KOL, Hendrikus Hubertus van

Hendrikus Hubertus van Kol

(roepnaam: Henri), internationaal georiënteerd socialistisch politicus gespecialiseerd in het kolonialisme, is geboren te Eindhoven op 23 mei 1852 en overleden te Aywaille (België) op 22 augustus 1925. Hij was de zoon van Christianus Adrianus Hubertus van Kol, leerlooier, hotelier en koopman, en Maria Anna Schutjes. Op 27 juli 1883 trad hij in het huwelijk met Jacoba Maria Petronella Porreij (roepnaam: Nellie), gouvernante en schrijfster, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.
Pseudoniemen: Astore, Rienzi (ook: Riënzi).

Van Kol was de oudste zoon in een gegoed, katholiek gezin met vijf kinderen. Na de lagere school in Eindhoven ging hij voor zijn middelbaar onderwijs eerst naar Turnhout (België) en vervolgens voor de laatste drie jaar naar de openbare Hoogere Burger School in Roermond. Dankzij een student van de polytechnische school in Aken hoorde hij over de Duitse socialist Ferdinand Lassalle die in een duel de dood had gevonden, en las hij het blad van Wilhelm Liebknecht Der Volksstaat en Das Kapital van Karl Marx, nog zonder alles te begrijpen. Tussen 1870 en 1875 studeerde hij aan de Polytechnische School in Delft waterbouwkunde met de aantekening B (bedoeld voor werk in 'de Oost'). In 1871 trok hij met een gewapende infanterist naar Parijs om er de Communards te helpen, maar keerde terug toen de opstand bloedig onderdrukt bleek. Steeds als hij in Parijs was zou hij ter nagedachtenis van de gevallenen de 'mur des fédérés' op het kerkhof Père Lachaise bezoeken. In een rede uit 1893, afgedrukt in De Nieuwe Tijd, noemde hij zichzelf geen opruier, wel een revolutionair. 'Als kind reeds voelde ik mij aangetrokken tot de kleinen en de zwakken. Als jongeling beschermde ik velen tegen de mishandelingen van den sterkste en als student bracht een gevecht tegen politieagenten, die een anderen man martelden, mij in de gevangenis. Ik had een oog voor de zee van ellende, die ons van alle kanten omringt, een hart voor het lijden der massa, en een vuist om de tyrannen te kastijden. ... Door het onderzoek der sociale kwestie ontdekte ik ras de kwaal die onze samenleving teistert, de oorzaak der grenzenlooze ellende, van het gruwzame onrecht, van de steeds toenemende zedelijke verbastering van rijken en armen.' Van Kol, een grote en zware man die voor niets en niemand bang was, vond dat hij 'geweldige dagen' beleefde en wilde strijden voor de komst van een betere tijd. 'En daarom werd ik en socialist en revolutionair.'

In september 1871 schreef de kleermaker J.G. Ekhart hem in als lid van de Haagse sectie van de (Eerste) Internationale. Deze hield zich onder meer bezig met gemeenschapshuizen voor arbeiders op de wijze zoals Ch. Fourier die voorstond. Ook stelde men een arbeidersbudget samen van een gezin met vier kinderen, dat in De Werkman van 23 december 1871 werd gepubliceerd. In het in Delft verschijnende, interuniversitaire Studentenweekblad deed Van Kol onder de naam Astore een oproep aan medestudenten om lid van de Internationale te worden. Acht anderen reageerden, maar trokken zich terug na bezwaren van minister van Justitie J.A. Jolles. In september 1872 woonde Van Kol het congres van de Internationale in Den Haag, in elk geval ten dele, bij. Hij logeerde in hetzelfde hotel als de familie Marx en diende haar tot tolk en gids in de stad. Hij maakte er kennis met Liebknecht, J.Th. Becker uit Genève, Désiré Brismée en Friedrich Engels. Kennis van Frans en Duits vergemakkelijkte zijn contacten met buitenlanders, maar het is onwaarschijnlijk dat daaruit een uitgebreide briefwisseling voortkwam. Hij las bladen als Der Volksstaat, L'Égalité van Becker, De Toekomst, De Vrijheid, De Rotterdamsche Lantaren van G.W. van der Voo en waarschijnlijk het meest geregeld De Werkman, die tot 1876 bestond. In Delft had hij zich tijdens zijn studie aangesloten bij de vrijdenkersvereniging De Dageraad. Bovendien was hij lid van het dispuutgezelschap Vrije Studie, dat onder erevoorzitterschap van professor B.H. Pekelharing fel over de meest diverse onderwerpen debatteerde. In 1875 nodigde Vrije Studie ook Multatuli uit. Deze werd gehuldigd en kreeg geschenken, maar uit niets blijkt een speciaal contact van Van Kol met hem. Wellicht is Van Kols voorkeur om bij de dienst Burgerlijke Openbare Werken te dienen een teken van gewekte belangstelling. Begin 1876 debatteerde Van Kol als Astore in De Werkman met een zekere Parrapos. Deze Parrapos, achter welk psseudoniem waarschijnlijk Klaas Ris schuil gaat, had het niet begrepen op heren met een dikke beurs in de arbeidersbeweging. Van Kol ging er tegen in. Toen het slecht met het blad ging, stelde hij voor dat alle arbeiders een cent per week als steun zouden bijdragen.

