JONG, Adrianus Michiel de

Adrianus Michiel de Jong

(roepnaam: A.M.), sociaal-democratisch schrijver en literair adviseur, is geboren te Nieuw-Vossemeer op 29 maart 1888 en om het leven gebracht te Blaricum op 18 oktober 1943. Hij was de zoon van Melchior de Jong, borstelmaker, later fabrieksarbeider, en Pieternella Johanna Hazen. Op 7 november 1915 trad hij in het huwelijk met Jacoba Cornelia (Co) Koekebacker, onderwijzeres, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Na haar overlijden (op 17 februari 1936) hertrouwde hij op 4 november 1936 met Marie-Louise Josephine (Wies) Defresne, zangeres.
Pseudoniemen: Een jeugdige grijsaard (?), Titia Roemer, Herbert D. Ross, Frank van Waes.

De Jong placht de dag te beginnen met een dik met boter en suiker bemetselde beschuit - een dagelijks terugkerende compensatie voor de armoede die hij in zijn jeugd gekend had. Zijn jonge jaren bracht hij door in de landelijke rust van West-Brabant, waar zijn vader als kleine zelfstandige borstelmaker op den duur het hoofd niet boven water kon houden. Op zoek naar werk in de fabriek moest het gezin meer dan eens verhuizen. In 1896 in Rotterdam aangeland, sloeg de werkloosheid voor langere tijd toe en ging de jonge Adriaan met zijn broer huis aan huis met kachelhoutjes venten. In dit katholieke gezin stierven tien van de dertien kinderen binnen twee jaar na de geboorte. Thuis werd gretig gelezen: 'Zolang er geregeld werk was, liep er steeds iedere week een aflevering binnen van een of ander "Groot Volksboek" ... en zelfs ik las ze mee, veelal stiekem, omdat de inhoud voor kinderen beneden de tien wat peperig geoordeeld werd', herinnerde De Jong zich later. 'Ach, wat een walgelik bedorven, smerig stuitend dom en gemeen soort boeken dienden tot geestelik voedsel van de arbeiders.' Werd hij mede hierdoor de weg van onderwijzer, en van literair bevlogen volksopvoeder opgestuurd? In 1906 behaalde hij de onderwijzersakte in Delft, waar het gezin De Jong zich ten slotte gevestigd had. Hij vond er werk op een dorpsschool in de buurt, leerde bij het Letterlievend Genootschap 'Geestbeschaving' zijn vrouw kennen en studeerde verder voor de hoofdakte. Een studie Middelbaar Onderwijs Nederlands maakte hij niet af. Zijn eerste publikatie in boekvorm, Studies over litteratuur. Mede ten dienste van studerende onderwijzers (Almelo 1912), was een verzet tegen het schoolmeesterachtige literatuuronderwijs aan studerenden voor de hoofdakte. In plaats van domme feiten uit het hoofd te leren, zouden zij het 'schone' in de literatuur moeten leren ontdekken. De Jongs eigen literaire smaak was vooral aangescherpt door de letterkundige Dirk Coster, aan wie hij zijn eerste gedichten ter beoordeling had toegestuurd. Zij raakten bevriend maar groeiden later, voor een deel door De Jongs toegewijdheid aan het socialisme, uit elkaar. Volgens Coster was De Jong socialist geworden onder de indruk van een tocht door de sloppenwijken van Delft met zijn toekomstige schoonvader, die in 1912 tot volksteller was benoemd. Al eerder, vermoedelijk in 1910, was De Jong lid van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers en had hij artikelen in De Bode en De Nieuwe School gepubliceerd. Uit die tijd dateerde zijn vriendschap met Theo Thijssen, 'een leuke kerel, je merkt zo aan alles, een echte kerel, die groot is en 't ook zijn wil en daarom al het kleine, dat hem in de weg staat, vernielen wil ... Ik was een klein heertje naast hem.' Waarschijnlijk was het Thijssen die De Jong contacten bij Het Volk bezorgde. In het Zondagsblad van Het Volk kon hij onder het pseudoniem Frank van Waes vanaf 1912 zijn eerste literaire bijdragen, 'Dorpsgeschiedenissen' kwijt. Zijn eerste roman Ondergang (Bussum 1916) was aanvankelijk in feuilletonvorm in De Notenkraker verschenen. Zijn vriend, de sociaal-bewogen Delftse hoogleraar B.H. Pekelharing had grote bewondering voor dit boek, een loodzwaar aangezette schildering van het Londense zwerversmilieu. Meer bekendheid verwierf hij met zijn Notities van een landstormman (Amsterdam 1918, 1975), onder het pseudoniem Frank van Waes geschreven tijdens de vervulling van zijn militaire dienstplicht. Hij stelde de kadaverdiscipline en dienstklopperij in het leger aan de kaak in deze stukjes, die ten onrechte wel voor antimilitaristisch versleten zijn. De krijgsraad bestrafte hem ervoor, al was zijn auteurschap niet echt bewezen. Zijn bekende, vaak herdrukte roman Frank van Wezels roemruchte jaren (Amsterdam 1928) borduurde op deze Notities voort.

