JONG, Theodorus Adrianus Johannes de

Theo de Jong

voorzitter van de Algemene Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de Textiel- en Kledingbedrijven ‘De Eendracht’, is geboren te Tilburg op 18 februari 1913 en overleden te Amsterdam op 12 december 2002. Hij was de zoon van Arnoldus Cornelius de Jong, wever, en Dorothea Catharina Spijkers, textielarbeidster. Op 22 februari 1933 trad hij in het huwelijk met Cornelia Gerardina van Beers, schoenstikster, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

De Jong was de derde van vier kinderen uit een Tilburgs katholiek arbeidersgezin. Beide ouders werkten in de wollenstoffenindustrie. Zijn moeder werd, zoals toen gebruikelijk, na haar huwelijk ontslagen en werkte daarna als schoonmaakster. Later werd ze baker. Zijn vader trachtte als zelfstandige aan de kost te komen, maar zijn kruidenierswinkel, sigarenzaak, verkoop van zelf gedraaid ijs en markthandel in emaillen potten en pannen mislukten allemaal. Daarna dreef hij enige jaren een café, waaraan tijdens de crisisjaren door faillissement een einde kwam. Naast spijbelen behoorde stropen tot De Jongs jeugdzonden. Op zijn elfde werd hij misdienaar. Als jongeman deed hij veel aan sport. Hij voetbalde in het eerste elftal van Longa, waarmee hij Nederlands kampioen werd, was lid van atletiekvereniging De Spartaan en werd in het seizoen 1933-1934 Tilburgs kampioen luchtbuksschieten. Zijn vader plaatste hem als leerling op een schoenfabriek, maar De Jong zag meer heil in de textielindustrie en trad als bijwever in dienst bij textielfabriek Blomjous. Om het vak te leren ging hij ’s avonds naar de textielschool, die hij vanwege een ruzie met de schooldirecteur in het derde jaar zonder diploma verliet. Dankzij de opleiding was hij een vakbekwaam wever die zelf zijn getouw kon instellen. Nog lang na zijn pensioen vertelde hij met genoegen hoe prachtig het was te weven aan een dessin met 24 schaften en met vijf of zes spoelen en kleuren. De Jong was er trots op dat hij in de crisisjaren slechts éénmaal om een week steun hoefde aan te kloppen. Als lid van de Rooms-Katholieke Textielarbeidersbond ‘St. Lambertus’ moest hij naar het bondskantoor om zijn uitkering te halen. Na de afkondiging van een nieuwe loonsverlaging kreeg hij daar te horen dat daaraan niets kon worden gedaan. Het was de schuld van Japan, waar de mensen genoeg hadden aan een handvol rijst. De Jong vond deze verklaring te zot voor woorden en stapte over naar de socialistische textielarbeidersbond De Eendracht, waarvan de familie van zijn vrouw lid was. De broer van zijn vrouw was tientallen jaren de leidende figuur in de Tilburgse afdeling en beroemde zich er op dat hij De Jong had overgeschreven. De Eendracht in Tilburg was met minder dan 300 leden een Gideonsbende vergeleken met St. Lambertus dat meer dan 4000 leden telde. De voor De Jong onbekende wereld van het socialisme bracht hem tot zelfstudie. Vooral de directe belangenbehartiging binnen de sociaal-democratie sprak hem aan. Bij Blomjous werden leden van de socialistische bond niet op prijs gesteld. Werklieden die De Jong voor De Eendracht won, moesten afzonderlijk voor de baas verschijnen met het gevolg dat vrijwel allen weer voor het lidmaatschap bedankten. Een tweetal met meer dan 25 dienstjaren bij het bedrijf die dat weigerde, werd ontslagen. De Jong zelf kreeg geen ontslag, maar werd scherp in de gaten gehouden. De overstap naar De Eendracht betekende voor de rechtlijnige De Jong ook lid worden van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de Natuurvrienden en de Vereniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Hij nam een abonnement op Het Volk en verzekerde zich bij De Centrale. Vanwege zijn lidmaatschap van deze socialistische organisaties werd hij geëxcommuniceerd, waarna hij uit de katholieke kerk trad.

