KAULBACH, Anna Maria

Anna Maria (van Gogh-) Kaulbach

(bekend als Anna van Gogh-Kaulbach), sociaal-democratisch schrijfster en vertaalster met later communistische sympathieën, is geboren te Velsen op 31 december 1869 en overleden te Haarlem op 28 januari 1960. Zij was de dochter van Franz Ludwig Eduard Kaulbach, arts, en Helena Maria Cornelia van Reijn. Op 30 augustus 1899 trad zij in het huwelijk met Willem Jacob van Gogh, bloembollenkweker in Lisse, daarna kunsthandelaar in Arnhem, met wie zij twee dochters en drie zoons kreeg.
Pseudoniemen: Erna, Mac Peter, Wata, Wilhelmina Reijnbach.

Na de lagere meisjesschool in Beverwijk bezocht Van Gogh-Kaulbach de meisjes-Hoogere Burger School te Haarlem. Na haar schoolexamen verzorgde zij haar blind geworden moeder. Ferdinand Domela Nieuwenhuis, dominee te Beverwijk, behoorde tot de kennissenkring van het gezin Kaulbach. Uit haar vroege jeugd herinnerde Van Gogh-Kaulbach zich op het eind van haar leven vooral Domela's 'hond, een New Foundlander, waar ik op mocht zitten'. Het werkelijke contact met het socialisme kwam pas later, na de kennismaking met haar toekomstige echtgenoot, een neef van Vincent van Gogh. Samen met hem werd zij meteen na de oprichting in 1894 lid van de SDAP. Hoewel zij met haar echtgenoot enkele SDAP-congressen bezocht, liet zij het partijpolitieke werk aan hem over. Zelf was zij intussen met verhaaldebuten onder pseudoniem in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift en Nederland (1892) begonnen aan een literaire carrière die werd gekenmerkt door een gestage en grote produktiviteit. Van Gogh-Kaulbach publiceerde in boekvorm ruim honderd romans, toneelstukken, verhalen, kinderboeken, reis-verslagen en vertalingen (van werk van H. de Balzac, H. Barbusse, Ch. Dickens, F.M. Dostojevski, J. London, R. Rolland, B. von Suttner, E. Zahn en anderen). Daarnaast was zij redactrice van het Weekblad voor de jeugd (1910 - 1915), de Scheurkalender Morgengroeten (1915 - 1918) en de Letterkundige Kalender (1927 - 1931), schreef zij vanaf 1913 toneelkritieken voor het Haarlemsch Dagblad en vanaf 1923 artikelen (onder meer over bedrijven) voor de Dames-Kroniek. Ook schreef, bewerkte en vertaalde zij vanaf de jaren dertig hoorspelen. Het volgens Herman Robbers 'realistisch-psychologische' werk van Van Gogh-Kaulbach is van de eerste romans Albert Overberg (Dordrecht 1894) en Otto van Lansveldt (Dordrecht 1895) tot en met de laatste, Zomerland (Amsterdam 1953), te kenmerken als 'tendensliteratuur'. 'In mijn werk trachtte ik de socialistische gedachte uit te dragen', constateerde zij in 1955. Dat gebeurde bij Van Gogh Kaulbach niet alleen in boeken met het thema 'het socialisme', zoals Albert Overberg, Otto van Lansveldt, Levensdoel (Amsterdam 1899) en Tragedie (Amsterdam 1901), maar ook met onderwerpen als armoede (Rika, Haarlem 1905), werkende vrouw/moeder/carrière (Moeder, Amsterdam 1908, en Het brandende hart, Amsterdam 1927, 'nog het meest een spiegel van mijn leven'), parapsychologie en mystiek (De vreemde vogel, Amsterdam 1932, Goddelijk avontuur, Amsterdam 1933, Schaduwkinderen, Leiden 1935 en Frank en de dood, Naarden 1940) en het antifascistische verzet (Zomerland, Amsterdam 1953). De persoonlijke affiniteit met het onderwerp lijkt de rode draad in Van Gogh-Kaulbachs werk, dat in het begin stilistisch onder invloed stond van de Tachtigers en zich later daar steeds meer van verwijderde.

