HUIG, Rika

Rika Huig

(bekend als Rie Kogenhop-Huig), secretaris Nederlandse Vrouwen Beweging en lid Amsterdamse gemeenteraad voor de Communistische Partij in Nederland, is geboren te Den Helder op 22 augustus 1906 en overleden te Haarlem op 13 juni 1967. Zij was de dochter van Petrus Franciscus Huig, marine-officier en later kleine zelfstandige, en Aagje Bijl. Op 23 mei 1929 trad zij in het huwelijk met Johan Frederik (Frits) Kogenhop, kleine zelfstandige, met wie zij een dochter en een zoon kreeg. Schuilnamen: Jo, Tante Marie.

Het gezin Huig was in 1919 vanuit Den Helder naar de Amsterdamse Spaarndammerbuurt verhuisd, nadat de vader als onderofficier bij de marine voortijdig met een met moeite afgedwongen pensioentje was weggestuurd. Hij was te tolerant tegen 'minderen' en had bij een berisping insubordinatie gepleegd. Kogenhop-Huig werd in 1934 met haar zuster An van Kampen-Huig lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN). Beiden werkten op een atelier en waren via het solidariteitswerk van de Roode Hulp met de CPN in aanraking gekomen. Kogenhop-Huig had slechts de lagere school bezocht, maar bleek leergierig en bekwaamde zich in de praktijk in het journalistieke vak. Zij werd redactrice bij Het Volksdagblad, waar zij enkele rubrieken verzorgde en over de strijd van vrouwen schreef nadat minister C.P.M. Romme in 1937 een wetsontwerp tot beperking van de rechten van vrouwen had ingediend. Dit was naar zijn zeggen gericht op bescherming van het gezin tegen 'het onnatuurlijke verlangen van de vrouwen om beroepsbezigheden te verrichten', maar gold niet voor landarbeidsters, dienstbodes en werksters. Kogenhop-Huig concludeerde dat gehuwde vrouwen in de eerste plaats geweerd werden uit bedrijven en ondernemingen die onder de sociale wetgeving vielen en wel geacht werden onbeschermde arbeid te verrichten. Zij was lid van het Wereld Vrouwen Comité tegen Oorlog en Fascisme, dat in 1935 en 1936 was aangesloten bij het Comité ter Verdediging van de Vrijheid van Arbeid voor de Vrouw. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van mei 1939 stond zij negende op de kandidatenlijst van de CPN.

Kogenhop-Huig, die tijdens de Duitse bezetting met de CPN in de illegaliteit ging, werd kort nadien vanwege haar lidmaatschap van het Wereld Vrouwen Comité door de Duitsers verhoord. In het najaar van 1940 maakte zij echter deel uit van de vrouwendelegaties, die uit Amsterdamse buurten naar de meetings van werkverschaffingsarbeiders op het Raamplein trokken en ten slotte voor het stadhuis demonstreerden. Op 26 februari 1941, de tweede dag van de Februaristaking, verschaften de Duitsers zich met een handgranaat toegang tot het pand in de Wormerveerstraat, waar zij één hoog en haar zuster An drie hoog woonde. Niemand was thuis. An werd korte tijd later gearresteerd. Rie bleef de Duitsers uit handen en zag zich genoodzaakt onder te duiken. Het grootouderechtpaar Huig nam de zorg op zich voor haar en Ans kinderen en die van zuster Gré, die aan het illegale CPN-werk deelnam en wier man na arrestatie in een concentratiekamp omkwam. Dit grootouderechtpaar toonde grote moed en uithoudingsvermogen en betaalde een zware tol aan de strijd tegen het fascisme. Eén zoon kwam als sergeant-majoor op een onderzeeër om, een andere overleefde de slag op de Java-zee maar stierf als dwangarbeider aan de Birma-spoorweg. Tijdens de bezetting voedde het echtpaar gedurende een aantal jaren de vijf kinderen van hun dochters op. De Duitsers maakten jacht op Kogenhop-Huig, die enige tijd in Huizen ondergedoken was. Tot drie keer toe werd een nicht, die op haar leek, gearresteerd en weer losgelaten. Kogenhop-Huig werd in 1943 onder de schuilnaam Jo verantwoordelijk voor de CPN in de Zaanstreek en kreeg de leiding van De Waarheid. Zij deed actief mee aan het schrijven en stencillen. Toen met Kerst 1944 een eerste bijeenkomst plaats had over het blad Jeugd verscheen daar Fred Schoonenberg van wie zij dacht dat hij al slachtoffer van de Nazi's was geworden. Haar man Frits was in de zomer van 1941 gearresteerd en naar het concentratiekamp Vught gevoerd. Als kok volgde zijn tewerkstelling in een villa met SS-bewakers. Door een geduldig voorbereide maar spectaculaire actie, waarin Annie Averink een belangrijk aandeel had, konden hij en zijn koksmaatje Dirk Stolk in 1944 ontsnappen. Zij kregen een slaapmiddel toegespeeld en deden dat op een geschikt moment in een beschuit met aardbeien voor de bewakers van de villa. Buiten werden zij opgewacht en konden op fietsen ontkomen. Frits voegde zich in de Zaan bij Rie. De jongeren in de Zaan, die na arrestaties onder oudere kaderleden het werk voor de illegale Waarheid en CPN hadden overgenomen, beschouwden Kogenhop-Huig als 'politieke moeder'. Haar eigen kinderen ontmoette zij gedurende de oorlog een enkele keer in het Zuiderbad in Amsterdam tijdens een zwem-uur. De kinderen moesten haar dan aanspreken met 'tante Marie'.