In 1935 nam De Jong deel aan een wilde staking, wetend dat de actie kansloos was. St. Lambertus had reeds ingestemd met de loonsverlaging en De Eendracht was te klein om zich succesvol te verzetten. Maar met 4200 stakende werklieden was de staking vrijwel algemeen. Op verzoek van het ingestelde steuncomité verzorgde De Jong de stakingsuitkeringen bij Blomjous. De staking, die na vier weken zonder resultaat werd beëindigd, vormde de start van zijn vakbondscarrière. Hij werd lid (en in 1938 secretaris) van het afdelingsbestuur van De Eendracht en kreeg bij Blomjous zitting in het Afdelingskasbestuur voor de Ziektewet. Vervolgens werd hij gekozen in de Fabriekscommissie (een voorloper van de ondernemingsraad), werd secretaris van de Tilburgse Bestuurdersbond en correspondent van het Bureau voor Arbeidsrecht. In de Tilburgse textielindustrie bestond een regeling voor het collegiaal in- en uitlenen van personeel. De Jong werd in een periode waarin Blomjous kampte met gebrek aan orders uitgeleend aan andere bedrijven. Enneking, bij wie hij tien gulden per week meer verdiende, bood hem vast werk aan, maar bij collegiaal uitlenen bestond de regel dat niet mocht worden overgestapt. Als omweg werkte De Jong nog een tijdje bij Van de Bergh, maar Blomjous wilde hem niet laten gaan. Door bemiddeling van Bart van Pelt, bestuurder van De Eendracht, en de secretaris van de fabrikantenvereniging kwam het dienstverband met Enneking kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog toch tot stand.

Na de Duitse inval in mei 1940 weigerde De Jong aanbiedingen om regionaal bestuurder of sociaal voorman te worden. Na een bezoek aan Tilburg van Jan Landman en Ad Vermeulen, bestuurders van het gelijkgeschakelde Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), in maart 1941 met het pleidooi het bondswerk voort te zetten en met de bezetter samen te werken, besloot De Jong in navolging van Van Pelt zijn functies neer te leggen en als lid van de bond te bedanken. Dankzij een verklaring van onmisbaarheid van zijn werkgever ontliep hij tewerkstelling in Duitsland. Enkele SDAP-leden in Tilburg, onder wie De Jong, bleven contact houden, verschaften bonkaarten en verzorgden onderduikadressen. Tot de dag waarop Tilburg werd bevrijd (27 oktober 1944) had de familie De Jong onderduikers in huis. De wederopbouw van partij en vakbeweging werd nu spoedig ter hand genomen. De Jong werd secretaris van de SDAP in Tilburg en hervatte zijn activiteiten voor de Tilburgse Bestuurdersbond en het Bureau voor Arbeidsrecht. Zijn indiensttreding bij de Koninklijke Marechaussee bleek geen goede keuze. Door bemiddeling van Cees van Lienden en Chris de Vries, verbondsbestuurders van het NVV, werd zijn contract drie maanden later ontbonden en op 1 mei 1945 trad De Jong in dienst van het NVV, aanvankelijk met als werkterrein Tilburg maar al spoedig de provincie Noord-Brabant. Een jaar later werd dat uitgebreid tot de drie zuidelijke provincies. Grote reisafstanden, tegenwerking van de clerus en de lage organisatiegraad van het NVV in het zuiden bemoeilijkten het werk, maar met hulp van meer ervaren collega’s en dankzij eigen enthousiasme sloeg hij zich er doorheen. Mede dankzij de steun van zijn vrouw slaagde hij er in de bestuurdersopleiding van de Centrale Kaderschool op het Troelstra Oord in Beekbergen te volgen. In die dagen hielden bestuurders kantoor aan huis. Tijdens zijn afwezigheid ving zijn vrouw alle aanloop van leden en kaderleden op.