Ondanks het lidmaatschap in 1919 van de Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectueelen betekende 'het socialisme' tot het begin van de jaren dertig voor Van Gogh-Kaulbach de sociaal-democratie van de SDAP. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog verschoof haar sympathie - waarschijnlijk omdat zij zich daar met haar pacifistische en anti-nationaal-socialistische houding meer thuis voelde - in de richting van de Communistische Partij in Nederland (CPN), wat tot het einde van haar leven zo zou blijven. Van een partijlidmaatschap is niets bekend, zij beperkte zich tot het ondertekenen van oproepen (maar ook van niet-communistische organisaties), het plaats nemen in het Comité van Aanbeveling van het Centraal Wuppertal Comité, dat steun probeerde te geven aan vervolgden in Nazi-Duitsland, en het zich aansluiten bij het Kunstenaars-Centrum voor Geestelijke Weerbaarheid. Aan het Amsterdamse congres van het Kunstenaars-Centrum in 1936 nam zij deel. In 1937 schreef zij een voorwoord bij een Multatuli-bloemlezing die CPN-uitgeverij Pegasus uitgaf. Tijdens de Duitse bezetting sloot zij zich niet aan bij de Kultuurkamer en bood zij onderdak aan een aantal mensen, onder wie Leendert en Brecht van den Muijzenberg. Na 1945 zag men 'haar naam nog al eens bij de sympathiserenden met het communisme', aldus Het Parool in 1949. Zij leende haar naam aan allerlei oproepen, onder meer van de CPN, het Comité voor de viering van de Internationale Vrouwendag en ten gunste van de vrede. Van Gogh-Kaulbach was lid van de Nederlandse Vredesraad en erevoorzitster van de Nederlandse Vrouwenbeweging (NVB). In het NVB-orgaan Vrouwen voor vrede en opbouw maakte zij in een nieuwjaarswens voor 1956 duidelijk wat de leidraad zeker van haar laatste levensjaren was: 'dat wij nader mogen komen tot een wezenlijke Vrede'.

Archief: 

Collectie A. van Gogh-Kaulbach in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Het rijke leven (Amsterdam 1897); Mammon (Amsterdam 1902); Jeugd (Amsterdam 1903); Kleine menschen (Amsterdam 1907); Getijden (Amsterdam 1910, 2 delen); Eigen haard (Amsterdam 1910); Voor twee levens (Amsterdam 1911); Fortuna (Amsterdam 1912); Impromptu's (Amsterdam 1912); De sterkste (Amsterdam 1913); Het licht van binnen (Amsterdam 1913, 2 delen); Opgang (Amsterdam 1914); Binnen de muren (Amsterdam 1915, 2 delen); De schuld (Amsterdam 1915); De droom (Amsterdam 1916); Op de kentering (Amsterdam 1916, 2 delen); Offers (Amsterdam 1916); De liefde die overwint (Amsterdam 1918, 2 delen); Jet-Lie (Amsterdam 1918, 2 delen); De hooge toren (Amsterdam 1920); Lenie ten Heuvel (Amsterdam 1920-1922, 3 delen); Moed (Amsterdam 1921); De zusters (Amsterdam 1921); Op den drempel vol geheim (Amsterdam 1922, 2 delen); Scheidingslijnen (Amsterdam 1923); Vergeef ons onze schuld (Amsterdam 1924, 2 delen); Op den rand (Amsterdam 1924); Het lichtend verschiet (Amsterdam 1925); Het onmisbare (Amsterdam 1926); De verborgen kracht (Amsterdam 1928); 'Zie, hier ben ik' (Zaandijk 1929); Als iedere vrouw eens wist... (Den Haag 1929); Menschen in 't huwelijk (Amsterdam 1931); Wij zoeken (Leiden 1934); Terwege en zonen (Amsterdam 1934); Menschen van deze tijd (Amsterdam 1936); Spel van vier (Amsterdam 1937); Toon Dintel (Amsterdam 1947); De broeders (Amsterdam 1951).

Literatuur: 

A. Romein-Verschoor, De Nederlandsche romanschrijfster na 1880 (Leiden 1935, in 1936 en 1977 herdrukt als Vrouwenspiegel) 47-50; O. Six, Leven en werken van Anna van Gogh-Kaulbach (Gent 1949-1950, dissertatie); M.C. Schröder-Van Gogh, 'Anna van Gogh-Kaulbach' in: Het Salamanderboek (Amsterdam 1938); W.K., 'Anna van Gogh-Kaulbach 90 jaar' in: De Waarheid, 31.12.1959; 'Anna van Gogh-Kaulbach' in: Baanbreeksters (Amsterdam 1960) 129-132; M. Schmitz, 'A. van Gogh-Kaulbach' in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1961-1962, 100-107; 'Een schrijfster: Anna van Gogh-Kaulbach' in: Vrouwen op de bres. Drie kunstenaressen rond 1900 (Den Haag 1980) 12-17; A. Meinderts, A. Smid, "Zo'n vrouw-figuur kan in onze letteren niet meer vergeten worden". Anna van Gogh-Kaulbach (1869-1960)' in: Juffrouw Ida, 1990/3, 20-26.

Portret: 

A.M. Kaulbach, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag)

Auteur: 
Jan Gielkens
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 148-151
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992