Op 21 november 1945 werd Kogenhop-Huig voor de CPN benoemd tot lid van de noodgemeenteraad in Amsterdam. Zij werkte korte tijd op de redactie van De Waarheid en werd op 2 september 1946 na de gemeenteraadsverkiezingen opnieuw als lid geïnstalleerd (tot 1 september 1953). In de raad hield zij zich vooral bezig met buurtkwesties - zij maakte zich sterk voor een zwembad in de Spaarndammerbuurt - en onderwijsproblemen. Zij was een vurig pleitbezorgster van de openbare school en streefde naar meer scholenbouw en kleinere klassen. Al lang was zij, ook als bestuurslid, actief in de vereniging Volksonderwijs. Zij genoot daar zoveel respect, dat in 1956, toen naar aanleiding van de dramatische gebeurtenissen in Hongarije een heksenjacht tegen communisten werd ontketend, pogingen haar uit het bestuur te verwijderen, strandden. Zij was enige jaren lid van het partijbestuur van de CPN en secretaris van de Nederlandse Vrouwen Beweging (NVB). Op het CPN-congres in 1950 hield zij een uitvoerige inleiding over 'Het werk onder de vrouwen' en in 1955 bracht zij als lid van een NVB delegatie van acht vrouwen een drieweeks bezoek aan de Sovjet-Unie. In februari 1958 werd zij nog, toen enkele raadsleden na een intern conflict in de CPN aftraden, met Martin Vlaar voor enkele maanden in de Amsterdamse gemeenteraad geïnstalleerd. De spanningen en inspanningen gedurende de bezetting hadden haar gezondheid echter aangetast, zodat zij het tegen het eind van de jaren vijftig rustiger aan moest doen.

Publicaties: 

Feminisme ten top gedreven' in: Voorwaarts, 24 juli 1946; 'De strijd voor de rechten van de vrouw' in: Politiek en Cultuur, maart 1954, 154-159

Literatuur: 

Rie Kogenhop overleden' in: De Waarheid, 15.6.1967; J. Morriën, 'Rie Kogenhop-Huig - markante communiste in strijd tegen fascisme en voor emancipatie van de vrouw' in: De Waarheid, 29.7.1978, ook in: Baanbreeksters (Amsterdam 19782) 156-162; De Waarheid, 24.2.1981; J. Withuis, Opoffering en heroiek. De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland 1946-1976 (Meppel 1990).

Portret: 

R. Huig, uit: Baanbreeksters (Amsterdam 1978)

Auteur: 
Joop Morriën
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 97-100
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002