KOCH, Daniël Marcellus George

Daniël Marcellus George Koch

(roepnaam: Marcel), sociaal-democratisch activist en publicist in Nederlands-Indië, is geboren te Woudsend op 1 oktober 1881 en overleden te Zeist op 25 februari 1960. Hij was de zoon van Johan Anthon Koch, arts, farmaceut en lenzenslijper, en Pietronella Helena Cornelia de Swart. Op 15 mei 1909 trad hij in het huwelijk met Henriëtte Gezina Petronella Balkstra, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. Na haar overlijden op 10 september 1944 hertrouwde hij op 12 juni 1946 met Antje Weeder. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Koch was het op een na jongste uit een gezin met zes kinderen. Kochs vader legde in 1890 zijn medische praktijk in Woudsend neer. Twee jaar later verhuisde het gezin naar Lochem en daarna, in verband met de studie van de kinderen, naar Utrecht. In Lochem bezocht Koch de Mulo en in Utrecht behaalde hij het diploma Hoogere Burger School. Op zeventienjarige leeftijd tekende hij voor het Reservekader en in 1899 werd hij geplaatst bij het 5de bataljon van het 8ste regiment infanterie te Utrecht. In de kazerne leerde hij, de bourgeoisjongen, de klasseverschillen zien waardoor hij later aangetrokken werd door het socialisme. Hij raakte overtuigd van de noodzakelijkheid van maatschappelijke veranderingen en kwam in aanraking met het antimilitarisme. Koch schreef zich in 1901 in als student aan de Polytechnische School te Delft en volgde de colleges voor civiel en bouwkundig ingenieur. In de loop van zijn eerste jaar in Delft ontwikkelde zich zijn socialistische overtuiging. Hij werd lid van de SDAP (1901) en actief lid van de Sociaal-Democratische Propaganda Club (1902), die voornamelijk uit studenten bestond, en trad op als secretaris van de Anti-Militaristische Propaganda-Vereeniging. Intussen was hij ook lid geworden van de redactie van het Studenten-Weekblad, waarin een socialistische tendens domineerde. Zeer geïnteresseerd in sociale en filosofische vraagstukken volgde hij colleges bij B.H. Pekelharing en G.J.P.J. Bolland. Tijdens de spoorwegstaking van 1903 meldde Koch zich bij het Delftse Comité van Verweer aan en trad hij doortastend op als organisator, spreker en propagandist. Door zijn aandeel in de stakingsacties was hij midden in de arbeidersbeweging terechtgekomen. De drang zijn overtuiging uit te dragen maakte dat hij in de journalistiek verzeild raakte. Hij werd medewerker van het Delftse SDAP-weekblad De Wekker (vanaf 1903) en schreef artikelen voor De Nieuwe Tijd en De Kroniek. Bij P.J. Troelstra, die toen in Scheveningen woonde, kwam hij vaak aan huis en daar ontmoette hij bekende leiders uit de socialistische beweging. Koch werd geheel in beslag genomen door het marxisme en het werk voor de arbeidersbeweging, waardoor zijn studie misliep. Teleurgesteld en om persoonlijke redenen (het contact met zijn familie was vrijwel geheel afgebroken, waarschijnlijk vanwege zijn socialistische sympathieën) besloot hij in april 1907 zijn geluk in Nederlands-Indië te beproeven. Op Java kon hij vrijwel direct aan de slag als journalist bij Het Nieuws van den Dag van Nederlandsch-Indië, dat toen onder leiding stond van de beruchte koloniaalreactionaire hoofdredacteur-directeur K. Wijbrands. Samen met de lndo-europeaan E.F.E. Douwes Dekker (een achterneef van Multatuli) redigeerde Koch daarnaast het door hen medio 1907 opgerichte onafhankelijke weekblad Het Vrije Woord(1907-1908). Eind september 1907 verliet Koch Het Nieuws van den Dag van Nederlandsch-Indië na een uit de hand gelopen conflict met Wijbrands. Koch, oud-amateur-kampioen worstelen van Utrecht, repte zelf over een 'abrupt en handtastelijk afscheid'. Daarna was hij verbonden aan de redactie van het Soerabaiasch Handelsblad (1908-1909) en redacteur van het bondsorgaan van de Bond van Geëmployeerden bij de Suikerindustrie op Java en Madoera (1909-1910). Met geld uit de nalatenschap van zijn vader richtte hij in 1911 het door hem zelf geredigeerde blad De Indische Kroniek. Veertiendaagsch blad voor Nederlandsch-Indië op, zo genoemd als een postume hulde aan P.L. Tak en diens Kroniek. Toen Koch geen middelen meer had om De Indische Kroniek voort te zetten en de uitgave in februari 1912 gestaakt moest worden,, solliciteerde hij naar de vacante betrekking van secretaris van de Handelsvereeniging Semarang (een soort Kamer van Koophandel), die hij tot 1913 vervulde. In Semarang maakte hij kennis met de 'ethische' gezindheid in de koloniale Nederlands-Indische politiek, die hij later als bevoogdende welvaartspolitiek zou typeren. In deze periode schreef hij zo nu en dan een artikel voor het in Semarang verschijnende ethische dagblad De Locomotief