Misschien is De Jong op een vaandrigscursus in Harderwijk met Koos Vorrink bevriend geraakt. Zij vonden elkaar in hun idealen over de verheffing van de arbeidersklasse en richtten het maandblad De Nieuwe Stem, Algemeen onafhankelijk maandblad der jongeren op, dat van november 1918 tot oktober 1919 verscheen onder redacteurschap van De Jong, P. Schuhmacher en Vorrink. Het was bedoeld om naar uiterst links afgedwaalde jongeren het vertrouwen in de sociaal-democratische idee te hergeven. Heel sterk sprak in dit blad al de gemeenschapsgedachte van de dan net opgerichte Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), waarvan Vorrink in 1920 na lang aandringen van De Jong bezoldigd bestuurder worden zou. Als letterkunde-redacteur moest De Jong in De Nieuwe Stem 'nieuwe kunstvormen' door jonge socialistische auteurs een plaats gunnen. Een verbazingwekkend hoog percentage van de bijdragen - gedichten, kritieken, toneelschetsen en vertellingen - was echter door hemzelf of zijn alter ego Frank van Waes geschreven. Intussen was De Jong nog steeds onderwijzer, vanaf 1916 in de Amsterdamse volksbuurt Wittenburg. Met enige opluchting stapte hij in oktober 1919 'eindelik het onderwijs uit. Het wordt me nu tè benauwd'. Opvoeder bleef hij maar nu voor een groter publiek. Hij trad in dienst bij Het Volk, waar hij de binnenlandredactie snel verruilde voor de kunstredactie. Even later was hij ook redacteur van het AJC-blad Het Jonge Volk (1920-1921) en De Notenkraker (1920-1921, 1933-1935). Hij verlegde de plaats van samenkomst van de Notenkraker medewerkers van het redactiebureau naar café Americain op het Amsterdamse Leidseplein. Tekenaar L.J. Jordaan noemde hem het type van de ouderwetse bohémien, hoewel hij in werkelijkheid een degelijk huisvader was. Met Jordaan en een fotograaf deed De Jong aan participerende journalistiek in het Amsterdamse nachtleven. Vol afgrijzen verhaalde hij in Amsterdam bij nacht (Amsterdam z.j.) over het zedenbederf en de afzichtelijke types die zij op hun weg vonden. Met de Belgische tekenaar en schilder George van Raemdonck maakte hij de emanciperende en razend populaire dagbladstrip 'Bulletje en Boonestaak', die vanaf mei 1922 in Het Volk verscheen. Er ontstond een hele cultus rond de strip, die tot in 1974 nog als boekjes herdrukt werd. Toch riepen auteur en tekenaar ook weerstanden op. Kregen in de door De Jong zelf 'geneutraliseerde' Van Nelle-uitgave van 1928 de blote jongetjes broekjes aan, eind jaren tachtig stootten sommigen zich veeleer aan de als racistisch ervaren uitbeelding van hun avonturen in den vreemde. De Jong schreef ook kinderboeken en was redacteur van de reeks De Stichtsche Bibliotheek voor Jongens en Meisjes en de jeugdboekenseries van uitgeverij Ontwikkeling. Daar redigeerde