bij de hereniging van de beide communistische partijen in 1930 heeft hij ook een rol gespeeld. Zelf zou hij zich ten slotte niet weer aansluiten. Voor hem werd evenals voor D. Wijnkoop en anderen de beslissing van de Communistische Internationale nodig geoordeeld. Hij legde een verklaring van 'ongelijk' af (8 juli 1930), die echter onvoldoende geacht werd. Anders dan Wijnkoop bleef hij dakloos tot aan de Tweede Wereldoorlog, al waren zijn sympathieën niet veranderd.

Intussen wijdde hij zich aan zijn leraarstaak en schreef twee leerboeken over staatsinrichting en staathuishoudkunde, bestemd voor hogere burgerscholen en voor zelfstudie. Tijdens de oorlogsjaren was hij actief in verzetswerk, maar met De Waarheid kwam hij pas in een laat stadium in aanraking via H. Verhey. Na de bevrijding richtte hij te Rotterdam een Genootschap Nederland-Rusland op en werd hij lid van de noodgemeenteraad. Spoedig werd door de CPN een beroep op hem gedaan een kandidatuur voor de Tweede Kamer te aanvaarden. Met B. van den Muijzenberg-Willemse zou hij in de communistische fractie de Wijnkoop-traditie gaan vertegenwoordigen als een van de bekwaamste parlementariërs van de partij. Hij gold als de knappe kop in financiële, economische en staatsrechtelijke zaken en diende H. Gortzak en anderen ook nog van advies nadat hij in 1952 niet herkozen was. Als leraar was hij in deze periode gedeeltelijk op non-actief, maar ook na zijn officiële pensionering in 1953 bleef hij bij de toenmalige docentenschaarste nog les geven. In 1954 werd hij gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland, waarin hij tot 1962 zitting had. Een partijconflict in 1958 bracht hem bij de Brugoppositie en aan de redactie van haar orgaan had hij ook deel. De opheffing van deze groep in 1965 betreurde hij. In 1970 voerde hij het woord bij de begrafenis van de op 93-jarige leeftijd overleden W. van Ravesteyn.

Hoogcarspel was een Tribunist van het eerste uur, die zich door zelfstudie tot een geschoold marxist ontwikkelde en die door zijn kennis en persoon gezag had in ruime kring. Met de Russische revolutie voelde hij zich van het begin af verbonden en hij bleef zijn niet onkritische sympathieën met de Sovjet-Unie koesteren.

Publicaties: 

Behalve de genoemde De inrichting van het Nederlandse staatsbestuur (Zwolle 1936); Inleiding tot de theorieën der staathuishoudkunde (Zwolle 1939; 19492 sterk gewijzigd).

Literatuur: 

G. Harmsen, 'De Wijnkoop-partij 1926-1930' in: Mededelingenblad, nr. 29, augustus 1966, 3-38; W. Gortzak, 'Jan Hoogcarspel 80 jaar' in: Groene Amsterdammer, 6 april 1968; A. Romein-Verschoor, Omzien in verwondering I (Amsterdam 1970), 174-175; B. Schmidt, 'Jan Hoogcarspel 1888-1975' in: Rotterdams Jaarboekje, 1976, 113-115.

Portret: 

J. Hoogcarspel, met kleindochter 1954, particulier bezit

Auteur: 
Albert F. Mellink
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 66-68
Laatst gewijzigd: 

00-00-1987