IJZERMAN, Arie Willem

Arie Willem IJzerman

SDAP Kamerlid en sociaal-wetenschappelijk publicist, is geboren te Rotterdam op 21 september 1879 en overleden te Den Haag op 25 april 1956. Hij was de zoon van Jacobus IJzerman, leraar aan een Hoogere Burger School, en Grietje Schoonhoven. Op 23 september 1909 trad hij in het huwelijk met Sophie Wilhelmina Charlotte Bendien, met wie hij twee dochters kreeg. Pseudoniemen: Symen Betaal, Batavus Burgerman, Zebedeus Fijnman, Pen-Arie, Teunis Vijgeblad, Batavus X.

IJzerman doorliep de vijfjarige Hoogere Burger School waar hij al als 'rood op de graat' bekend stond. In 1905 werd hij lid van de SDAP. Volgens W.H. Vliegen gebeurde dat niet eerder omdat IJzerman zijn liberale vader niet voor het lidmaatschap wilde laten betalen en hij pas vanaf 1904 als surnumerair bij de belastingdienst financieel onafhankelijk was. Daarnaast zou hij bezwaar gehad hebben tegen 'sommige te steile stellingen uit het wel wat verouderde partijprogram'. Ook later toonde hij geen overdreven eerbied voor gevestigde ideeën. Aangezien zijn kracht meer in het schrijven dan het spreken lag, viel hij deze bij voorkeur aan in - rijk gedocumenteerde - artikelen. Daarbij wogen pragmatische overwegingen zwaar. Zo bestreed hij in 1919 het referendum onder meer met het argument dat de leden van het parlement in doorsnee geschikter zijn voor wetgevende arbeid dan de gemiddelde burger. Een referendum droeg het risico in zich dat het volk wetten tegen homoseksuelen of vóór de doodstraf zou aannemen. In De Socialistische Gids bestreed hij in 1933 onder de titel 'Was het Eva's schuld?' met een elegante analyse de mythe dat de rechtse stembusoverwinning uit 1922 door het vrouwenkiesrecht veroorzaakt zou zijn. Een jaar later wees hij op de stagnerende sociale polarisering en de opkomst van een nieuwe middenklasse als probleem voor de sociaal-democratie. IJzermans publicitaire arbeid bestond daarnaast uit het schrijven van brochures en journalistiek werk voor de partijpers, vaak onder pseudoniem. Ook schreef hij tal van boeken. In historische overzichtswerken besprak hij, steunend op secundaire literatuur en zijn gezond verstand, de belangrijkste economische, sociale en politieke ontwikkelingen van het kapitalisme. Zijn rol was vooral die van popularisator van wetenschappelijke conclusies die voor socialisten interessant konden zijn. Dat gold ook voor zijn samenvattingen, vertalingen en verklaringen van het werk van Duitstalige sociale wetenschappers als H.W.C. Cunow, F. Muckle en F. Müller-Lyer.

In de SDAP speelde IJzerman een rol - zij het nooit op de voorgrond - waar meer theoretische kwesties aan de orde kwamen. In 1906 en 1907 maakte hij deel uit van de commissie uit de Sociaal-Democratische Studieclub, die de enquête van het partijbestuur naar organisatie en propaganda uitwerkte. In 1918 werd IJzerman benoemd tot directeur van het bureau van de Tweede Kamerfractie, maar al snel bleek er niet voldoende geld om een dergelijk bureau in stand te houden. Vanaf mei 1921 was hij lid van de al spoedig zieltogende partijcommissie voor het 'politiek systeem'. Bij de totstandkoming van het Plan van de Arbeid was hij betrokken doordat hij namens de Socialistische Vereeniging ter Bestudeering van Maatschappelijke Vraagstukken deel uitmaakte van het curatorium van het Wetenschappelijk Bureau van de SDAP, zoals hij dat na 1945 bij de Wiardi Beckman Stichting doen zou. In de commissie die het partijprogram van 1937 opstelde, werd hij door J.J. Vorrink beschouwd als een van de tegenstanders van het gezindheidssocialisme.