hij eveneens het fonds 'Toneelbibliotheek' en gaf hij adviezen voor de in 1926 begonnen Algemeene Roman Bibliotheek, de Arboreeks, die via het colportage- en distributienet van Het Volk zijn weg vond naar circa 5600 abonnees. Hij was verantwoordelijk voor het hoofdstuk 'De ontwikkelingsarbeid op het gebied der kunst' uit het rapport Arbeidersontwikkeling (Amsterdam 1924), de geloofsbrief van het nieuwe Instituut voor Arbeidersontwikkeling. Om de arbeiders belangstelling voor 'hooger genieten' bij te brengen pleitte hij hierin voor de instelling van een 'werkelijk zuivere' toneelspeelkunst door volkstoneel, goede muziek door fanfare- en harmonie-orkesten, 'goede liederen en werkelijke kunst' door arbeiderszangkoren, een cultureel tijdschrift geleid door pedagogen en beter drukwerk. Een nadere uitwerking van wat werkelijk zuiver en goed was, gaf hij niet in zoveel woorden maar in zijn eigen werk heeft hij geprobeerd een voorbeeld te stellen. Hij schreef in een directe stijl, romantisch-realistisch, in sterke tegenstellingen: de natuur tegenover de afstompende fabriek, de groezelige instinctmatige seksualiteit tegenover de oprechte mensenliefde en vriendschap. Zolang er nog geen socialistische maatschappij met bijbehorende cultuur was, moest de socialistische kunstenaar op een voor het volk begrijpelijke wijze beelden laten zien van de nieuwe mens en de nieuwe gemeenschap, waarbij hij burgerlijke uitingsvormen niet hoefde te schuwen. De Jongs positie als literaire smaakmaker van de sociaal-democratie werd steeds steviger en dit riep de nodige weerstanden binnen de partij op. Tot twee keer toe, in 1924 en 1925, weigerde de redactie van De Socialistische Gids, hierin krachtig gesteund door het partijbestuur, hem te benoemen in een vacature bij dit blad. De redactie overwoog volgens de notulen dat hij dan 'monopolist in kunstzaken in de S.D.A.P. zou worden. Bovendien achten zij hem als kunstredacteur ten zeerste ongeschikt. Zij vinden o.m. zijn laatste bijdrage in de S.G. afschuwelijk'. Zij vreesde ook dat auteurs van kaliber geen werk meer zouden inzenden als hij redacteur zou zijn. Met Israël Querido zette De Jong in 1927 het blad Nu op. Dit bevatte vooral bijdragen van de beide redacteuren zelf en weinig subtiele uitvallen aan het adres van individualistische, 'buiten verband van het tijdsleven' levende kunstenaars als J. Engelman, H. Marsman en M. ter Braak, die onmiddellijk reageerden met het schotschrift aNti-schUnd (Utrecht 1928). In september 1928 trok De Jong zich terug uit de redactie na een conflict met Querido, die zijns inziens toch nog te positief over Marsman geoordeeld had. Achteraf, zo schreef hij Querido, vond hij dat Nu toch niet boven de middelmaat uitgekomen was. Het blad hield het nog een jaar vol.

