KLOMPÉ, Margaretha Albertina Maria

Marga Klompé

(roepnaam: Marga), katholiek politica en eerste vrouwelijke minister in Nederland (voor maatschappelijk werk), is geboren te Arnhem op 16 augustus 1912 en overleden te Den Haag op 28 oktober 1986. Zij was de dochter van Joannes Petrus Maria Klompé, fabrikant van postpapier, en Ursula Maria Josepha Aloijsia Verdang. 

Klompé groeide met drie zusjes en een broertje op in een katholiek gezin. Aanvankelijk was het gezin welvarend en behoorde het tot de sociale bovenlaag van Arnhem, maar toen haar vader rond 1930 ernstig ziek werd, vielen de inkomsten weg. De van oorsprong Duitse moeder was een trotse vrouw, die weigerde voor materiële ondersteuning naar de katholieke armenzorg te gaan. Met steun van haar familie zette zij een kosthuis voor jonge meisjes op. Ze vond het een erezaak haar kinderen te laten doorleren. Klompé doorliep de nieuwe katholieke Hogere Burgerschool (HBS-B) in Arnhem en studeerde vanaf 1929 aan de Rijksuniversiteit Utrecht natuur- en scheikunde. De studie leidde tot een geloofscrisis, die haar tenslotte terugbracht bij het katholicisme. Na het behalen van haar kandidaatsexamen in 1932 gaf ze, om aan het gezinsinkomen bij te dragen, naast haar studie scheikundeles aan het meisjeslyceum Mater Dei in Nijmegen. Ze bleek een begenadigd lerares en bleef uiteindelijk tot juli 1949 aan deze school verbonden. In 1937 behaalde zij haar doctoraalbul en begon aan haar promotieonderzoek. In 1941 promoveerde zij in Utrecht in de wis- en natuurwetenschappen bij de chemicus Hugo Kruijt. In 1942 deed zij een aanvullend doctoraalexamen natuurkunde en begon zij, met de bedoeling huisarts te worden, aan de studie geneeskunde, maar moest deze afbreken toen veruit de meeste studenten weigerden de verlangde loyaliteitsverklaring te geven om tewerkstelling in Duitsland te voorkomen.

Bij de Duitse overval op Nederland in mei 1940 was Klompé als lid van de Vrouwelijke Vrijwilligers Hulp in Arnhem betrokken bij hulpverlening aan gewonden op de Grebbeberg. Zij werd lid van de overkoepelende en aanvankelijk illegale Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers (UVV) en was hiervan tussen 1943 en 1953 vicepresidente. Door haar werk als persoonlijk koerierster (onder de schuilnaam Dr. Meerbergen) voor aartsbisschop Johannes de Jong, die het verzet van de kerk tegen de Duitse bezetter leidde, kreeg ze contacten in de hoogste kerkelijke kringen, maar later ook met de sociaaldemocraat Willem Drees, toen lid van het College van Vertrouwensmannen. Zij hielp het Rode Kruis bij de evacuatie van de Arnhemse bevolking in september 1944 als gevolg van de geallieerde luchtlandingen en bleef actief in het verzet onder de schuilnaam Truus van Aken. Zij dook onder in Otterlo en was na de bevrijding van Arnhem in april 1945 betrokken bij het werk van het Rode Kruis en de UVV om de verwoeste stad weer bewoonbaar te maken. Na de oorlog eerde het Rode Kruis haar met het Gouden Kruis van Verdienste, de hoogste onderscheiding. Klompé breidde haar netwerk onder vooraanstaande vrouwen uit door deelname aan het in het laatste oorlogsjaar opgerichte Nederlandse Vrouwen Comité (NVC), dat na de oorlog zou uitgroeien tot een voor de regering belangrijk adviesorgaan voor vrouwenzaken. Verzetsstrijdster en NVC-presidente Marie Anne Tellegen, die na de oorlog als directeur van het Kabinet van de Koningin een schakelfunctie tussen staatshoofd en regering zou vervullen, werd een goede vriendin. Het NVC wilde niet langer uitgaan van de vooroorlogse 'hokjesgeest', waarbij ook vrouwenorganisaties gescheiden opereerden volgens de zuil waartoe ze behoorden. Klompé sloot zich aan bij de in mei 1945 opgerichte Nederlandse Volksbeweging, die op christelijk-humanistische leest was geschoeid en eveneens uitging van de doorbraakgedachte. Ze overwoog toe te treden tot de in februari 1946 opgerichte Partij van de Arbeid (PvdA), maar de socialistische traditie vormde voor haar een belemmering lid te worden. Zij trad toe tot de Katholieke Volks Partij (KVP), die zich uitsprak voor herstel en behoud van de katholieke zuil maar meer openstond voor samenwerking met sociaaldemocraten dan de Rooms-Katholieke Staatspartij en zich als christelijk-vooruitstrevend presenteerde. 

