KRIJTHE, Hendricus Cornelius Josephus

Hendricus Cornelius Josephus Krijthe

publicist en vrijdenker, is geboren te Arnhem op 19 september 1825 en overleden te Coevorden op 16 mei 1902. Hij was de zoon van Hendricus Josephus Krijthe, koekenbakkersknecht, koopman, en vanaf 1848 rentenier, en Maria Appolonia Stork. Op 26 april 1848 trad hij in het huwelijk met Johanna Everdina Boerrigter, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Bijnaam: De profeet van Coevorden.

Tijdens zijn verblijf in Duitsland vanaf omstreeks 1845 begon Krijthe de geloofszekerheden van zijn streng calvinistische opvoeding te verliezen. In Magdeburg maakte de sociaal, ethisch en rationalistisch getinte 'freireligiöse' gemeente van prediker L. Uhlich op de jonge Krijthe een diepe indruk. Hij bleef de politieke ontwikkelingen in Nederland volgen en deed in 1849 in zijn brochure Eene stem uit Duitschland een beroep op de pas aangetreden koning Willem III om aandacht voor de benarde positie van het volk te hebben, anders 'zal 't Volk zulks op U wreken!' De koning moest de macht van de geldaristocratie volgens Krijthe weren. Na zijn huwelijk kocht hij een landgoed in Bentheim, maar keerde in juli 1870 naar Nederland terug om zich als grondeigenaar in Coevorden te vestigen, waar hij een geïsoleerd bestaan leidde.

Krijthe was autodidact, schreef en filosofeerde graag. Hij hield van J.W. Goethe, H. Heine en J.G. Herder en dichtte zelf ook. Daardoor legde hij contacten in literaire kringen, zodat zijn werkjes in 1874 onder Multatuli's aandacht kwamen. Met invloedrijke aanhangers van het modernisme als de hoogleraren C.W. Opzoomer en L.W .E. Rauwenhoff onderhield hij contacten. De laatste bracht Krijthe ertoe lid te worden van de in 1870 gestichte Nederlandsche Protestantenbond. Hierin ontpopte hij zich echter als een onvermoeibaar strijder tegen het in zijn ogen halfslachtige modernisme. Hij verweet bij voortduring de bond zijn 'kerkelijkheid' en gemis aan politieke activiteit en werd zo 'de schrik der Protestantendagen'. Krijthe verklaarde lid te zijn geworden om te kunnen 'protesteeren'. Hij verloor laatstgenoemde contacten maar maakte in de bond kennis met F. Domela Nieuwenhuis, met wie een hechte vriendschap voor het leven groeide. Zij prezen in 1877 Uhlich in De Hervorming, het blad van de bond. In dat jaar laakte Krijthe het modernisme in het vrijdenkersblad De Tolk van den Vooruitgang en in zijn brochure Eene volkskritiek (Coevorden 1877). Zijn stellingname werd scherper en hij verklaarde dat 'godsdienstig geloof, hoe dan ook verkondigd, schadelijk moest worden geacht'. Het natuurwetenschappelijk materialisme van L. Büchner sprak hem zeer aan. Krijthe trachtte zijn opvattingen over godsdienst en politiek bij het volk ingang te doen vinden en werd een ijverig publicist. In de provinciale pers evenals in De Werkmansbode (1878) bepleitte hij het algemeen mannenkiesrecht en het openbaar volksonderwijs. Gesprekken met F. Domela Nieuwenhuis en hun soms wekelijkse briefwisseling hadden een grote invloed op zijn denken. Zo kwam hij in aanraking met het socialisme. Krijthe begroette de verschijning van Recht voor Allen enthousiast en werd vanaf december 1879 voor een aantal jaren medewerker. Hij schreef in het blad uitvoerig over de positie van het volk, het kiesrecht en was verwikkeld in polemieken. Zo viel hij in 1881 de 'heeren' van het Comité voor Algemeen Stemrecht op hun eigen rijkdom aan, terwijl zij volgens Krijthe het volk wilden bevrijden van de overheersing van het geld. Carolina Lacet bekritiseerde hem in hetzelfde jaar omdat hij niet over vrouwenkiesrecht sprak, waarop Krijthe in Carolina of de roeping der vrouw (Haarlem 1882) antwoordde dat stemmen aan de man moest worden overgelaten. Hun polemiek stond een vriendschap niet in de weg. Toen De Dageraad een stuk van haar weigerde, gaf Krijthe dit uit onder de titel Een Dageraadsheldin (Coevorden 1883). In juli 1881 besprak hij in Recht voor Allen Domela's Kapitaal en arbeid (1881). Krijthe behoorde ook tot het kleine groepje propagandisten voor het socialisme. Hij sprak voor werkliedenverenigingen onder meer te Groningen en in november 1881 voor de Sociaal-Democratische Vereenigingen in Amsterdam, Haarlem en Den Haag. Hij droeg daarbij ook eigen gedichten voor. Krijthe genoot enige bekendheid als voorspeller van de toekomst na afloop van zijn voordracht, wat hem de bijnaam 'de profeet van Coevorden' bezorgde. Krijthe werd in 1881 medewerker van De Dageraad en trad in 1882 onder invloed van Multatuli en J. van Vloten tot de gelijknamige vrijdenkersvereniging toe. Op aandrang van Domela Nieuwenhuis bleef hij echter lid van de Nederlandsche Protestantenbond. Krijthe vroeg de deelnemers aan het internationale Vrijdenkerscongres te Amsterdam (1883) de broodvraag centraal te stellen en kwam een jaar later in De Dageraad op voor een socialistische stellingname.