De Jong had zich in 1925 op het Brabantse platteland gevestigd om zich geheel aan het schrijven te wijden. Hier kwam zijn beroemde Merijntje Gijzens Jeugd tot stand (1925 - 1928). Zijn literaire produktie was constant hoog. Na het ontbijt zette hij zich aan zijn bureau, waar divers rookgerei klaar lag, en schreef dan door tot na middernacht. Alle storende invloeden moesten geweerd worden, totdat hij na enkele weken klaar was. Dan was er feest in huis, wijn en sigaren werden bezorgd. De Jong was een levensgenieter met een speciale hartstocht voor Perzische tapijten en reizen. Hij reed paard en had een zwak voor honden. In Brabant werd hij aangezien voor een feodale landjonker, herinnerde Piet Bakker zich. Vaak waren er vrienden te logeren, onder wie de Grieks-Roemeense schrijver Panaït Istrati, die door De Jong in Nederland bekendheid kreeg. Op diens initiatief voerde De Jong in 1929 campagne om de verbannen Leo Trotski een visum voor Nederland te verschaffen. Politiek lag hem niet echt en zijn lidmaatschap van de Bergen op Zoomse en later Blaricumse gemeenteraad (respectievelijk 1927 - 1930, 1939 - 1941) is dan ook weinigen opgevallen. Met Merijntje Gijzen was De Jongs roem voorgoed gevestigd. P.J. Troelstra vond de serie schitterend. Katholieke boekhandels en bibliotheken mochten Merijntje niet in hun collectie opnemen. In 1936 werd het boek verfilmd onder regie van Kurt Gerron, met De Jong zelf als scenarioschrijver en in de rol van pastoor. Hij vond het filmen en acteren 'spannende en vervoerende KUNST'. Hij kreeg een wekelijks halfuurtje voor de VARA-microfoon en deed mee met het Politiek Cabaret De Notenkraker (1934-1936), samen met zijn vriend Willem van lependaal. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag huldigde de partij hem met een groots feest en het bedrag van 5000 gulden, dat hij voor de aankoop van een huis in Blaricum kon gebruiken. Het stak hem wel dat erkenning buiten eigen kring uitbleef. De 'burgerlijke' literaire kritiek rekende zijn werk niet tot de literatuur. In Links Richten werd hij een 'erbarmelijke platluis' genoemd en Ter Braak vond hem een 'ploert'. Eind jaren dertig schreef De Jong een heldere, felle aanklacht tegen het nazisme en de lafhartige houding van de Westerse democratie daartegenover, De dans op de vulkaan (Amsterdam 1939). Uit Frank van Wezels roemruchte jaren schrapte hij voor de heruitgave van 1939 de zinsneden die voor antimilitaristisch doorgingen. Na de Duitse inval wees hij het idee van evacuatie van de hand, al was duidelijk dat hij gevaar liep. Hij meldde zich als lid van de Kultuurkamer en was daardoor in de gelegenheid de joodse dichter Maurits Mok onder zijn naam romans te laten vertalen en hem ook anderszins te steunen. In de zomer van 1942 werd De Jong als gijzelaar in Haaren gevangen gezet maar om medische redenen weer vrijgelaten. Hij koesterde 350 tabaksplanten in zijn tuin, die, zo had hij berekend, wel 4000 sigaren moesten opleveren. Zijn buurman, een nationaal-socialist en verrader, vormde een bron van gevaar. Aan Coster schreef De Jong op 12 augustus 1943: 'weer een hoop gevaarlijke onaangenaamheden in verband met de buurman, waar ik al eerder last mee had, maar dat is voorlopig weer geregeld en we wachten nu maar op de volgende chicanes'. Op 18 oktober belden twee leden van de Germaansche SS in vermomming aan en schoten na een praatje over de verduistering De Jong een kogel door de nek. Deze 'Silbertanne-actie' was een vergeldingsmaatregel voor een gemankeerde aanslag door het verzet op zijn buurman, twee dagen eerder. Werk van De Jong, vooral de Merijntje Gijzen-cyclus, wordt tot op de dag van vandaag gelezen. In 1975 werd in zijn geboorteplaats Nieuw-Vossemeer het A.M. de Jong-huis in gebruik genomen, met een permanente expositie aan hem gewijd. Buiten voor de deur staat Merijntje in brons.