Klompé werd actief in de katholieke vrouwenbeweging. In september 1946 was ze medeoprichtster van het Katholiek Vrouwen Dispuut, dat ernaar streefde hoogopgeleide katholieke vrouwen op de KVP-kandidatenlijst voor de Tweede Kamer te krijgen. Dit streven paste in een situatie waarin vrouwen al decennia kiesrecht hadden en zich bovendien tijdens de oorlog actief hadden betoond in het verzet. Het sloot tevens aan bij ongehuwde vrouwelijke katholieke leken, die al vóór de oorlog naar manieren hadden gezocht om maatschappelijk actief te zijn op basis van hun geloofsidentiteit. Het Dispuut was beïnvloed door de pauselijke oproep uit 1945 tot een actieve rol van (ongehuwde) katholieke vrouwen. Het Dispuut zou uiteindelijk circa honderd leden tellen met Klompé als eerste presidente (1946-1948). In dezelfde periode was zij secretaresse van het Landelijk Centrum der R.K. Vrouwenbeweging. Door toedoen van Tellegen kreeg Klompé in 1947 voor het Landelijk Centrum een plaats in de Nederlandse delegatie naar de Tweede Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (VN) in Lake Success bij New York. Onder de indruk van haar goed geïnformeerde optreden drongen mededelegatieleden en KVP-prominenten Leo Beaufort en Emanuel Sassen er bij haar op aan zich kandidaat te stellen voor de verkiezingen van 1948. Door hen kwam ze ook in het blikveld van KVP-fractieleider Carl Romme. 

Klompé was ambivalent over het Kamerlidmaatschap en ging akkoord met een onverkiesbare plaats op de kandidatenlijst. In augustus 1948 kwam zij toch in de Tweede Kamer, toen Sassen minister van Buitenlandse Zaken werd in het eerste kabinet-Drees en zij zijn zetel innam. Zij was één van vijf vrouwen op honderd Kamerleden. Twee van hen, Corrie Tendeloo (PvdA) en Christine Wttewaall van Stoetwegen (Christelijk-Historische Unie), hadden eveneens een universitaire opleiding. Klompé kon goed overweg met Romme. Tussen beiden ontwikkelde zich een drukke correspondentie. Klompé past in het beeld van vrouwelijke politici, die hun loopbaan behalve aan eigen kwaliteiten mede te danken hebben aan een in een masculiene omgeving invloedrijke beschermheer. Ze ontplooide zich in de Kamer op twee terreinen, buitenlandse politiek en maatschappelijk werk (vanaf 1952, toen zij werd herkozen). Romme had meer affiniteit met binnenlandse dan buitenlandse politiek en liet dit laatste graag aan haar over. Op haar beurt liet Klompé zich inspireren door Romme en zou zij haar streven om 'instrument' van god te willen zijn aan hem hebben ontleend. Naarmate de tijd vorderde liet Romme zich meer aan haar standpunten gelegen liggen. Hij was geen gemakkelijke man. Des te opmerkelijker is het dat hun politieke relatie goed bleef, hoewel zij soms openlijk van mening verschilden, zoals bij de kwestie van betaalde arbeid door gehuwde ambtenaressen. Romme had zich al vóór de oorlog hiertegen verzet en hield vast aan zijn standpunt. In september 1955 interpelleerde Tendeloo minister Louis Beel van Binnenlandse Zaken over de positie van huwende en gehuwde ambtenaressen. Het debat eindigde met een motie waarin een arbeidsverbod voor gehuwde ambtenaressen met steun van alle negen vrouwelijke Kamerleden werd verworpen met 46 tegen 44 stemmen.