In 1876 ging Van Kol scheep naar Nederlands Oost-Indië, maar hij had niet de gebruikelijke toeslag voor zijn Indische uitrusting ontvangen. Waarschijnlijk hield de politie hem in de gaten. Hij werd geplaatst op Oost-Java in Sitoebondo, bij de Sampoean-irrigatiewerken ten oosten van Soerabaja. Naast zijn ingenieurswerk stak Van Kol veel energie in de bestudering van socialistische geschriften die Pekelharing hem volgens afspraak toezond. Als Rienzi, een pseudoniem waarschijnlijk afkomstig van Cola (= Van Kol) di Rienzi, mengde hij zich in een bestuurlijke polemiek in het in Semarang uitgegeven blad De Locomotief over de vraag of de verantwoordelijkheid betreffende de uitvoering van werken moest liggen bij de ambtenaar van het Binnenlands Bestuur ('Buitenzorg') of bij de Burgerlijke Openbare Werken. Deze polemiek bracht een hoofdambtenaar die het tweede standpunt verdedigde onverwacht pensioen. Van Kol zag het probleem als een vraagstuk van algemeen belang en een koloniaal vraagstuk bij uitstek. Het overbrengen van plaatselijk waterstaatsbeheer naar de bestuursambtenaar leidde vanwege het streven alles zo goedkoop mogelijk te doen tot een steeds zwaardere druk op de heredienstplichtigen. Het debat werd in december 1879 voortgezet in het Soerabaiasch Handelsblad. Van Kol somde daarin feiten en toestanden op die onjuist waren en onberadenheid toonden en was het eens met de econoom W. Roscher dat het moederland tot taak had de bloei van de koloniën te bevorderen. Het uit zijn HBS-tijd daterende pseudoniem Rienzi, waarschijnlijk ontleend aan de naam van een opera van R. Wagner naar een roman van Bulwer Lytton over een volksheld die in de veertiende eeuw in Rome was vermoord, zou hij in het vervolg voor veel van zijn geschriften gebruiken.