Op uitnodiging van het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel was hij van 1913 tot 1917 souschef in de rang van referendaris bij de Afdeling Nijverheid en Handel te Buitenzorg. In 1914 werd hij (tot 1916) lid van de Indische Sociaal-Democratische Vereeniging (ISDV). Aanvankelijk was Koch bevriend met Henk Sneevliet, die hem op zijn aanbeveling kon opvolgen als secretaris van de Handelsvereeniging Semarang. Al gauw raakte hij als gematigd socialist echter op gespannen voet met de linkervleugel van de ISDV wegens zijn afwijzing van socialistische actie in een land dat daar naar zijn mening niet rijp voor was. In het marxisme zag hij geen systeem van pasklare oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken maar in de eerste plaats een methode voor het analyseren van koloniale en sociale verhoudingen. Geregeld verschenen in de Nederlands-Indische pers van Koch artikelen die gericht waren tegen de koers van de ISDV en tegen de radicale marxistische propaganda in het ISDV-orgaan Het Vrije Woord. Vooral Sneevliet en A. Baars, een van de redacteuren van het Het Vrije Woord, moesten het ontgelden. Koch op zijn beurt werd in juni 1916 door de derde algemene vergadering van de ISDV in een motie van afkeuring veroordeeld voor zijn aanvallen op de ISDV. In 1916 richtte Koch samen met anderen het tweemaandelijks tijdschrift Koloniale Studiën op, dat het orgaan en een forum was van de op initiatief van Koch en S. Koperberg op 28 mei 1916 opgerichte Vereeniging voor de studie van koloniaal-maatschappelijke vraagstukken. Het tijdschrift verscheen regelmatig tot de Japanse inval. Na de dood van het jongste kind verliet de familie Koch Buitenzorg op medisch advies en belastte Koch zich gedurende ruim een jaar met de hoofdredactie van De Nieuwe Courant te Semarang. Hier raakte hij in conflict toen hij als werkgever-hoofdredacteur hard optrad bij een staking van het Indonesisch personeel in 1918. Begin 1919 werd Koch ambtenaar ter Algemene Secretarie te Buitenzorg (tot 1922) met de taak voor de gouverneur-generaal overzichten samen te stellen van het politieke nieuws in dagbladen en periodieken die verschenen in Brits-lndië, Burma, Ceylon, Frans Indo-China en de Philippijnen. Op verzoek van gouverneur-generaal J.P. van Limburg Stirum stelde Koch een sociologische analyse van de Nederlands-Indische volksbeweging op die gepubliceerd werd in de Mededeelingen omtrent enkele onderwerpen van algemeen belang (Weltevreden 1920). De gouvernementspublikatie veroorzaakte opschudding in de Volksraad en in de kolommen van de Nederlands-Indische kranten en tijdschriften vanwege haar vermeende marxistische lading. Kochs toenemende antikoloniale gezindheid kwam tot uiting tijdens zijn lidmaatschap van de Commissie tot herziening van de Nederlandsch-Indische staatsinrichting (1919-1920), die onder voorzitterschap stond van J.H. Carpentier Alting. Vanwege zijn aanvaarding van dit lidmaatschap zonder de Indische Sociaal-Democratische Partij (ISDP) daarin te kennen werd hij in december 1918 uit die organisatie geroyeerd. Samen met ISDP-voorzitter Ch.G. Cramer stelde Koch een minderheidsnota op. Daarin tekenden zij verzet aan tegen het denkbeeld van de meerderheid van de commissie, dat het kolonialisme door meer of minder ingrijpende hervormingen nog wel te redden zou zijn. Ook vond de commissie dat langs die weg wederzijdse toenadering tussen de rassen gerealiseerd en het gevaar van een door de nationalistische beweging te forceren eindstrijd bezworen zou kunnen worden. Koch was van mening dat het denkbeeld van een mogelijk compromis een waan was: de Indonesische maatschappij, met de nationalistische beweging als haar exponent, en de westers-koloniale samenleving hadden volstrekt tegengestelde belangen. In de commissie pleitte hij er voor om de Volksraad tot een volwaardig Indonesisch parlement om te vormen.

