JUNGHUHN, Franz Wilhelm

Franz Wilhelm Junghuhn

geestelijk vader van de Nederlandse georganiseerde vrijdenkerij, is geboren te Mansfeld (Pruisen) op 26 oktober 1809 en overleden te Lembang (Priangan) op 24 april 1864. Hij was de zoon van Wilhelm Friedrich Junghuhn, chirurgijn en barbier, en Christine Marie Schiele. Op 23 januari 1850 trad hij in het huwelijk met Johanna Louisa Frederika Koch, met wie hij een zoon kreeg.
Pseudoniem: Gebroeders Dag en Nacht.

Junghuhn studeerde van 1827 tot 1831 medicijnen in Halle en Berlijn. Hij kan dan reeds als atheïst beschouwd worden. Zijn natuurstudie leidde al in de studententijd tot een wetenschappelijke publikatie over paddestoelen die hij 'eine Traumwelt der Pflanzen' noemde. Kort voor zijn afstuderen raakte hij in een duel verwikkeld. Zijn tegenstander bleef ongedeerd maar Junghuhn werd gewond. Pas na zijn benoeming tot Pruisisch legerarts werd hij alsnog vanwege het duel gearresteerd en veroordeeld tot tien jaar vestingstraf. Door krankzinnigheid voor te wenden slaagde hij er na enige tijd in Duitsland te ontvluchten. Na in het Franse vreemdelingenlegioen te Algiers gediend te hebben ging hij om gezondheidsredenen terug naar Parijs en hoorde daar dat de koning van Pruisen hem begenadigd had. Ch.H. Persoon, een bekende Nederlandse mycoloog die toen in Parijs woonde, haalde hem over legerarts in Indonesië te worden. Van 1835 tot 1848 was Junghuhn door hem gunstig gezinde superieuren in de gelegenheid in Indonesië natuuronderzoek te doen. Hij was een moeilijk en eigengereid mens die orders van boven moeilijk verdroeg. Maar weldra overtuigd van zijn grote gaven als natuurvorser liet men hem voldoende ruimte om zijn gang te kunnen gaan. Onvermoeibaar maakte hij lange reizen vol ontberingen door Java, Sumatra en Kalimantan. Hij ontpopte zich al snel als een geniaal en allround natuuronderzoeker. Zijn verplichtingen als legerarts kwam hij minimaal na. In mei 1845 werd hij benoemd tot lid van de Natuurkundige Commissie en kreeg hij tegelijk eervol ontslag als officier van gezondheid. Aan de Natuurkundige Commissie, waar de Leidse hoogleraar C.L. Blume de leiding van had, liet hij zich weinig gelegen liggen. 'Hij had een grenzelooze verachting voor de ijdelheid der Leidsche hoogleeraren, en wist dit ook zeer vaak door fijnen spot en scherpen hekel te doen blijken', aldus J.M. Sirks. Aan de Duitse botanicus Chr.G.D. Nees von Esenbeck schreef Junghuhn: 'Behalve van het onderzoek van cryptogamen maak ik bijzonder veel werk van het beschrijven van de natuur'. Het ondergaan van de grootheid van de natuur nam bij deze solitair de plaats in van de omgang met mensen. Alleen de natuur huichelde volgens hem niet. Zijn liefde verdeelde hij niet gelijkelijk over de gehele natuur. Hoewel in de eerste plaats botanicus oordeelde hij later: planten waren beter dan dieren, paddestoelen met hun ongeslachtelijke voortplanting beter dan groene gewassen, stenen nog weer beter, maar vulkanen, rechtstreeks en zonder omwegen beheerst door de oerkrachten, staan het dichtst bij de laatste waarheid. Aan de kraterrand keek men god rechtstreeks in het gezicht. Al het andere is leugen en bedrog. Junghuhn legde een grote botanische verzameling aan die F.W. Miquel grotendeels bewerkte: Plantae Junghuhnianae. Enumeratio plantarum, quas in insulae Java et Sumatra detexit Fr. Junghuhn (Leiden, Parijs 1851-1856, onvoltooid) - en publiceerde onder andere Praemissa in floram cryptogamicam Javae insulae (Batavia 1838). Ook op geologisch terrein deed hij veel onderzoek. Van zijn knappe landschapsschilderingen getuigt het vierdelige werk dat in de definitieve uitgave tot titel heeft Java, deszelfs gedaante, bekleeding en inwendige structuur (Amsterdam 1850-1854). Hij kreeg terecht de erenaam van de Alexander von Humboldt van Java. Van 1848-1855 bracht hij het om gezondheidsredenen aangevraagde verlof in Nederland (Leiden) door, al beklom hij in die jaren bestemd om uit te rusten wel de Pyreneeën, de Alpen en de Kaukasus. Ook in Nederland ging hij door met verzamelen, onder andere van lichenen. In 1850 trouwde hij met de Leidse officiersdochter Louise Koch, blijkbaar een uitzondering temidden van de 'hoovaardige xantippen'. Hoezeer Junghuhn ook een solitair was, volgens insiders was het een gelukkig huwelijk. In 1853 liet hij zich naturaliseren tot Nederlander. Met de al genoemde Blume kwam hij nu rechtstreeks in aanvaring omdat hij zijn herbarium niet onderbracht bij het Rijksherbarium dat hij te weinig toegankelijk vond, maar bij de Universiteit van Leiden. Blume nam dit hoog op en vocht deze kwestie in periodieken uit en vond daarbij de Groningse hoogleraar H.C. van Hall aan zijn zijde.