Zijn opvattingen reikten verder dan de algemene politiek. Geboeid door het denken van H. Spencer, Th.H. Huxley en J.S. Mill had hij in april 1879 in het Soerabaiasch Handelsblad geschreven over de invloed van het toeval op het leven van de mens en op de maatschappij. Zelf wees hij het toeval als bepalende factor in de geschiedenis af. Toen hij eind 1879 over de zelfdoding van B.P. Korteweg en E. Baart schreef, bestreed hij dat dit het gevolg was van een materialistische levensbeschouwing, die immers een eigen zedelijke grondslag had. Zij waren niet bestand geweest tegen de zware strijd van de vrije mens in een bekrompen wereld en hadden, moedeloos geworden, samen een eind aan hun leven gemaakt. Zijn uiteenzetting leverde hem een schriftelijk debat op met Mina Kruseman, die zich als onderwijzeres in Gemblongan op Oost-Java had teruggetrokken. Zij brandde van verlangen om te weten wie zich achter het pseudoniem verschool, die blijkbaar haar wel kende. Zij bestreed dat zij niets meer voor de emancipatie van vrouwen ondernam. In het Soerabaiasch Handelsblad in januari 1880 maakte Van Kol duidelijk dat de vrouwenkwestie onlosmakelijk verbonden was met de sociale kwestie in het algemeen. Kruseman staakte haar weerwerk, want 'Rienzi is een masker, ja minder nog, een valsche klank en daartegen strijd ik niet'. Naar aanleiding van een debat in de sociëteit te Djember in augustus 1880 met de in de residentie Besoeki werkzame en anti-socialistisch prekende zendeling Isaac Esser, ontstond Van Kols eerste boek Christendom en socialisme (Den Haag 1881). In dit aan zijn moeder opgedragen geschrift bepleitte hij het samengaan van socialisme en katholicisme om de wereldproblemen op te lossen. Het maakte diepe indruk op velen, onder wie W.H. Vliegen en J.H.A. Schaper. Het werd in 1888 herdrukt, maar toen was Van Kol niet meer zo hoopvol gestemd. Door bemiddeling van ingenieur S.E.W. Roorda van Eysinga kwam Van Kol in 1881 in contact met F. Domela Nieuwenhuis en begon hij in 1884 in Recht voor Allen te schrijven. In oktober 1883 had hij Domela in het Soerabaiasch Handelsblad verdedigd tegen een aanval in de 'Nederlandsche Brieven', die zoals in 1925 bleek geschreven waren door de latere hoogleraar J.E. Heeres. In november 1884 verdedigde hij in Recht voor Allen geestdriftig het algemeen kiesrecht. Ook schreef hij veel in het in Gent uitgegeven blad De Toekomst en de Almanak Vooruit. Hij probeerde de Frans- en Nederlandstalige socialisten in België dichter bij elkaar te brengen.

Op Java had Van Kol Nellie Porreij leren kennen. Hij had haar 'Brieven aan Minette' in het Soerabaiasch Handelsblad gelezen en kon via de redactie met deze geëmancipeerde vrouw corresponderen. Zij trouwden in juli 1883. Het jaar daarop vroeg en kreeg hij verlof wegens gezondheidsredenen. Zij hadden toen net hun eerste zoontje verloren. Terug in Europa vertrokken zij vrijwel direct naar Aywaille bij Luik. Zij besteedden het verlof onder meer aan een poging in Oostende het socialisme te brengen. Zij waren er lid van de socialistische arbeiderskring en kwamen met plannen voor een eigen bibliotheekje en een bakkerij naar het voorbeeld van de Gentse beweging. Ondanks het harde werken en de geldelijke hulp liep dit op een mislukking uit. In 1885 woonde hij de oprichting van de Belgische Werklieden Partij bij. Eind november besloten zij naar Genève te vertrekken. Van C. de Paepe, Edm. van Beveren en E. Anseele namen zij hartelijk afscheid. In Genève bezochten zij daar verblijvende linkse kameraden uit vroeger tijden, onder wie Becker. Van Kol steunde hem met 25 francs per maand en begeleidde hem naar Londen voor een bezoek aan Engels. In augustus 1886 bezocht Van Kol Multatuli. Deze maakte op hem een mismoedige indruk en Van Kol verwachtte weinig meer van hem. Nellie was niet meegekomen, waarschijnlijk omdat zij op 15 april in Petit Lancy bij Genève bevallen was van hun dochter Lili. Nadat Van Kol eerst vanwege zijn lever was afgekeurd, kwam nog hetzelfde jaar de toestemming om opnieuw naar Indië te vertrekken. Hij werd nu voor irrigatiewerken op Midden-Java gestationeerd, in Bandoeng en later Brebes. Hij schreef het aan Nellie opgedragen Kapitalisme of socialisme: of Arbeidsloon zooals het is, en zooals het wezen moet (Gent 1888-1889, herdruk 1898; 2 delen) en pleitte voor arbeidsbonnen naar geleverde tijd en inspanning. J.E. Stokvis noemde hem daarom een 'eenzame uitlooper van de utopische school, van de experimentalisten' in plaats van een 'zuivere vertegenwoordiger van het wetenschappelijk socialisme'. Vliegen typeerde Van Kol als iemand in wie twee socialisten huisden. 'Eén wetenschappelijke, feiten verzamelend en beoordeelend, werkend met statistieken en berekeningen, groot belang stellend in uitvindingen en ekonomische veranderingen - de sociale ingenieur, die de nieuwe maatschappij beschouwt als een bouwwerk en wil dat geen spijker ontbreekt aan het materiaal, noodig om het tot stand te brengen.' Maar in hem zat ook de gevoelssocialist. 'De man die weent bij het zien van lijden en toornt bij het zien van onrecht en dan zeer gauw geneigd is de heele theorie overboord te gooien om als de echtste, meest ouderwetsche utopist, zich iets voor te stellen als een half wonder.

