KEPPLER, Arie

Arie Keppler

sociaal-democratisch pionier op het gebied van de woningbouw en directeur Gemeentelijke Woningdienst Amsterdam, is geboren te Amsterdam op 15 oktober 1876 en aldaar overleden op 3 april 1941. Hij was de zoon van Johann Georg Keppler, zakenman, en Antonia Hendrika Keppler. Op 27 mei 1909 trad hij in het huwelijk met Josina Berdenis van Berlekom, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: Diopter, Scrutator.

Keppler stamde af van een Duitse lutherse familie uit Württemberg. Zijn overgrootvader vestigde zich tijdens de napoleontische tijd als bakker in Amsterdam. Zijn grootvader trok naar Parijs om voor kok te leren en begon terug in Amsterdam een gerenommeerd restaurant aan de Keizersgracht. Kepplers vader, die gehuwd was met een van zijn nichten, kwam in de zaak maar ging spoedig rentenieren. Toen Keppler vier jaar was kwam zijn vader, die brandmeester was, om bij een brand. Het gezin, dat nu behalve Keppler alleen uit vrouwen bestond, was redelijk welgesteld en ook Keppler was zijn leven lang financieel onafhankelijk. Na de Hoogere Burger School ging hij niet het zakenleven in, zoals men van hem verwachtte, maar koos hij voor een opleiding aan de Polytechnische School in Delft. Hier kreeg hij contact met professor B.H. Pekelharing, die hij later zijn 'leermeester' zou noemen. Door hem kwam hij, zoals veel Delftse studenten uit die tijd, tot het socialisme. In 1903 studeerde hij af als civiel ingenieur en na een verblijf van enige maanden in Duitsland, waar hij zich schoolde op het gebied van de waterzuivering, trad hij in dienst bij de Centrale Gezondheidsraad. In die tijd publiceerde hij onder het pseudoniem Scrutator regelmatig in het weekblad De Kroniek van P.L. Tak, onder andere over het slechte functioneren van de gezondheidsraad ('Iets over het staatstoezicht op de volksgezondheid', 10.12.1904 en 29.4.1905). H.H. van Kol nam in de Tweede Kamer Kepplers kritiek over. Nadat hij vertrokken was bij de Centrale Gezondheidsraad publiceerde hij nog in twee deeltjes Het staatstoezicht op de volksgezondheid (Rotterdam 1906-1907; de eerste brochure verscheen onder het pseudoniem Diopter, de tweede vermeldde onder het pseudoniem zijn eigen naam). Keppler behoorde in 1904 tot de oprichters van de Sociaal-Technische Vereeniging van Democratische Ingenieurs en Architecten (STV), die de socialistische beweging binnen de ingenieurswereld organiseerde en beschouwd kan worden als een voortzetting van de socialistische studentenbeweging in Delft. Hij maakte deel uit van het bestuur van 1908 tot 1919, eerst als bibliothecaris en van 1911 tot 1918 als penningmeester. De kern van de STV bestond uit de jonge generatie ingenieurs die was afgestudeerd tussen ongeveer 1900 en 1910. Vier van de vijfbestuursleden werkten in 1912 bij gemeenten: J.W. Albarda, P. Bakker Schut, J. van Hettinga Tromp en Keppler zelf. De STV streefde in de eerste plaats naar het bevorderen van de volkswelvaart ('voornamelijk waar deze beïnvloed wordt door maatregelen op technisch gebied'), onder andere door een goede volkshuisvesting. Keppler speelde daarbij een belangrijke rol, zoals uit verscheidene publikaties van de STV blijkt. Hij was lid van het bestuur van de vereniging De Arbeiderswoning, die door de Amsterdamse afdeling van de STV was opgericht. Ook was hij nauw betrokken bij het Centraal Informatiebureau van de Vereeniging van Sociaal-Democratische Raadsleden, waarin F.M Wibaut een van de centrale figuren was. In De Gemeente, het maandblad van deze vereniging, publiceerde hij vanaf de oprichting in 1907 regelmatig. In zijn artikel 'De City-Manager' (6.9.1923) uitte hij zijn afkeer van de partijpolitiek en stelde hij voor het zuiver beheer van de gemeente niet langer aan partij gebonden wethouders op te dragen maar aan bekwame ambtenaren. Kepplers relatie met de zeventien jaar oudere Wibaut werd hechter door zijn huwelijk in 1909 met Josina Berdenis van Berlekom (1878-1984), die als jongste zuster van Mathilde, de echtgenote van Wibaut, al vroeg in contact was gekomen met bekende socialisten uit binnen- en buitenland. Nadat ze in 1904 lid was geworden van de SDAP declameerde ze op vergaderingen en bijeenkomsten gedichten van onder meer C.S. Adama van Scheltema, H. Gorter en H. Roland Holst. Ze begeleidde spreekkoren en gaf spreekcursussen voor vrouwen.