Archief: 

Collectie A.M. de Jong in Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Artikelen in De Bode, De Boekenvriend, De Daad, De Groene Amsterdammer, Het Jonge Volk, Kunst aan het volk, Het Leven, De Nieuwe School, De Nieuwe Stem, De Notenkraker, Nu, Oorlog en Vrede, Opgang, De Socialistische Gids, De Stem, De Toorts, De VARA radio-gids, Het Volk, Vragen van den Dag, Wij, Zondagsblad van Het Volk; vertalingen van Honoré de Balzac, Léon Frapié, Zsolt Harsányi, Panaït Istrati, Andreas Latzko, Guy de Maupassant, Upton Sinclair, Irving Stone, Emile Zola; 'In memoriam H.J. Hegeraat (1874-1919)' in: De Socialistische Gids, 1919, 981-983; '[P.F.] Sanders en de arbeiderszangverenigingen' in: Het Volk, 29.3.1923; 'In memoriam Herman Gorter' in: Letterkundige kroniek, nr. 260, 25.9.1927; Bibliografie in: M. Boumans, F. Debets, G. Verlaan, A.M. de Jong. Merijntje Gijzens jeugd en het sociaal-demokraties ontwikkelingswerk (Nijmegen 1977; doctoraalscriptie) 338-343 en in: (J. van der Bol, M.A. de Jong), Kijk, A.M. de Jong. De schrijver in beeld (Amsterdam 1980) 94-95. R. Springer, Marinus Gijzen Sr. (onthullingen over den dictator - A.M. de Jong - aan 'Het Volk' - Mussolini -). Een literatuur dictator (Amsterdam circa 1928); P. Stegenga, Beschouwingen over Merijntje Gijzen's jeugd. De kinderziel, God en het leven (Rotterdam 1928); G.H. 's Gravesande, 'Al pratende met ... A.M. de Jong' in: Den Gulden Winckel, 20.3.1928, 67-73; C. Tazelaar, A.M. de Jongs Merijntje Gijzen-cyclus (Amsterdam 1929); H.G. Cannegieter, 'A.M. de Jong' in: Morks Magazijn, januari 1931, 1-9; D. Coster in: Critisch Bulletin, 1945, 47-59; W. Degraeve, A.M. de Jong in en voor de critiek. Bijdrage tot een geschiedenis der litteraire critiek in de letterkunde der Nederlanden (Gent 1946; licentiaatsverhandeling); A.M. de Jong, Metgezellen (Amsterdam 1949); A.M. de Jong, 'Herinneringen aan mijn jeugdland' in: A. Coolen (red.), Land en volk van Brabant (Amsterdam 1950) 240-248; L.J. Jordaan, 'Herinneringen aan A.M. de Jong' in: Vrij Nederland, 17.10.1953; P. Bakker, Zo was het (Amsterdam 1961) 21-22; J. van der Woude, 'Een gesprek tussen twee generaties' in: De Gelderlander, 2.12.1961; D. Coster, 'A.M. de Jong in 1943 vermoord. Herinneringen aan een vriendschap' in: Kentering, 1963, 53-67, ook in: Verzameld Werk. Deel 12 (Leiden 1976) 198-215; D.F. van de Pol, 'De weduwe van A.M. de Jong' in: Vrij Nederland, 25.5.1968; M.A. de Jong, 'Merijntje Gijzens geboortejaren' in: Dagblad van het Oosten, 19.10.1968; M. Jutrin, 'Panaït Istrati et Adrien de Jong' in: Synthèses, nr. 289/290, 1970, 69-78; M.J.G. de Jong, 'Flierefluiters apostel' in: Flierefluiters apostel. Meningen en meningsverschillen (Leiden 1970) 9-28; S. van Faassen, 'Vier brieven van Is. Querido en A.M. de Jong over "Nu" in: Tirade, mei-juni 1976, 361-376; J. Kooijman, H. Stoovelaar (red.) George van Raemdonck & A.M. de Jong. In de ban van Bulletje en Boonestaak (Baijum 1977); M. Boumans e.a. (1977), zie onder 'Publikaties'; W. Hazeu, 'Over het socialistische en semitische schrikbewind in 1928' in: Bulletin, januari 1980, 18-22; J. van der Bol e.a. (1980), zie onder Publikaties; N. Ulrich, A.M. de Jong en het hoedenproletariaat. Een literatuur-sociologische benadering van de roman "Marcus van Houwaert" (Nijmegen 1981; doctoraalscriptie); A.M. de Jong. Leven en werk. Zes voordrachten (Den Bosch 1981); C. de Back, 'Literaire kritiek in de Nederlandse sociaal-democratische pers, 1933-1940' in: K. Dittrich, H. Würzner (red.), Nederland en het Duitse Exil 1933-1940 (Amsterdam 1982) 187-190; M. de Jong, 'Correspondance Panaït Istrati - A.M. de Jong' in: Cahiers Panaït Istrati, nr.5 (Valence 1988) 5 1-208; R. Schoemaker, 'Nieuw-Vossemeer herdenkt 100-jarige A.M. de Jong. Rode nostalgie in Brabant' in: NRC Handelsblad, 4.5.1988; D. Schouten, 'Zijn er nog vragen?' in: Vrij Nederland, 14.5.1988; F. de Glas, Nieuwe lezers voor het goede boek. De Wereldbibliotheek en Ontwikkeling/De Arbeiderspers voor 1940 (Amsterdam 1989); S.A.J. van Faassen in: BWN III (Den Haag 1989) 299-302; J. van Dijk, Het socialisme spant zijn gouden net over de wereld (Montfoort 1990); J.A. Dane, '"De kleine wereld onder z'n blauwe stolp". A.M. de Jong (1888-1943) als sociograaf van de Brabantse Westhoek' in: De Ghulden Roos (Roosendaal 1993); M. de Jong, A. M. de Jong, schrijver (Amsterdam 2001).

Portret: 

A.M. de Jong, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag)

Auteur: 
Margreet Schrevel
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 133-138
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002