In 1892 ging om gezondheidsredenen Van Kols tweede Europees verlof in. Hij nam de tijd en moeite om op de hoogte te geraken van de toestand van de socialistische partijen. Zo bezocht hij vlak na aankomst in Marseille eind september 1892 het partijcongres van de Franse Guesdisten en ontmoette daar Liebknecht. Half oktober bezocht hij voor een Belgisch blad het Duitse partijcongres in Berlijn. Van Kol was vol bewondering voor juist deze partij met haar bekwame vertegenwoordiging in het parlement. In Nederland zocht hij Domela Nieuwenhuis op. Hij droeg financieel bij aan de aankoop van het pand Walhalla in Den Haag en hij nam een deel van de kosten van Vliegens drukpers in Maastricht op zich. Eind 1892 en 1893 doorkruiste Van Kol Nederland. Hij nam met overtuiging aan de kiesrechtstrijd deel, ook in België. De Van Kols hadden zich in Brussel gevestigd, waar hij met het oog op het internationaal socialistisch congres in Zürich in 1893 het nodige gehoord zal hebben over de meningsverschillen tussen de verschillende socialistische groeperingen. Na een grote kiesrechtdemonstratie in Brussel werd hij door de regering enige tijd verbannen. In Nederland verslechterde de verhouding met Domela, deels omdat zij het in taktisch opzicht niet met elkaar eens waren, deels omdat er tussen beiden financiële moeilijkheden kwamen. Samen hadden zij geïnvesteerd in de koffieplantage Kajoemas op Oost-Java, maar deze bracht nog niet veel op. De onderneming leidde tot een discussie over de 'uitbuiting' van de Javanen, waarbij Van Kol er op wees dat deze er uiteindelijk beter van werden. Financieel moest hij zich nu zeer bekrimpen. Zijn aanvankelijk negatieve houding ten aanzien van Domela's Kamerlidmaatchap uit 1888 was vanwege het streven naar kiesrecht omgeslagen. Hij schreef in het blad De Baanbreker van de opkomende ster P.J. Troelstra en stichtte zelf in april 1894 het blad De Sociaal-Democraat dat tot in juli verscheen. Na enige voorbereidende bijeenkomsten, waarbij hij fungeerde als bemiddelaar tussen de 'heren' en de 'arbeiders', kwam de verklaring der 'twaalf apostelen' uit, van wie Van Kol er een was, en werd eind augustus de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) opgericht. Zijn breuk met de beweging van Domela (de Van Kols hadden Domela eerder vereerd en hun zoon naar hem genoemd) legde hij vast in Mijn afscheid van den Sociaal-Democratischen Bond (Wolvega 1894). Andere publikaties van zijn hand uit deze tijd waren Socialisme en vrijheid (Amsterdam 1893), dat hij opdroeg aan de Russische revolutionaire Vera Zasoelitsj (die hij volgens Troelstra na haar moordaanslag op een wrede gevangenisdirecteur in 1878 vanuit Java ten huwelijk zou hebben gevraagd), Onze aarde zij een paradijs (Gent 1896, Amsterdam 1904), Land en volk van Java (Maastricht 1896) en een boekje over het grondeigendom op Java: La Propriété foncière à Java (Paris 1896). Op 1 september 1895 werd Van Kol medisch afgekeurd. Zelf liet hij zich herkeuren en bleek toen gezond. Hij achtte het waarschijnlijk dat men hem als een te kritische ambtenaar kwijt wilde, ook al was hij nog zo bekwaam in zijn vak.