Met zijn Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java (Leiden 1854; Amsterdam 1866, vierde herziene druk) is Junghuhn de geestelijke vader van de Nederlandse georganiseerde vrijdenkerij en hieraan dankt hij zijn plaats in de socialistische arbeidersbeweging. Het boek is opgezet als een tijdens een reis op Java gevoerd gesprek tussen Dag, Morgenrood, Avondrood en Nacht. De drie eersten verwierpen de godsdienst en redeneerden wetenschappelijk, de vierde deed vergeefse pogingen het christendom te verdedigen met culturele en maatschappelijke argumenten. Het filosofisch en natuurwetenschappelijk materialisme dat Morgenrood voorstond verwierp Junghuhn. In dit boek vertolkte hij een opvatting die dicht staat bij het pantheïsme van Avondrood. De filosofische inzichten van J.W. von Goethe spraken hem zeer aan en diens Faust vergezelde hem. Het ging hem erom aan te tonen 'dat de natuur de onuitputtelijke bron van alle waarheid, de eenige goddelijke openbaring is, waaruit de mensch alle gevolgtrekkingen kan afleiden, die geschikt zijn om zijn geest en hart te veredelen en zijn verstand te oefenen, te verlichten en te volmaken'. Hij keerde zich met grote felheid tegen de invoering van het christendom in Indonesië. Dit zou de innige omgang van de bevolking met de natuur verstoren en de mensen tegen elkaar opzetten. Bovendien was het christendom in strijd met de menselijke natuur en het verlangen naar lustbeleving. Alleen de islam vond hij erger dan het christendom. Als pantheïst schreef hij: 'Ik behoor tot de hooggewelfde kerk, waarvan het dak met sterren is bezaaid'. Het boek verscheen vanaf 1854 eerst in afleveringen onder pseudoniem. De van alle kanten aangevallen uitgever Jacobus Hazenberg durfde er na de eerste aflevering niet mee door te gaan. Frans Günst, die de uitgave overnam en voortzette, was een onverschrokken man. Met enkele vrienden die voor een deel lid waren van de niet erkende onafhankelijke vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux, kwam Junghuhn op de gedachte om zijn boek na de derde aflevering als tijdschrift voort te zetten en hij bedacht hiervoor de naam De Dageraad. In de prospectus voor De Dageraad meende hij 'den eigenlijken wortel van het kwaad gevonden te hebben in de dwalingen der zoogenaamde Christelijke kerkgenootschappen of sekten, de onwaarheid der geloofsstellingen, die meer en meer van de natuur zijn afgedwaald'. Deze aantasting van het christendom veroorzaakte een stroom van laster. Zijn benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw vlak voor de verschijning van het boek zal de regering diep betreurd hebben. Enige duizenden lazen echter de afleveringen met instemming. Het eerste nummer van De Dageraad verscheen 1 oktober 1855 met als motto 'Magna est veritas et praevalebit' (De waarheid is groot en zij zal zegevieren). Ondertussen keerde Junghuhn van zijn verlof terug naar Java. Hem werd het toezicht op de prille kina-plantages in Priangan opgedragen. Hij vestigde zich met zijn vrouw in Lembang, waar ook hun zoon geboren werd. Door zijn grondige kennis van het Javaanse landschap slaagde hij erin de meest geschikte groeiplaatsen voor de kinaboom te vinden. Java werd mede dank zij Junghuhn de wereldproducent van kina, het onmisbare geneesmiddel in de strijd tegen de malaria. Al reisde en verzamelde hij nog veel, tot wetenschappelijk werk kwam hij niet meer. Zijn lichaam verzwakte dusdanig dat hij in 1864 opnieuw verlof vroeg, maar vlak voor zijn vertrek werd hem een leverabces noodlottig. Toen hij stervende was vroeg hij zijn arts J. Groneman die aan zijn bed zat: 'Wil je de ramen openzetten? Ik wil mijn geliefde bergen vaarwel zeggen, ik wil voor het laatst het oerwoud zien, ik wil de reine berglucht nog eenmaal inademen.' Zo stierf hij met uitzicht op de vulkaan Tangkuban Prahu.