Op 8 december 1905 trad Keppler als volontair in dienst bij de afdeling Bouwen Woningtoezicht (BWT) van de gemeente Amsterdam. Aanvankelijk voelde burgemeester W.F. van Leeuwen er niet veel voor om de socialist Keppler, die de reputatie had dat hij geen blad voor de mond nam, in dienst te nemen. Op voorspraak van de directeur van BWT, J.W.C. Tellegen (ook een leerling van Pekelharing), bedacht hij zich maar verbood Keppler zijn ingenieurstitel te gebruiken. Na drie jaar werd Keppler in vaste dienst aangenomen. Als inspecteur was hij belast met het woningtoezicht, terwijl hij tevens de schakel vormde tussen de gemeente en de woningbouwverenigingen. In 1915 werd Tellegen burgemeester van Amsterdam, zodat diens post als directeur van BWT vrijkwam. Keppler ambieerde deze functie, maar zowel de wethouder van volkshuisvesting Wibaut als Tellegen twijfelden op dat moment aan zijn geschiktheid. Keppler stelde nu zelf voor om de dienst op te splitsen en een afzonderlijke Gemeentelijke Woningdienst op te richten. Het voorstel om Keppler te benoemen tot directeur van deze nieuwe dienst werd in de gemeenteraad met 26 stemmen vóór en 11 onthoudingen aangenomen. Door sommigen werd de benoeming als nepotisme gezien. Bij de aarzelingen speelde zeker ook mee dat Keppler als socialist tegenstander van particuliere woningbouw was. Burgemeester Tellegen roemde echter de werklust en motivatie van Keppler. Nu deze de kans kreeg om zijn ideaal - een menswaardige woning voor elke arbeider - te realiseren liet hij zich door niets of niemand weerhouden. Zijn inzet en motivatie waren onstuitbaar en zijn werklust en energie moeilijk te evenaren. Keppler had aandacht voor elke kwetsbare groep in de samenleving en zorgde voor huisvesting voor bejaarden, alleenstaanden, mensen met de laagste inkomens en de groep die als onmaatschappelijk bekend stond. In Amsterdam stichtte hij een aantal tuinsteden. De huren van de gemeentewoningen waren laag, doordat zowel de gemeente als het rijk een gedeelte bij legden. Volgens socialistisch beginsel waren in de tuindorpen kerken en cafés taboe. Keppler en de zijnen vonden badhuizen en recreatiemogelijkheden belangrijker. Keppler was een van de meest gedreven woonhervormers van zijn tijden was betrokken bij veel activiteiten op dat gebied. Hij speelde een rol bij de oprichting van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw, waarvan hij tot aan zijn dood bestuurslid was. Hij droeg de woningbouwverenigingen een warm hart toe en hielp hen met hun contacten met de ambtelijke wereld. Zo kwamen in de begintijd van de woningbouwvereniging Rochdale de onervaren arbeiders op zondagmorgen bij hem thuis vergaderen. Hij was gemeentelijk commissaris voor alle woningbouwverenigingen. Hij wees de architecten aan voor woningbouwprojecten en werd zo de stimulator van de Amsterdamse School. Ook internationaal was Keppler een bekende persoonlijkheid. Op vrijwel elk congres over volkshuisvesting was hij aanwezig en hield hij lezingen. Amsterdam stond internationaal bekend vanwege zijn voortrekkersrol op het gebied van de volkshuisvesting. Vele belangstellenden kwamen de nieuwe woonwijken bezichtigen. Tussen de Woningdienst en de dienst Publieke Werken was de verhouding vanaf het begin gespannen, omdat de taken van beide diensten niet duidelijk omschreven waren. Dit zorgde soms voor een aanzienlijke vertraging in de woningbouw. Keppler hield zijn onvrede over de situatie niet voor zich maar uitte deze van tijd tot tijd in het openbaar, hetgeen irritatie wekte. De oppositie in de gemeenteraad drong herhaaldelijk aan op zijn aftreden. Daar kwam nog bij dat Keppler op 11 november 1918, de dag waarop de Eerste Wereldoorlog met een wapenstilstand eindigde, onbekend met het feit dat P.J. Troelstra zijn revolutiepoging zou doen, onder zijn ambtenaren een brief verspreidde, de zogenaamde 'revolutiecirculaire', waarin hij een 'nieuw, edeler tijdperk' aankondigde: 'De Gemeenschap rekent op Uw werkkracht en toewijding. Ik wensch U allen in dat tijdvak meer levensblijheid en minder zorgen toe.' De circulaire viel verkeerd bij de Anti-Revolutionaire Partij in de gemeenteraad. Burgemeester Tellegen verzocht hem om, wanneer hij nog eens een circulaire van persoonlijke strekking wilde verspreiden, eerst advies te vragen. Toen Keppler zich in 1921 geringschattend uitliet over particuliere bouwers verdedigde S.R. de Miranda, die Wibaut als wethouder was opgevolgd, hem: 'De directeur is een lastig man, maar ook een geniaal man; zelfs ver buiten de grenzen wordt hij zeer gewaardeerd. Van iemand met zoo groote bekwaamheden verdraagt men wel eens wat.' Keppler werkte in 1923 mee aan de tentoonstelling over 'Massa-woningbouw' die door de vereniging Kunst aan het Volk in het Stedelijk Museum van Amsterdam werd georganiseerd. Tevens maakte hij deel uit van de commissie voor een prijsvraag over straatverlichting. Als dank hiervoor benoemde Kunst aan het Volk, waar tentoonstellingen een steeds belangrijkere rol ging spelen, hem tot erelid. Het jaar daarna werd hij voorzitter als opvolger van W.A. Bonger. In 1928 werd de afdeling Stadsonwikkeling in het leven geroepen en ondergebracht bij Publieke Werken. Tot haar taak behoorde onder meer de zorg voor het stadsschoon en het ontwerpen van uitbreidingsplannen. Het waren juist deze zaken waaraan Keppler veel aandacht besteedde.