Krijthe heeft nooit deel uitgemaakt van de georganiseerde arbeidersbeweging. Wel belegde hij in 1882 een vergadering met Domela Nieuwenhuis in zijn woonplaats, maar de socialistische beweging kwam in Drenthe pas van de grond toen Krijthe op leeftijd was. Nog in 1892 schreef hij Domela Nieuwenhuis: 'Gij leeft te midden van de sociaal demokratische wereld en ik midden in de wereld der geloovigen'. Bovendien profileerde Krijthe zich als 'onafhankelijk denker'. Joan A. Nieuwenhuis schreef hierover: 'Zijn onafhankelijk denken uitte zich trouwens in hoofdzaak, door een dwars-ingaan tegen al wat destijds doorging voor geijkte waarheid en officiële wetenschap'. Krijthe volgde de socialistische beweging wel op de voet en schreef er in de jaren negentig af en toe over in De Klok. Hij stond achter de strijd tegen de Volkspartij, maar bepleitte tegenover Domela Nieuwenhuis in 1892 de politieke weg en analyseerde in 1893 de dreigende scheuring. Hij werd overigens geen sociaal-democraat. Krijthe was individualist en citeerde in november 1901 met instemming M. Stirners 'Mir geht nichts über mich'. Hij verklaarde zich tegen privaatbezit en gezag, maar keerde zich af van het antimilitarisme en vegetarisme. Volgens Domela Nieuwenhuis was Krijthe 'niet handelbaar genoeg'. Veel van zijn kritieken waren buiten proporties en werden daarom niet geplaatst. Op vergaderingen riepen zijn wijze van debatteren - hij wees voortdurend op de noodzaak consequent te zijn - en zijn ellenlange interrupties niet zelden verontwaardiging op. Het contact met Domela Nieuwenhuis werd door zijn kritische houding niet verstoord. Integendeel, het scherpte diens denken over lastige vragen die Krijthe hem voorlegde. Domela vroeg hem meerdere malen naar zijn oordeel, zoals over de concepttekst van De geschiedenis van het socialisme, die in 1902 en 1903 verscheen. Krijthe paste in de traditie van het Verlichtingsdenken. Aan Domela Nieuwenhuis schreef hij: de 'meenigte wilde ik een licht ontsteken waardoor zij tot nadenken gebracht werd; en denkende wezens worden vrij'. Krijthe heeft vooral 'het geloof aan buitenissigheden' tot het eind van zijn leven met de pen bestreden om 'waarheid te doen zien'.

Archief: 

Archief H.C.J. Krijthe (opgenomen in archief F. Domela Nieuwenhuis) in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 186).

Publicaties: 

Religionsreise, eines schlichten Landmannes von der holländischen Grenze (z.pl. z.j.); Eene Stem uit Duitschland aan Zijne Majesteit Willem III, Koning der Nederlanden, na Zijne beëdiging (Zierikzee 1849); Bessere Tage für die gebildete Welt (Magdeburg 1872); Om der waarheid wille. Open brief aan Mr C.W. Opzoomer, over de gewichtigste belangen der menschheid. Een opwekkend woord aan alle vrienden der waarheid (Coevorden 1874); Open brief aan Z.M. Willem III (Assen 1876); Herfstbloemen en herinneringen aan 1872 (Leeuwarden 1886); Dr. H.U. Meijbooms en W.M. Salters waardeerende uitspraken aangaande de beginselen der sociaal-democratie (1889); De weg tot geluk. Eene lezing. Met inleidend woord van H.C. Muller (Amsterdam 1899).

Literatuur: 

Morgenrood, 1894, nr. 37, 292-293; De Vrije Socialist, 21.5.1902; F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910) 41-46; H.U. Meijboom, De Nederlandsche Protestantenbond van 1870 tot 1920 (Groningen 1921); J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933) 66-69; J. Lindeboom, Geschiedenis van het vrijzinnig protestantisme. Deel III (Assen 1935); L. Buning, 'Hendricus Cornelius Josephus Krijthe. De "landman-wijsgeer van Koevorden" in: Mededelingenblad, nr. 33, december 1967, 9-23, herdrukt als 'Krijthe, de vertrouwensman van Domela Nieuwenhuis in Drenthe' in: Nieuwe Drentse Volksalmanak, 1968, 28-52; P.H. Hoekman, 'Krijthe, Hendricus Cornelis Josephus' in: J. Bos, W. Foorthuis (red.), Drentse biografieën, 2 (Meppel/Assen 1990) 79-82; H.D. Minderhoud, Hendricus Cornelis Josephus Krijthe (Coevorden z.j.).

Portret: 

H.J.C. Krijthe, uit: Morgenrood, 1894, 292

Auteur: 
L. Buning, Piet Hoekman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 108-111
Laatst gewijzigd: 

24-06-2002