In 1948 was Klompé, als Kamerlid en namens het Landelijk Centrum, opnieuw lid van de Nederlandse delegatie naar de Algemene Vergadering van de VN in Parijs, waar ze actief was in de Derde Commissie, die zich bezighoudt met sociale, humanitaire en culturele zaken en in dat jaar de Verklaring van de Rechten van de Mens formuleerde. Ze woonde hierna de Algemene Vergaderingen van de VN bij tot 1952. Van augustus 1949 tot september 1950 was zij plaatsvervangend lid van de Raadgevende Vergadering van de nieuw opgerichte Raad van Europa in Straatsburg, aanvankelijk als enige vrouw. Van september 1952 tot maart 1953 was zij lid van de Ad hoc Assemblee die het Europees Statuut van de Raad van Europa voorbereidde en van januari 1953 tot december 1954 was zij opnieuw lid van de Raadgevende Vergadering en daarna nog een keer plaatsvervangend lid (van juli 1955 tot oktober 1956). Van september 1952 tot oktober 1956 was zij ook lid van de Gemeenschappelijke Vergadering van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS). In beide internationale organisaties, de Raad van Europa en de EGKS, deed ze veel commissiewerk en behoorde zij tot de parlementariërs die Europese integratie belangrijk vonden. Door de aandacht van de pers voor Europese zaken werd Klompé in Nederland bekend. Als Kamerlid viel zij op door haar grote kennis van zaken, haar ijver en haar verdiensten als spreekster. Zij was populair in haar partij. In 1952 was ze lijstaanvoerder voor de kieskring Arnhem-Nijmegen bij de Kamerverkiezingen. Over het algemeen weken haar standpunten niet of nauwelijks af van die van de KVP-fractie, maar zij was geschokt door het Mandement van de bisschoppen in 1954, waarin deze het PvdA-lidmaatschap ontraadden en dat van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen en de omroepvereniging VARA verboden, en deelde haar ongenoegen met andere katholieke intellectuelen. 

In oktober 1956 werd Klompé minister van Maatschappelijk Werk in het vierde rooms-rode kabinet-Drees, dat kampte met oplopende spanningen tussen KVP en PvdA en in december 1958 ten val kwam. Liever had zij Buitenlandse Zaken gehad, maar dat departement vond men toen niet geschikt voor een vrouw. Klompé was de eerste vrouwelijke minister in Nederland. Zij bleef minister van Maatschappelijk Werk in zowel het interim-kabinet-Beel (1958-1959), dat uit de drie confessionele partijen bestond, als het confessioneel-liberale kabinet onder leiding van Jan de Quay, dat tot juli 1963 bestond. Hoewel maatschappelijk werk niet Klompé's voornaamste belangstelling had gehad, maakte zij zich vanuit haar katholieke inspiratie en sociale bewogenheid het terrein eigen en droeg eraan bij het bestaansrecht van het departement te versterken. Zij moest de komst van repatrianten uit Indonesië regelen en na de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije, eind 1956, bleef zij in de ministerraad met humanitaire argumenten pleiten voor verhoging van het aantal toe te laten vluchtelingen. Ze hield zich verder bezig met bejaardenoorden, 'onmaatschappelijke' gezinnen en woonwagenbewoners. In 1961 bracht zij een wet tot beperking van het verhaalsrecht in de Armenwet tot stand en in 1963 de Wet op de Bejaardenoorden. Samen met minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Gerard Veldkamp zag zij in 1963 de Algemene Bijstandswet aangenomen, die de Armenwet uit 1912 verving en bedoeld was om alle volwassen Nederlanders zonder eigen inkomen van een bestaansminimum te voorzien. Aan de totstandkoming was een langdurige onenigheid met Sociale Zaken voorafgegaan. Veldkamp bleef op zijn aandringen, tegen de zin van Klompé, verantwoordelijk voor de uitvoering van de groepsregelingen, de uitkeringen aan groepen werklozen, mindervaliden, kunstenaars en zelfstandigen, die onder haar departement vielen. Daarom kon hij de Algemene Bijstandswet, haar geesteskind, toch medeondertekenen. Er waren voortdurend conflicten geweest met Sociale Zaken omdat Klompé haar departement wilde uitbreiden met Volksgezondheid, dat onder Sociale Zaken viel. De betrokken ministers Ko Suurhoff (PvdA) en Veldkamp wisten dit echter te verhinderen. In verband met ziekte van minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Jo Cals, was zij twee keer ad interim minister op zijn departement (van november 1961 tot februari 1962 en van april tot juni 1963). Na het aftreden van het kabinet De Quay in hetzelfde jaar nam ze vrijwillig plaats in de Tweede Kamer. Waarschijnlijk was Klompé het beu steeds te moeten strijden voor haar ministerie, vooral met Veldkamp. Klompé genoot eind jaren vijftig grote waardering en behoorde in 1963 tot de drie populairste bewindslieden. Hoe belangrijk ze inmiddels als rolmodel was, bleek uit de talrijke reacties van vrouwen in de pers en in brieven naar omroepen, waarin deze uiting gaven aan hun ongenoegen dat juist zij verkoos voorlopig geen minister meer te zijn.