Van Pelt, die De Jong als zijn voorbeeld beschouwde, vroeg De Jong begin 1948 te solliciteren naar de functie van bestuurder bij de Algemene Bond van Arbeiders en Arbeidsters in de Textiel- en Kledingbedrijven ‘De Eendracht’, kortweg ABTK ‘De Eendracht’. Deze was tijdens de oorlog ontstaan uit een door het Nederlands Arbeidsfront afgedwongen fusie tussen De Eendracht en de bond in de kledingindustrie. Voorzitter Tonnis van der Heeg nodigde De Jong uit voor een gesprek en bood hem de functie aan van penningmeester met verantwoordelijkheid voor sociale verzekeringen en tweede onderhandelaar voor de collectieve arbeidsovereenkomsten in de textiel en de confectie. Op 1 april 1948 trad De Jong in dienst van De Eendracht. Hierdoor moest het gezin verhuizen naar Amsterdam, waar de woningnood een probleem vormde, maar via een driehoeksruil (Amsterdam, Den Haag, Tilburg) werd dit opgelost. Als penningmeester zag De Jong kans om van de Apeldoornse Nettenfabriek het Jeltus von Zeppelin-huis in Epe (Gelderland) te kopen. Dit tot scholings- en vakantieoord omgevormde huis, bekend geworden als De Waayenberg, speelde een belangrijke rol bij de opleiding van kaderleden. Eind 1951 maakte De Jong met andere bestuurders en werkgevers in het kader van de Marshall-hulp een reis van zes weken naar de Verenigde Staten om de daar functionerende textielindustrie te bestuderen. De Twentse textielwerkgevers wilden in 1954 de overeengekomen loonsverhoging gebruiken om een deel van de zwarte lonen te witten. De onrust onder de werknemers nam snel toe. Door afwezigheid van de voorzitter kwam de verantwoordelijkheid voor het oproepen tot actie bij De Jong te liggen. Er braken stakingen uit maar al na enkele dagen bemiddelde het College van Rijksbemiddelaars onder voorzitterschap van Jan Berger. Het resultaat was dat ieder er drie tot vier procent loon bij kreeg, ongeacht de hoogte van het zwarte loon.

In 1955 kon het hoofdbestuur van De Eendracht de al langer bestaande interne tegenstellingen niet meer de baas. Het verbondsbestuur van het NVV greep in, waarna een door Coen van der Lende geleide commissie de bestuurssamenstelling ingrijpend wijzigde en De Jong bondsvoorzitter werd. Bij de onderhandeling over de collectieve arbeidsovereenkomst voor 1960-1961 kwam De Eendracht met het voorstel de arbeidstijd voor ploegendiensten te verminderen. In 1962 stelde De Jong op het NVV-congres voor om verkorting van de werktijd tot veertig uur in het arbeidsvoorwaardenbeleid op te nemen. Dit getuigde van de progressieve koers op het terrein van de arbeidsvoorwaarden die de bond onder zijn voorzitterschap voorstond. Maar De Eendracht kwam klem te zitten tussen de wil om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren en de onmogelijkheid daarvan door afkalving van het werkterrein. Sluiting van het Leidse bedrijf Wijk-Heringa in 1964 was de eerste grote bedrijfssluiting en het begin van een bijna complete ontmanteling van de Nederlandse textiel- en confectie-industrie door verplaatsing van het werk naar zogenoemde lagelonenlanden. In 1967 kreeg De Jong lucht van het werkgeversvoornemen om de winstuitkering te passeren. Hij maakte dit op een zaterdag in een bondsbijeenkomst te Winterswijk openbaar en vertelde dat de bond tot het einde van het jaar gebonden was aan de cao, maar dat hij zich kon voorstellen dat de werknemers niet aan het werk zouden gaan. De keuze om het werkgeversplan in Winterswijk openbaar te maken was geen toeval, omdat de stad met zijn hoge organisatiegraad een bolwerk van De Eendracht was. Zijn signaal werd niet misverstaan en op maandag braken stakingen uit. De werkgevers zagen snel af van hun voornemen. In hetzelfde jaar weigerden de werkgevers in de confectie de overeenkomst over het zogeheten ‘vakbondstientje’ uit te voeren, maar maakten onmiddellijk drie ton over toen De Jong een staking in Groningen aankondigde. Het congres van De Eendracht dat jaar gaf het hoofdbestuur de opdracht te streven naar één onverdeelde NVV-organisatie met een groepsgewijze decentralisatie in de districten. De Jong ontwikkelde zich tot een krachtig pleitbezorger van grotere eenheid binnen het NVV. Hij besefte dat de kleinere bonden binnen de vakcentrale niet in staat waren eigen beleid te ontwikkelen en betoogde dat de vakcentrale een betere beleidsondersteuning en beleidsontwikkeling moest opzetten. Door zijn toedoen had De Eendracht een kleine stafafdeling met een loondeskundige en een econoom. De Jong ervoer het als een nederlaag, toen NVV-voorzitter André Kloos in 1969 genoodzaakt werd het zogenoemde structuurrapport terug te nemen. Kloos wilde hiermee het NVV omvormen van een overkoepelend orgaan van bonden tot een organisatorische eenheid, maar de aangesloten bonden gaven er in meerderheid de voorkeur aan zelfstandig te blijven. Met Maarten Zondervan, voorzitter van de Metaalbedrijfsbond, sprak De Jong af om samen een fusie aan te gaan. Later sloot Willem Liefaard, voorzitter van de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale, zich bij het initiatief aan. Op 1 januari 1972 fuseerden de drie bonden tot Industriebond NVV, die onder leiding van Arie Groenevelt bekendheid kreeg en de nodige reuring bracht in de Nederlandse arbeidsverhoudingen. De Jong was vice-voorzitter tot zijn pensionering op 1 januari 1974. In de loop van zijn carrière was De Jong uitgegroeid tot een bekende en erkende persoonlijkheid in de textiel- en confectie-industrie. Ook werkgevers waardeerden hem vanwege zijn kennis van de bedrijfstak en zijn eerlijke gedrevenheid de positie van de werknemers te versterken. In 1970 hadden zij hem uitgenodigd om zijn visie op de toekomst van de bedrijfstak te geven. Volgens De Jong moest deze zich vernieuwen. Dit standpunt hield hij ook de vakbondsleden voor vanwege de consequenties die er aan vastzaten. Door moderniseren zouden er ook reorganisaties met ontslagen plaatsvinden, maar die zouden beter zijn dan bij een koude sanering. Zijn pleidooi vond echter geen gehoor.