In 1922 trok Kochs hart andermaal naar de journalistiek. Hij werd hoofdredacteur van de te Soerabaja verschijnende Indische Courant, het orgaan van de Suikerbond. In mei1923 ondersteunde hij in deze krant een op Java uitgebroken stakingsactie van de Vereeniging van Spoor-en Tramwegpersoneel (VSTP), die gericht was tegen de bezuinigingspolitiek van het gouvernement. Koch beschuldigde de overheid de staking te hebben uitgelokt en ageerde fel tegen de arrestatie van de Indonesische voorzitter van de VSTP, Semaoen. Hij werd voor zijn artikelen in De indische Courant justitieel vervolgd en in augustus 1923 tot drie dagen gevangenisstraf veroordeeld. Om deze zaken kwam hij ook in botsing met de Suikerbond, die bestond uit Europese geëmployeerden in de suikerindustrie die zich geen 'arbeiders' voelden, die neerkeken op de Indonesische arbeider en weinig waardering konden opbrengen voor Kochs liberaal-democratische redactionele leiding van De Indische Courant. In juli 1925 vertrok Koch naar Bandoeng als redacteur van De Vakbeweging, het orgaan van het Verbond van Vereenigingen van Landsdienaren. Van 1925 tot 1949, met een onderbreking gedurende de Japanse bezettingstijd, was hij bezoldigd secretaris van deze bond. Wegens geldgebrek moest de uitgifte van De Vakbeweging in 1927 gestaakt worden. Om verder in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien aanvaardde Koch eerst een baan bij de afdeling personele zaken van de PTT-dienst (1927-1929), later werd hij bibliothecaris van het Departement van Gouvernementsbedrijven te Bandoeng (1929-1938). Intussen was Koch in 1924 weer lid geworden van de ISDP. in 1927 trad hij toe tot de in 1926 opgerichte Bandoengse nationalistische Algemeene Studie Club van Soekarno, Tjipto Mangoenkoesoemo en Latif om gezamenlijk sociale en politieke vraagstukken te bespreken. Koch onderhield goede betrekkingen met Soekarno en kwam zodoende in Indonesische nationalistische kringen te verkeren. Soekarno beschouwde Koch in die tijd als zijn mentor en bezocht tot aan zijn eerste gevangenschap in 1930 geregeld Kochs woning te Bandoeng. Daar bespraken zij vooral politieke literatuur en luisterden zij naar grammofoonplaten met negro-spirituals uit Kochs collectie.

In de jaren dertig was Koch betrokken bij de oprichting van de Indische afdeling van de antifascistische vereniging Eenheid door Democratie (1934), die zich van de vereniging in Nederland zou losmaken omdat openstelling voor Indonesiërs en Chinezen, ondanks herhaald verzoek vanuit Nederlands-Indië, door het Nederlandse hoofdbestuur werd geweigerd. Eerst werd de vereniging omgezet in de Indische Algemeen-Democratische Groepering (1938), later Algemeen Democratische Bond genoemd (1940). Op initiatief van Koch verscheen op 16 februari 1938 te Bandoeng het eerste nummer van Kritiek en Opbouw. Algemeen, Onafhankelijk en Vooruitstrevend Indisch Tijdschrift. Het blad was nauw verbonden met de Algemeen Democratische Bond en had een Europees-westerse, kritisch-koloniale teneur. Koch was zowel vóór als na de Tweede Wereldoorlog redacteur van dit blad (1938-1942, 1946, 1948-1950), waaraan onder andere de publicisten E. du Perron, W. Walraven, J. de Kadt en een aantal Indonesische intellectuelen meewerkten. In oktober 1938 vroeg Koch zijn pensioen aan als bibliothecaris, waardoor hij in staat was zich geheel te wijden aan de redactie van Kritieken Opbouw. Tijdens de oorlog werd Koch geïnterneerd, eerst in kampen te Bandoeng en Tjimahi, later te Ambarawa (1942-1945). Zijn vrouw overleed in 1944 in het interneringskamp Tjihapit te Bandoeng. Na de oorlog propageerde Koch als lid van de Progressieve Groep van Nederlanders in Indonesië het zelfbeschikkingsrecht van het Indonesische volk. Hij werd door deze Progressieve Groep naar de op 1 oktober 1946 begonnen conferentie te Pangkal Pinang op Bangka afgevaardigd, waar het probleem der minderheden in Indonesië besproken werd. Gedurende de eerste Nederlandse 'politionele actie' in juli 1947 werd Koch als 'staatsgevaarlijk' gedurende acht dagen gevangen gezet. Ook voor de tweede militaire actie van Nederland in Indonesië in december 1948 kon hij geen begrip opbrengen. Eind jaren veertig ging Koch weer volop publiceren. Zo leverde hij bijvoorbeeld een aantal artikelen over aspecten van de toestand in Indonesië voor De Vlam. Tevens bemoeide hij zich met het opzetten van een Indonesische vakcentrale, de Badan Poesat Sarikat-Sarikat Sekerdja (BPSS), een federatie van niet-politiek georiënteerde vakorganisaties. Op zeventigjarige leeftijd werd Koch benoemd tot directeur van de Volksuniversiteit te Bandoeng. In maart 1954 dwong een hartaanval Koch zijn taak neer te leggen en vier maanden later keerde hij na 47 jaar ononderbroken verblijf in Indonesië voorgoed terug naar Nederland. Toen hij voet aan Nederlandse wal zette antwoordde hij meer olijk dan cynisch op een vraag van een journalist: 'De toestand in Indonesië? Ik ben nog te kort in Nederland om daarover een oordeel te kunnen vellen.'