Van Kols Kamerkandidatuur in 1897 in Winschoten mislukte maar in Enschede won hij bij de herstemming de race van een katholieke opponent. Behalve met het kiesrecht zou hij zich in de Kamer vooral met koloniale aangelegenheden bezighouden. Van Kol, die een trouw bezoeker van internationale socialistische congressen was (Londen 1896, Parijs 1900, Amsterdam 1904, Stuttgart 1907, Kopenhagen 1910 en Basel 1912), schreef voor verschillende van deze congressen nota's over het kolonialisme. In 1901 publiceerde hij in De Nieuwe Tijd zijn 'Ontwerp-Program voor de Nederlandsche Koloniale Politiek'. Dit was bedoeld voor het SDAP-congres van dat jaar maar werd niet algemeen enthousiast ontvangen. Zijn standpunt was nauw verwant aan dat van P. Brooshooft, redacteur van De Locomotief, toen een van de beste bladen in Indië, en C.Th. van Deventer. Dit standpunt werd 'ethisch' genoemd en gold in die tijd als progressief. Elk jaar sprak Van Kol in de Kamer bij de behandeling van de begroting over de 'schandalige' Atjeh-oorlog, die zo kostbaar was en waarvoor de inkomsten vanuit Java moesten dienen. De toestand op Java vond hij bepaald treurig. Van Kol stelde in 1903 voor om de buitenbezittingen af te stoten en Nederland alleen te laten zorgen voor de toestand op Java en Sumatra. Als spreker in de Kamer was Van Kol geen succes. Hij sprak vol gevoel over alle misstanden maar te overdreven en bombastisch. Voor zijn voorstellen kreeg hij nooit veel stemmen. Van Kol, die een sterke behoefte had zich te documenteren, was de motor achter de oprichting in Amsterdam in 1901 van de Sociaal-Democratische Studie Club. Deze kreeg van hem vele onderwerpen om uit te zoeken en in rapporten te beschrijven. De verhouding met Troelstra verliep aanvankelijk zonder grote incidenten, hoewel zij elkaar niet lagen. Van Kol was het oneens met het agrarisch beleid van Troelstra. Toen hij in 1898 bij de defensiedebatten in de Kamer de noodzaak van een leger en de verdediging van het vaderland bepleitte, kreeg hij moeilijkheden met Troelstra, die hoogstens een volksleger wilde. In de internationale socialistische beweging was in 1898 echter de mening van Van Kol algemeen aanvaard. Mogelijk benijdde Troelstra, die kritiek op zijn beleid moeilijk kon verdragen, Van Kol om diens sterke internationale oriëntatie. In 1902 en later bereisde Van Kol de koloniale gebieden opnieuw en schreef hierover informatieve boeken zoals die toen nog niet bestonden: Uit onze koloniën (Leiden 1903; 2 delen), Naar de Antillen en Venezuela (Leiden 1904) en Driemaal dwars door Sumatra en zwerftochten door Bali (Rotterdam 1914). Tijdens zijn reis naar Indonesië in 1902 ontmoette Van Kol ook de Indonesische strijdster voor onafhankelijkheid en vrouwenemancipatie Raden Adjeng Kartini, die al eerder met het echtpaar had gecorrespondeerd. In de Kamer verdedigde hij in 1902 haar subsidieverzoek om in Nederland de opleiding tot onderwijzeres te kunnen volgen. Deze steun verwekte in Indië veel kritiek omdat deze vrouw anders durfde zijn en zo ongetrouwd op kosten van anderen zou kunnen vertrekken. Zij overleed in 1902.