Vanwege zijn rol in de textielindustrie werd De Jong in 1963 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In een interview uit 1993 positioneerde hij zichzelf binnen de arbeidersbeweging. ‘Ik ben geen actievoerder; ik heb gekozen voor de sociaal-democratie, die probeert stap voor stap misstanden te verwijderen.’ Doorgaans wist hij zijn emoties te beheersen, maar nog jaren na zijn pensioen kon hij zich opwinden over collega’s die begin jaren zeventig de verplaatsing van de textiel- en confectie-industrie naar ontwikkelingslanden hadden geaccepteerd. In de Industriebond NVV voelde hij zich minder thuis, naarmate hij verder weg kwam te staan van de werkvloer en minder contact had met de leden. Bovendien zat het hem dwars dat hij kort voor zijn pensioen de textiel was ‘kwijtgeraakt’ aan de jongere hoofdbestuurder Roel Knobbe. Als persoon was De Jong weinig geschikt om na zijn pensioen achter de geraniums te gaan zitten. Zijn belangstelling voor het vakbondswerk bleef en tot op hoge leeftijd was hij bestuurlijk actief in ouderenorganisaties en de gezondheidszorg.

Literatuur: 

‘Nederlandse textielindustrie kan zich onder gelijke concurrentievoorwaarden goede positie verwerven, in: Het Financieele Dagblad, 4.3.1970; ‘Textiel ging kapot aan illusie van ontwikkelingshulp’ in: Elseviers Weekblad, 5.1.1974; G. Harmsen en B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid (Nijmegen 1975) 390; G. Harmsen, J. Perry, F. van Gelder, Mensenwerk. Industriële vakbonden op weg naar eenheid (Baarn 1980) 199-201; E. Hueting, Fr. de Jong Edz., R. Neij, Naar groter eenheid (Amsterdam 1983) 309; J. Varkevisser, Th.A.J. de Jong (Amsterdam 1984; niet gepubliceerd, ter inzage bij het IISG); W. Staubach, Theo de Jong over de Tilburgse textielindustrie (Amsterdam 1993; niet gepubliceerd); D. Nas, Het Twentse model (Amsterdam 1998) 133-134; A.Th. de Jong, Eenzame Strijd, Th.A.J. de Jong “Theo”- Tilburg *1913 Amsterdam †2002 (Doorwerth 2007; niet gepubliceerd, berust bij de familie in Houten).

Portret: 

Theo de Jong, particuliere collectie A.Th. de Jong, Houten

Auteur: 
Dik Nas
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online, 2013
Laatst gewijzigd: 

2013-10-19