Tijdens de 'nacht van Schmelzer' in oktober 1966, die het kabinet-Cals, waarin de PvdA meeregeerde, ten val bracht, stemde zij voor de motie van Norbert Schmelzer. Hoewel haar persoonlijke sympathie naar Cals uitging, vond zij het belangrijker de eenheid van de KVP-fractie, waarin velen naar haar opstelling keken, te behouden. Het kabinet-Cals had het departement van Maatschappelijk Werk uitgebreid tot Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de nieuwe minister-president, Jelle Zijlstra, wist haar te laten toetreden tot zijn overgangskabinet. In november 1966 was Klompé opnieuw minister. Ze verdedigde met succes de ontwerp-Omroepwet van haar voorganger Maarten Vrolijk (PvdA), welke de Tweede Kamer in januari 1967 aannam. Tijdens de kabinetsformatie die volgde op de Tweede Kamerverkiezingen van februari 1967 werd haar naam genoemd als mogelijk formateur en zelfs minister-president. Maar ze vond dat het land niet toe was aan een vrouwelijke minister-president en bovendien achtte ze zichzelf niet bekwaam genoeg vanwege haar gebrek aan financieel-economische ervaring. Zoals eerder formeerde ze mee op de achtergrond en liet opnieuw merken een voorkeur te hebben voor rooms-rode samenwerking. Toch trad ze in april 1967 voor de tweede keer als minister toe tot een confessioneel-liberaal kabinet, onder leiding van Piet de Jong, dat tot juli 1971 aanbleef. Ze liet zich hierbij leiden door de vraag met welke partij de KVP het beste in staat was de christelijke beginselen te realiseren. Haar departement had het tij mee, anders dan toen ze nog alleen minister van Maatschappelijk Werk was en men twijfelde aan het bestaansrecht ervan. In 1968 zag zij de Woonwagenwet aangenomen. Dat het departement sinds 1965 was uitgebreid met de kunstsector, ging niet ongemerkt aan haar voorbij. In 1969 ontstond commotie rond de uitreiking van de PC Hooftprijs aan de schrijver Gerard Reve. Zij nam de verantwoordelijkheid voor de prijs, zoals bleek uit haar toespraak, die (destijds ongebruikelijk) gevolgd werd door een kus. Er waren luidruchtige vernieuwingstendensen in de theater- en muziekwereld en dankzij de voortgaande stijging van het overheidsbudget voor kunst en cultuur subsidieerde het departement vernieuwende theater- en muziekgroepen, die ontstonden naast de bestaande repertoiregezelschappen. Diverse Kamerleden complimenteerden Klompé met de wijze waarop ze de dialoog met de kunstenaarswereld in stand probeerde te houden. Kritiek was er op de vrijgevige manier van subsidiëren door het departement. Tijdens de actie voor crèches van de actiegroep Dolle Mina liet zij zich kronen tot 'Miss Kresj 1970'. In 1971 besloot Klompé de actieve politiek te verlaten. Zij liet op het departement een systematisch welzijnsbeleid en een gedecentraliseerde opzet van beleidsontwikkeling achter.