Van Kol bleef Kamerlid tot 1909, toen hij niet werd herkozen. In 1913 kwam er een plaats in de Eerste Kamer vrij. Deze kon hij dankzij stemmen uit de Friese Provinciale Staten bezetten. Toen de getalsmatig zeer vooruitgaande socialisten bij de formatie in 1913 drie zetels in het nieuwe kabinet konden 'krijgen', vonden Schaper, Vliegen en Van Kol dat de SDAP deze kans moest grijpen. Zij haalden zich hiermee de woede van Troelstra op hun hals. In 1913 deelde Van Kol niet de sympathie van de SDAP voor drie bannelingen uit Indië, onder wie Multatuli's achterneef E.F.E. Douwes Dekker. Het ging om de belangrijkste mensen van de Indische Partij die echter geen sociaal-democraten waren. In opdracht van de regering bezocht Van Kol in 1915 Japan om daar de industrialisatie te bestuderen. Over Japan publiceerde hij De ontwikkeling der groot-industrie in Japan (Den Haag 1916; 2 delen), Japan: indrukken van land en volk (Rotterdam 1917) en Oud en nieuw Japan: grepen uit het leven (Rotterdam 1921; met M.W. de Visser). Zijn visie op de oorlog gaf hij in de brochure De komende vrede en de sociaal-demokratie (Amsterdam 1916). Samen met Troelstra vertegenwoordigde hij de partij in het Internationaal Socialistisch Bureau, waarvan Kamiel Huysmans de capabele secretaris was. In 1917 ging Van Kol met de uitgebreide commissie mee naar Stockholm om daar een internationale vredesconferentie voor te bereiden, die uiteindelijk niet zou plaatsvinden. De Nederlandse leden kwamen op 1 mei in Stockholm aan. Omdat Huysmans er nog niet was, droeg Van Kol in de mei-stoet de Belgische vlag. Anders dan Troelstra met zijn uitgesproken pro-Duitse sympathieën was hij voor en tijdens de wereldoorlog pro-Belgisch en zeer Entente-gezind tegen de centrale mogendheden Duitsland en Oostenrijk. Bij de revolutiepoging van Troelstra in november 1918 stond Van Kol opnieuw tegenover hem. In 1919 woonde hij in Aywaille, niet meer met Nellie maar met de Japanse journaliste Otawa Tomi. Hij publiceerde over het Indonesisch-nationaal streven en debatteerde hierover met H. Colijn: Het Nederlandsch-Indisch land-syndicaat. Met een open brief van H. Colijn, tot den schrijver gericht, en diens 'Antwoord' (Amsterdam 19212). Van Kol was actief in de in 1889 opgerichte Interparlementaire Unie, die het belang van volksvertegenwoordiging propageerde en ook bedoeld was om het streven naar vrede aandacht en ruimte te geven. Hiervoor schreef hij het rapport De koloniale mandaten en de Volkenbond (Amsterdam 1923). In 1924 trok hij zich vrijwillig uit de Eerste Kamer terug. Zijn invloed op koloniaal terrein was net als van de overige ethici afgenomen. Hij had belangstelling voor theosofie gekregen en zag wat in het gebruik van de wichelroede als middel voor het vinden van waterbronnen. Aan zijn leven kwam in 1925 een plotseling einde als gevolg van een auto-ongeluk en een inwendige bloeding. Hij werd op Westerveld gecremeerd.

Archief: 

Archief H.H. van Kol in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens 2, 287-288).

Publicaties: 

Het Internationaal Socialistisch Arbeiderskongres te Zürich' in: De Sociale Gids, 1893, 423-440; 'Onze politieke strijd. Onbillijke kritiek' in: De Sociale Gids, 1894, 139-143, 145-159, 241-249; Vrouwen der Fransche revolutie (Amsterdam 1901); 'Uit de oude doos (1870-1872)' in: Na tien jaar. Gedenkschrift bij het tienjarig bestaan der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (Amsterdam 1904) 164-166; Nederlandsch-Indië in de Staten-Generaal van 1897 tot 1909. Een bijdrage tot de geschiedenis der koloniale politiek in Nederland (Den Haag 1911); 'De strijd der S.D.A.P. op koloniaal gebied' in: Gedenkboek ter gelegenheid van het vijf en twintig-jarig bestaan der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in Nederland (Amsterdam 1919) 89-95; De strijd der S.D.A.P. op Koloniaal Gebied (Amsterdam 1920); 'Jeugdhernneringen' in: Weekend. Geïllustreerd weekblad, 19.9.1924, 302-305; bibliografie in: Stokvis (1932; zie onder literatuur) 237-241.

Literatuur: 