Vanaf 1928 nam Kepplers invloed af en werd hij minder dan vroeger bij belangrijke beslissingen betrokken. In die tijd verslechterde ook de verstandhouding met De Miranda. In 1936 besloten Burgemeester en Wethouders van Amsterdam om als eenmalige bezuinigingsmaatregel alle ambtenaren die zestig jaar zouden worden te ontslaan en voor wachtgeld voor te dragen. Keppler en ook de andere directeuren van dienst gingen ervan uit dat deze regeling niet voor hen zou gelden, maar de raad besliste anders. Keppler voelde niets voor vervroegd pensioen en protesteerde hevig. De relatie met De Miranda bekoelde tot onder het nulpunt. Toen Keppler in juli 1937 werd gepensioneerd was hij al een paar maanden ziek. Hij raakte verbitterd en vier jaar later overleed hij. De betekenis van Keppler voor de volkshuisvesting van Amsterdam is groot geweest. Onder zijn bewind werden oude buurten gesaneerd en werden er 11.000 gemeentewoningen en 20.700 verenigingswoningen gebouwd. De zo geroemde 'gordel '20-'40' is er het tastbare bewijs van. Keppler was omstreden vanwege zijn intensieve betrokkenheid bij de heropvoeding van 'ontoelaatbare gezinnen', die in speciaal gebouwde buurten Asterdorp en Zeeburgerdorp werden gehuisvest. Ter herinnering aan Keppler werd op 20 september 1955 een plaquette in het gebouw van de Gemeentelijke Woningdienst onthuld. ln 1956 werd de eerste steen gelegd van het Arie Kepplerhuis van Zomers Buiten en in 1991 werd bij de voltooiing van de renovatie van Betondorp door de PvdA-afdeling Watergraafsmeer een gedenksteen aangeboden met de tekst: 'Zonder zijn inzet zou Betondorp niet tot stand zijn gekomen'.