Koningin Juliana informeerde Klompé in juli 1971 zelf over haar benoeming als eerste vrouw tot Minister van Staat. Klompé werd geraadpleegd bij de kabinetsformatie van 1973 en bij de overgang naar het katholieke geloof en het huwelijk van prinses Irene. Tijdens de kroning van Beatrix tot koningin in 1980 droeg zij in de stoet de grondwet mee. Zij bleef vooral actief in de katholieke kerk, met bijzondere aandacht voor vredes- en veiligheidsvraagstukken. Zij was lid van de pauselijke commissie Justitia et Pax (1967-1971) en van de beleidsadviescommissie van de Bisschoppenconferentie (1971-1986). Zij was voorzitter van de sectie Internationale Zaken van de Raad van Kerken (1971-1981, daarna gewoon lid) en voorzitter van Justitia et Pax in Nederland (1972-1985). Zij had sympathie voor vernieuwingsbewegingen in de kerk en gaf daaraan ook uiting. In juli 1966 sprak zij tijdens een redevoering in London haar kritiek uit op de grote rijkdom van het Vaticaan en in 1985 liet zij zich in een open brief bij het pausbezoek aan Nederland kritisch uit over het pauselijk bestuursapparaat. Zij wilde echter polarisatie voorkomen en koos uiteindelijk voor het gezag van Rome.

Klompé's hart en ziel lagen in haar werk. Zij bleef, net als haar zusters, ongehuwd. Ze verborg haar status niet en liet zich aanspreken met 'juffrouw' en niet met 'mevrouw', al sprak men haar op het ministerie aan met 'excellentie'. Eind januari 1971 brak ze haar heup, wat haar ook in latere jaren last bezorgde. In oktober 1985 werd bij haar pancreaskanker in een gevorderd stadium geconstateerd, waaraan zij een jaar later overleed. In verschillende steden zijn straten naar haar genoemd, er is een Marga Klompé Stichting en de universiteit van Tilburg, die haar in 1982 een eredoctoraat had verleend, stelde in 2010 de Marga Klompé-leerstoel in. In 1984 werd in de Tweede Kamer een zaal naar haar genoemd, waarin in 2012 een borstbeeld van haar, gemaakt door Margot Homan, werd onthuld.

Archief: 

Archief M.A.M. Klompé in Nationaal Archief, Den Haag, inventarisnummer 2.21.183.44; hierin ook een ongecorrigeerd woordelijk verslag van het vraaggesprek met Hilde van Oostrum op 28 februari 1984 voor de tv-film Marga Klompé (KRO, 6 mei 1984).

Publicaties: 