Scipio (= H. Heijermans), 'Silhouetten uit de arbeidersbeweging' in: De Jonge Gids, 2 (1898-1899) 711-713; Augur, Van het Haagsche Binnenhof. Parlementaire schetsen (Amsterdam 1901) 49-53; Vliegen, Dageraad II, 313-326; F. Netscher, 'Karakterschets H. van Kol' in: De Hollandsche Revue, 1905, 100-120; J. Katoen (= A. van Emmenes), De Sociaal-demokraten in de Tweede Kamer I. Met een persoonsbeschrijving van Mr. P.J. Troelstra en H.H. van Kol (Amsterdam 1906); R.A. Kartini, Van duisternis tot licht (Den Haag 1911); M. van Geuns, De heer Van Kol over de groot-industrie van Japan (z.pl. 1916); Vliegen, Kracht I, 93-99; 'Henri Hubert van Kol overleden' in: Het Volk, 24.8.1925; 'Van Kol herdacht. Een groot verlies voor Indië' in: Het Volk, 25.8.1925; 'Van Kol herdacht' in: Het Haagsche Volk, 26.8.1925; F. van der Goes, 'Bij den dood van Van Kol' in: Het Haagsche Volk, 27.8.1925; Ch.G. Cramer, 'H.H. van Kol overleden' in: De Socialistische Gids, 1925, 809-812; A.W. IJzerman, 'Ter herdenking van Henri Hubertus van Kol' in: De Indische Gids, oktober 1925, 865-881; R.A. van Sandick in: De Ingenieur, 1926, 1025-1028; P.J. Troelstra, Gedenkschriften (1927-1931); J.E. Stokvis, 'Levensbericht van H.H. van Kol (23 Mei 1852-22 Aug. 1925)' in: Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1931-1932 (Leiden 1932) 193-241; J. H. Schaper, Een halve eeuw strijd (Groningen 1933, 1935); D.J. Wansink, Het socialisme op de tweesprong (Haarlem 1939); P. van 't Veer, 'Ir. Henri Hubertus van Kol' in: Socialisme en democratie, 1956, 240-247, 305-314; P. van 't Veer, Geen blad voor de mond. Vijf radicalen uit de 19e eeuw (Amsterdam 1958) 183-217; D.M.G. Koch, Batig slot (Amsterdam 1960) 87-96; F. Tichelman, 'De SDAP en Indonesië, 1897-1907. Enkele gegevens en problemen' in: De Nieuwe Stem, 22 (1967), nr. 12, 683-723; S. Soeroto, Kartini. Pionierster van de Indonesische onafhankelijkheid en vrouwenemancipatie (Franeker z.j.; oorspronkelijk Jakarta 1977) 105-120; E.H. Kossmann, The low countries (1780-1940) (Oxford 1978); E. Hansen, 'Marxists and imperialism: the Indonesian policy of the Dutch Social Democratic Workers Party, 1894-1914' in: C. Fasseur (red.), Geld en geweten I (Den Haag 1980) 214-235; E. Locher-Scholten, Ethiek in fragmenten ... 1877-1942 (Utrecht 1981); H.A. van Wijnen, 'De vergeten Henri van Kol' in: Het Parool, 3.8.1983; J. Perry, Roomsche kinine tegen roode koorts (Amsterdam 1983); M. Brinkman, 'Henri van Kol op de bres voor de kinderen in de Rijksopvoedingsgestichten' in: Socialisme en democratie, 1984, 41-44; F. Tichelman, 'De sociaal-democratie en het koloniale vraagstuk (De SDAP en Indonesië, 1894-1914)' in: M. Campfens, M. Schrevel, F. Tichelman (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 158-171; M. Campfens, 'De Sociaal-Democratische Studieclub (Haar geschiedenis en enquêtes, 1901-1921)' in: M. Campfens, M. Schrevel, F. Tichelman (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 172-190; F. Tichelman, Socialisme in Indonesië. De Indische Sociaal-Democratische Vereeniging 1897-1917 (Dordrecht 1985); M. Buschman, T. Pollmann, 'Een goed bewaard sociaal-democratisch geheim: apostel Van Kol en Domela Nieuwenhuis en hun koffieplantage op Java' in: Vrij Nederland, 7.2.1987 met reacties in 28.2 en 28.3.1987; F.G. van Baardewijk, 'Kol, Hendrikus Hubertus van' in: BWN III, 346-348; F. Dieteren, 'Porreij, Jacoba Maria Petronella' in: BWN III, 462-464; E. Smissaert, 'Al moeite om niet?' in: Recht door zee. Bijdragen tot de geschiedenis van de socialistische arbeidersbeweging in het arrond. van Oostende, Veurne, Diksmuide, 1, 1990, 13-22; B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); J. Meyers, Domela. Een hemel op aarde (Amsterdam1993); H.M.T.M. Giebels, Katholicisme en socialisme (Tilburg 1994); J. Perry, De voorman (Amsterdam 1994); H.W. van den Doel, Het Rijk van Insulinde. Opkomst en ondergang van een Nederlandse kolonie (Amsterdam 1996).

Portret: 

Hendrikus Hubertus van Kol, uit: D.M.G. Koch, Batig slot (Amsterdam 1960)

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 116-123
Laatst gewijzigd: 

25-03-2003