Archief: 

Archief Keppler in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 285).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Woningtoestanden in Nederland (Rotterdam 1906); Medische en technische hygiënisten (overdruk uit De Ingenieur, 1908); Over slaapnissen (overdruk uit De Bouwwereld, 1909); De wijziging van de Gezondheidswet (overdruk uit De Ingenieur, 1910); Die Fortschritte des Wohnungswesen während der letzten fünf Jahre (Wenen 1910); Gemeentelijke woningbouw (Amsterdam 1913); 'Het woning-vraagstuk' in: Socialistische gemeentepolitiek. Een verzameling van bijdragen betreffende de sociaal-democratische opvatting omtrent de taak der gemeente besturen (Amsterdam 1914) 117-129; Het bouwgilde. Verslag van een onderzoek in Engeland (Amsterdam 1920); Het technisch woningonderzoek en de systematische perceel-beschrijving van Amsterdam. Inleiding (Amsterdam 1920); (met H.P. Berlage, W. Kromhout e.a.) Arbeiderswoningen in Nederland. Vijftig met rijkssteun, onder leiding van architecten uitgevoerde plannen met de financiëele gegevens (Rotterdam 1921); 'De city-manager' in: De Gemeente, 1923, 121-123; 'De ervaring met Tuindorp Oostzaan' in: Tijdschrift voor volkshuisvesting en stedebouw, 1924, 53-59; Nota betreffende het schemaplan voor Groot-Amsterdam (Amsterdam 1924); (met F.M. Wibaut) De gemeente en de volkshuisvesting (Amsterdam 1924); 'De verbetering der volkshuisvesting te Amsterdam' in: De Ingenieur, 1925, 699-703; Plan van uitbreiding van de overzijde van het IJ (Amsterdam 1926); Verkeerswegen van Amsterdam in oostelijke richting (Amsterdam 1926); De woning- en gezinstelling gehouden in october 1925, 2 delen (Amsterdam 1926-1927); De toekomstige uitbreiding van Amsterdam (overdruk uit de Handelingen van het XXIe Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres op 19, 20 en 21 april te Amsterdam); De huisvesting van asociale gezinnen te Amsterdam (Amsterdam 1929); 'Praeadvies over de sociale zijde van het woningvraagstuk' in: Tijdschrift voor volkshuisvesting en stedebouw, 1929, 206-209; Nota naar aanleiding van de beschouwingen van den hoofdinspecteur voor de volksgezondheid (volkshuisvesting) inzake het verslag der gezinstelling te Amsterdam (Amsterdam z.j.).

Literatuur: 

In memoriam Ir. Arie Keppler' in: Tijdschrift voor volkshuisvesting en stedebouw, 1941, april, 65-66; Rochdale 50 jaar. 12 mei 1903 - 12 mei 1953 (Amsterdam 1953); E. Ottens, Ik moet naar een kleinere woning uitzien want mijn gezin wordt te groot. 125 jaar sociale woningbouw in Amsterdam (Amsterdam 1975); R. Roegholt, Amsterdam in de 20e eeuw I (Utrecht 1976) 17-25; H. Searing, 'With red flags flying: Housing in Amsterdam 1915-1923' in: H.A. Millon, L. Nochlin (red.), Art and architecture in the service of politics (Cambridge 1978) 230-269; H. Lintsen, 'De Delftse Polytechnische School als bakermat van socialisme 1900-1925' in: Het tweede jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam 1980) 81-109; T. Jansen, J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-1940. Dr. E. Boekman en de socialistische gemeentepolitiek (Nijmegen 1983); A. de Regt, Arbeidersgezinnen en beschavingsarbeid. Ontwikkelingen in Nederland 1870-1940 (Meppel 1984); A. Dercksen, L. Verplanke, Geschiedenis van de onmaatschappelijkheidsbestrijding in Nederland 1914-1970 (Meppel 1987); S. Snelders, 'Het heilig ideaal: de verbetering der volkshuisvesting. Arie Keppler en de woningpolitiek van de SDAP in Amsterdam' in: TvSG, 1989, augustus, 245-273; W. Swart, Van sinaasappelkistje tot kangoeroe-woning. Het Amsterdam-Noord van Arie Keppler (Amsterdam 1992); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); F. Smit, Arie Keppler. Woninghervormer in hart en nieren (Bussum 2001).

Portret: 

A. Keppler (tekening P.H. Hamers, 1930), IISG

Auteur: 
Mies Campfens, Wil Swart
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 119-123
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003