Gedurende zijn lange tijd in Indonesië verrichtte Koch vrijwel geen politiek werk in engere zin. Een politieke carrière was niet voor hem weggelegd. Hij is nooit lid van een vertegenwoordigend lichaam geweest en in de socialistische partijorganisaties vervulde hij nooit een vooraanstaande functie. Daarom beschouwden sommigen hem in Indonesië als 'toeschouwer'. Koch was echter allereerst en gepassioneerd een man van het geschreven woord, die strijd leverde via zijn pen en op de achtergrond zijn socialistische visie uitdroeg en begrip trachtte te kweken onder zijn lezers voor de Indonesische nationalistische beweging. De laatste jaren van zijn leven schreef Koch, de kritisch-koloniale Friese totok, zijn herinneringen: Verantwoording. Een halve eeuw in Indonesië (Den Haag 1956) en publiceerde hij talrijke artikelen in dag- en weekbladen. Na een verblijf van zoveel jaren in de tropen kon Nederland hem slechts matig 'verwarmen'. Hij stoorde zich aan het particularisme en de verzakelijking van het leven in Nederland, aan de conservatief-reactionaire groep oud-Indischmensen in Den Haag en aan de politieke lijn van de PvdA vooral ten aanzien van Indonesië. Op het laatst voelde hij zich politiek meer aangetrokken door de Derde Weg-beweging.

Archief: 

Archief D.M.G. Koch in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 287)

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Na den oorlog. Een onderzoek naar de vermoedelijke wijzigingen in de maatschappelijke structuren van West-Europa en de gevolgen daarvan voor Nederlandsch-Indië (z.pl. 1916); Indisch-koloniale vraagstukken. Verzamelde opstellen (Weltevreden 1919); Herleving. Oorsprong, streven en geschiedenis der nationalistische beweging in Britsch-Indië (Weltevreden 1922); 'De Japanse bezetting van Indonesië' in: Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd (Amsterdam 1946-1954) 535-587; Om de vrijheid. De nationalistische beweging in Indonesië (Djakarta 1950; Indonesische vertaling 1951); '[autobiografische tekst]' in: J.J. van Loghem, H.J. Pos, K.F. Proost (red.), Wat het leven mij heeft geleerd (Arnhem 1952) 99-112; 'Socialisme in Indonesië' in: Mededelingenblad, 1956, nr. 8, 4-22; Batig slot. Figuren uit het oude Indië (Amsterdam 1960). Behalve in de bovengenoemde kranten en tijdschriften publiceerde Koch ook in Socialisme en Democratie, De Nieuwe Stem, Het Parool, De Socialistische Gids, Algemeen Indisch Dagblad, Oriëntatie, De Nieuwsgier, De Vrije Katheder, De Preangerbode, Mens en Wereld en in De Gids.

Literatuur: 

D. de Vries, D.M.G. Koch. Levensschets en bibliografie ter gelegenheid van zijn 7Oste verjaardag (Bandoeng 1951); Aan D.M G. Koch op zijn vijfenzeventigste verjaardag van zijn vrienden (Den Haag 1956); B. van Tijn, 'In memoriam D.M.G. Koch' in: Socialistisch perspectief 15.3.1960; J.H.W. Veenstra, 'D.M.G. Koch' in: D.M.G. Koch, Batig slot. Figuren uit het oude Indië (Amsterdam 1960) 195-211; E. Locher-Scholten, Ethiek in fragmenten. Vijf studies over koloniaal denken en doen van Nederlanders in de Indonesische Archipel 1877-1942 (Utrecht 1981) 150-227; F. Tichelman, Socialisme in Indonesië I: De Indische Sociaal-Democratische Vereeniging 1897-1917 (Dordrecht 1985); P.J. Drooglever, 'KOCH, Daniël Marcelius George' in: BWN III, 338-340; J. Penbrook, 'Soekarno and Marcel Koch: A personal account' in: Kabar Seberang, 1992, nr. 23, 69-77.

Portret: 

D.M.G. Koch (1887), IISG

Auteur: 
Emile Schwidder
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 123-128
Laatst gewijzigd: 

18-11-2010