Solconcentratie en uitvlokking bij het AgJ-sol (Utrecht 1941, dissertatie); 'Onze verantwoordelijkheid. Een appél' in: Katholiek Staatkundig Maandschrift, maart 1949, 403-406; 'De KVP en de buitenlandse politiek. Een inleiding en verantwoording' in: Katholiek Staatkundig Maandschrift, januari 1952, 379-385; Europa bouwt (Den Haag 1954); Motief en functie: bewogenheid en beweging in het maatschappelijk werk, 1908-1958 (Haarlem 1958, met W. Banning); De eerste tien jaren van het Ministerie van Maatschappelijk Werk (Den Haag 1962); Van onmondig tot mondiaal (Haarlem 1963, met J. Wigman, A. Belpaire en A. Steenhoff-Smulders); Attendering: Service van de centrale afdeling internationale betrekkingen (Rijswijk 1968); Memorandum 'Voorbereiding wetgeving maatschappelijk en cultureel welzijn' (Den Haag 1970); De Nederlandse samenleving en de buitenlandse werknemers: rapport (Voorburg 1975, met J.Th. Rijk); Buitenlandse investeringen in Zuidelijk Afrika: een advies aan de Raad van Kerken in Nederland (Voorburg 1975); '"Justitia et Pax" en de emancipatie van de vrouw' in: Wendingen, 1975, nr. 4, 540-544; De Europese verkiezingen en verder… (Amersfoort 1979, met H. Brugmans); 'Voorwoord' in: A. Groen (red.), Vrouwen en het Binnenhof (Den Haag 1985) 9-10; Lomé II: een kritische toetsing van het tweede verdrag van Lomé (Den Haag 1981); 'Protesteren tegen onrecht'. Kerkelijk spreken bij onrechtsituaties: is het dan juist om te zwijgen en daarmee de geloofwaardigheid van de Kerk op de tocht te stellen? (Utrecht 1983); Tamils in Sri Lanka: ongewenste vreemdeling in eigen land? Het conflict tussen Tamils en Singalezen, en de rol van de overheid (Den Haag 1985); E.P.N.M. Borgman, I. Plessius en M.E.H. van Reisen (red.), In liefde en rechtvaardigheid. Het dagboek van Marga Klompé 1948-1949 (Hilversum 2012). 

Literatuur: 