Publicaties: 

De kinakultuur op Java, op het eind van het jaar 1859 (Batavia 1860); R. Nieuwenhuys e.a. (red.), Junghuhn. De onuitputtelijke natuur. Een keuze uit zijn geschriften (Amsterdam 1966); zie voor publikaties Stafleu en Cowan (Utrecht 19792) onder Literatuur.

Literatuur: 

A.W. Kroon, 'Levensschets van Franz Wilhelm Junghuhn' in: De Dageraad, augustus 1864; F. Günst, 'Levensschets van Dr. Franz Wilhelm Junghuhn' in: Licht- en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java (Amsterdam 1866); Bymholt, Geschiedenis, 28-29; De Dageraad. Geschiedenis, Herinneringen en Beschouwingen (Amsterdam 1906); M.C.P. Schmidt (red.), Franz Junghuhn. Biographische Beiträge zur hundertsten Wiederkehr seines Geburtstages (Leipzig 1909); Gedenkboek Franz Junghuhn 1809-1909. Uitgegeven door de Junghuhn-Commissie bij de 100e herdenking van zijn geboortedag (Den Haag 1910); M.J. Sirks, Indisch Natuuronderzoek (Amsterdam 1915); O. Noordenbos, Het atheïsme in Nederland in de negentiende eeuw; een kritisch overzicht (Rotterdam 1931); P. van Leersum, 'Junghuhn and cinchona cultivation' in: P. Honig, F. Verdoorn (red.), Science and scientists in the Netherland Indies (z.pl. 1945); C.W. Wormser, Franz Junghuhn (Deventer 19462); P. Spigt in: De Vrijdenker, 24.4.1954 (opgenomen in: P. Spigt, Raddraaiers der redelijkheid. Portretten van vrijdenkers (Nijmegen 1976); P. van 't Veer, Geen blad voor de mond. Vijf radicalen uit de negentiende eeuw (Amsterdam 1958) 54-100; F.A. Stafleu, R.S. Cowan, Taxonomic literature. A selective guide to botanical publications and collections with dates, commentaries and types (Utrecht 19792) deel II, 471-473; R. Nieuwenhuys, F. Jacquet (red.), F.W. Junghuhn. Java's onuitputtelijke natuur. Reisverhalen, tekeningen en fotografieën van Franz Willem Junghuhn (Alphen aan den Rijn 1980); G. Harmsen, Natuurbeleving en arbeidersbeweging (Amsterdam 1992); G. Harmsen, Passie voor mossen (Utrecht 1998); S. Thissen, De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907) (Den Haag 2000).

Portret: 

Franz Wilhelm Junghuhn (1860), IISG

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 102-105
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003