In 1910 ging IJzerman als belastingontvanger werken in Sint Pieter. Zijn vrouw en hij speelden al snel een belangrijke rol in de Maastrichtse SDAP-afdeling, waarvan IJzerman al spoedig bestuurslid werd. Binnen een jaar na aankomst vroeg en verkreeg IJzerman overplaatsing naar Schermerhorn, volgens C. de Jonge-van Vladeracken omdat het echtpaar het in Limburg niet kon uithouden. Tot 1918 werkte hij als ontvanger te Schermerhorn, waar hij te ver buiten woonde om werkelijk aan het afdelingsleven deel te nemen, en in Utrecht. Na de mislukte overstap naar het Kamerbureau werd IJzerman parlementair redacteur van het Rotterdamse partijblad Voorwaarts. In juli 1922 werd hij lid van de Tweede Kamer. Daar hield IJzerman zich bezig met belastingpolitiek, detailhandel en de Antillen en Suriname. In deze koloniën gold hij als een van de weinige goed geïnformeerde Kamerleden. Bij deze aandachtsvelden kwam na enige tijd ook het secretariaat van de SDAP-fractie. IJzerman was veel aanwezig in de Kamer, maar sprak niet vaak. Hij bleef Kamerlid tot de oorlog, en maakte nadien deel uit van het Noodparlement. Van 1923 tot 1935 was hij bovendien lid van de Provinciale Staten van Zuid-Holland. P.J. Troelstra schreef IJzerman in 1925: 'Je eenige fout is wat te groote bescheidenheid, maar dat leert op den duur wel af.' Die voorspelling was niet accuraat. In 1949 constateerde J.W. Albarda nog dezelfde karaktertrek bij IJzermans zeventigste verjaardag. Bij de honderdjarige herdenking van het Communistisch Manifest in 1948 bracht IJzerman een editie uit, die hij vergezeld liet gaan van een kleine tweehonderd pagina's commentaar. Op grond van verschijnselen als de groei van nieuwe midden-groepen beschouwde IJzerman het Manifest als een weliswaar geniaal geschrift, maar toch een met slechts historische betekenis. In 1949-1950 maakte hij deel uit van de plancommissie van de PvdA. Zijn gezondheid was toen al enige jaren slecht.

Archief: 

Archief A.W. IJzerman in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 360-361).

Publicaties: 

Onthullingen. Omtrent het doel en streven der sociaal-democratie. Een waarschuwend woord (Amsterdam z.j.); Het ontstaan van den godsdienst. Een marxistische verklaring van den oorsprong en eerste ontwikkeling der religie. Naar Heinrich Cunow Ursprung der Religion und des Gottesglaubes bewerkt (Amsterdam 1917); 'Referendum en Volksinitiatief' in: De Socialistische Gids, 1919, 890-935, 999-1020; De weg der beschaving. Uit en over de sociologie van F. Müller-Lyer, Amsterdam 1920, 19242); Soc. Dem. Gemeentepolitiek. Schriftelijke kursus [in 27 brieven], o.l.v. F.M. Wibaut en J.F. Ankersmit (Amsterdam circa 1920); Socialistische denkers, naar Friedrich Muckle bewerkt (Amsterdam 1924); Braat, de vader des plattelands? (Amsterdam 1925); 'Ter herdenking van Henri Hubert van Kol' in: De Indische Gids, oktober 1925, 865-881; De ezel in de leeuwenhuid. Open brief van Batavus Burgerman over de Nederlandsche Bolsjewiki; ter geruststelling van zijn mede-bourgeois (Amsterdam ca. 1925); De geboortetijd van het moderne kapitalisme (Amsterdam 1927); (met J. Oudegeest) Strijdmateriaal (Verkiezingen 1929) (Amsterdam 1929); Het moderne kapitalisme. Van Waterloo tot Sedan (Amsterdam 1930); (met J. van den Tempel) Socialisme of chaos. Drie maanden van parlementairen strijd in dagen van crisis en nood (Amsterdam 1932); (met medewerking van S. Mok) Daden en wandaden. Gids voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1933 (Amsterdam 1933); 'Was het Eva's schuld?' in: De Socialistische Gids, 1933, 488-499; 'De groei van den nieuwen middenstand' in: De Socialistische Gids, 1934, 557-565, 674-688, 756-768, 819-832, 883-896; 'Ter herdenking van Prof. W.A. Bonger (1870-1940)' in: Socialisme en Democratie, 1946, 3-6; De 80-jarige oorlog (Den Haag 1948); Het Revolutiejaar en het Communistisch Manifest van Marx en Engels (Amsterdam 1948); Nederland als grote mogendheid (Den Haag 1951).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht III, 458-459; Ed. Polak, 'IJzerman, Arie Willem' in: Winkler Prins Encyclopaedie (Amsterdam 1954); Het Vrije Volk, 20.9.1949 en 26.4.1956; Het Parool, 26.4.1956.

Portret: 

A.W. IJzerman, particulier bezit

Auteur: 
Lex Heerma van Voss
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 228-230
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002