Ad Langebent praat met Dr. Marga Klompé (Hilversum 1973; interview 21 december 1972); H. Jippes, '"Mijn illusies zijn niet hooggespannen". De afstandelijke emoties van Marga Klompé' in: NRC Handelsblad, 13.9.1980; A. de Jong, 'Mej. Dr. M. Klompé, oud-minister CRM en architecte van de Bijstandswet' in: Sociaal Bestek, 46e jrg., nr. 7, 29 maart 1984, 27-32; I. Meijer, 'Een bemoeial' in: Vrij Nederland, 11.8.1984; L. Fijen, 'Marga Klompé, 1912-1986' in: Informatiebulletin Secretariaat R.K. Kerkgenootschap in Nederland, 14e jrg., nr. 20, 1986, 643-679; A. Visser, Alleen bij uiterste noodzaak? De rooms-rode samenwerking en het einde van de brede basis 1948-1958 (Amsterdam 1986); B.C.L. Waanders en F. Groeneveld, 'Marga Klompé (1912-1986). Een onafhankelijke geest' in: NRC Handelsblad, 28.10.1986; J. van Tijn, 'Marga Klompé, een zakelijk en vooral katholiek politicus' in: Vrij Nederland, 1.11.1986; J.J. Lindner, 'Marga Klompé 1912-1986. "Mej. Klompé" was politica tegen wil en dank' in: E. Brunt (red.) Mevrouw ik groet u. Necrologieën van vrouwen (Amsterdam 1987) 148-152 (oorspronkelijk in: de Volkskrant, 29.10.1986); K. Lutterop, 'Marga Klompé en het Katholiek Vrouwendispuut' in: Groniek, nr. 97, 1987, 73-82 en in: M. Grever en C. Wijers (red.), Vrouwen in de twintigste eeuw. De positie van de vrouw in Nederland en de Verenigde Staten van Amerika 1929-1969 (IJsselstein 1988) 47-50; G. Ubels, 'Marga Klompé. Moeder van eeuwigdurende bijstand' in: DinaMiek. Tijdschrift voor Vrouwengeschiedenis, 5e jrg., 1988, 31-43; M. Cornelis en M. Hinderink, Vrouwen in Nederland en de Verenigde Staten. De geschiedenis vanaf 1929 (Houten 1989) 161-163; 'Marga Klompé, politica in hart en nieren' in: Th. den Hartog, Vrouwenportretten (Den Haag 1989) 52-55; M. van der Plas (red.) Herinneringen aan Marga Klompé (Baarn 1989); V. Frinking en S. Meyborg, 'Marga Klompé: Vrouwenbelangenbehartigster achter de schermen' in: C. Wijers et al. (red.) Tussen aanpassing en verzet. Vrouwen voor het voetlicht 1929-1969 (Culemborg 1989) 159-164; R.B. Andeweg, 'Tweeërlei Ministerraad' in: R.B. Andeweg (red.), Ministers en ministerraad (Den Haag 1990) 17-41; I. Jungschleger en C. Bierlaagh, Marga Klompé. Een gedreven politica haar tijd vooruit (Utrecht 1990); J.Th.J. van den Berg, 'Een "damesboek" over een Grande Dame' in: Socialisme en Democratie, maart 1991, 125-129; M. Derks, C. Halkes en A. van Heyst (red.) 'Roomse dochters'. Katholieke vrouwen en hun beweging (Baarn 1992); O.L. Schrover, 'Het vuur van Marga Klompé' in: Christen Democratische Verkenningen, januari 1992, 30-37; C. Duyvis en A. Vermeiden, Vrouwelijke politici in de media (Leiden 1993); B. van der Weijde en H.M. van der Weijde-Oudenaarden (red.), Vrouwen op een Bordje. Straatnamen in de Stevenshof in Leiden (Leiden 1993) 96-97; M. Aerts, De politiek van de katholieke vrouwenemancipatie. Van Marga Klompé tot Jacqueline Hillen (Amsterdam 1994); J. Bosmans, 'Klompé, Margaretha Albertina Maria (1912-1986)' in: Biografisch Woordenboek van Nederland. Deel 4 (Den Haag 1994) 247-249; A. van Heerikhuizen, Pioniers van een verenigd Europa (Amsterdam 1998); R. Lubbers, Geloof in de samenleving: christen-democratie in drie generaties: Ruijs, Klompé, Lubbers (Nijmegen 1998); I. de Haan en J.W. Duyvendak (red.) In het hart van de verzorgingsstaat. Het ministerie van Maatschappelijk Werk en zijn opvolgers (CRM, WVC, VWS) 1952-2002 (Zutphen 2002); Parlementaire Geschiedenis van Nederland na 1945. Deel 1-9 (Den Haag/Amsterdam 2004-2013); V. Scheffers, Mensen kunnen de wereld veranderen: over de inspiratie en de bewogenheid van Marga Klompé (Den Haag 2006); G. Mostert, Marga Klompé. Een biografie (Amsterdam 2011); M.E.H. van Reisen, On Sails of the Southwind. Marga Klompé's Legacy for International Social Responsibility: Social Inclusion as a Measure of Relevance in Science (Tilburg 2011, inaugurale rede); E.P.N.M. Borgman en M.E.H. van Reisen (red.) De verbeelding van Marga Klompé. Perspectieven op de toekomst (Kampen 2012); M. Bosch, 'Wrestling with Gender and Biography: A Thematic Review' in: BMGN, The Low Countries Historical Review, 127e jrg., nr. 3, 2012, 50-67; M. Grunell, 'Hoe sekse er toe deed in de decennia na de Tweede Wereldoorlog - Biografieën van twee vrouwelijke politici uit de twintigste eeuw vergeleken' in: Tijdschrift voor Genderstudies, 16e jrg., nr. 1, 2013, 78-84 (vergelijking met H. Verwey-Jonker); G. Mostert, 'Marga Klompé politica' in: E. Kloek (red.), 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis (Nijmegen 2013) 1385-1387; R. de Bruin, Elastisch Europa. De integratie van Europa en de Nederlandse politiek, 1947-1968 (Amsterdam 2014); W.H. Weenink, Vrouw achter de troon. Marie Anne Tellegen 1893-1976 (Amsterdam 2014); B. von Benda-Beckmann, M. Schwegman en R. van Heijningen, De rooms-katholieke kerk en de grenzen van verzet in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog: rapport verkennend onderzoek (Amsterdam 2015); M. Leyenaar, Hare Excellentie. Zestig jaar vrouwelijke ministers in Nederland (Amsterdam 2016); J. Withuis, Juliana. Vorstin in een mannenwereld (Amsterdam 2016).

Portret: 

Marga Klompé, 1967 (Foto Eric Koch, Anefo; Nationaal Archief, Den Haag)

Handtekening: 

Oorkonde uitreiking P.C. Hooftprijs aan Gerard Reve, 26 augustus 1969

Auteur: 
Anneke Ribberink
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2018)