KULK, Willem van der

Willem van der Kulk (Willem van lependaal)

(uitsluitend bekend als Willem van lependaal), schrijver en spreker over sociaal onrecht, is geboren te Rotterdam op 24 maart 1891 en overleden te Baarn op 23 oktober 1970. Hij was de zoon van Joris van der Kulk, hoofdconducteur bij de Spoorwegen, en Wilhelmina Jacoba Helena Burgsteijn. Op 2 september 1931 trad hij in het huwelijk met Josephina Hermina Klapwijk, huisvrouw, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.
Pseudoniemen: Willem van Iependaal (ook gespeld als Van lependael), Pollie.

Van der Kulk was een jongen van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Uiteindelijk zou hij naam maken als Willem van Iependaal, schrijver van sappige romans over de Rotterdamse penose. Hij kende die wereld van binnen uit. Hoewel hij vernoemd was naar een grootvader die het beroep van diender had uitgeoefend, vertoonde Willem als kind al een weerbarstige natuur. Verscheidene schoolmeesters zagen zich gedwongen hem heen te zenden. Na korte episodes op de school voor Meer Uitgebreid Lager Onderwijs, de tuinbouwschool en een afgebroken opleiding tot bouwkundig tekenaar vertrok Van der Kulk ten slotte naar Engeland, waar hij als tuinder werkte bij een rijke familie. Misschien bracht een vurige maar hopeloze liefde voor de dochter des huizes hem er toe rond 1915 dienst te nemen in het Britse leger. Ten aanzien van de dochter sorteerde dit niet het gewenste effect. Hij kwam in België in de loopgraven terecht en keerde geschokt, als hartgrondig antimilitarist terug naar zijn geboortestad. Wegens dienst in vreemde krijgsmacht raakte hij het Nederlands staatsburgerschap kwijt. In Rotterdam kwam hij niet duurzaam aan de slag, maar met ongebruikelijke handelspraktijken bezorgde hij zich toch een inkomen. Verschillende vrijheidsstraffen wegens oplichting waren het gevolg. In 1923 zat hij zijn laatste en langste gevangenisstraf uit in Scheveningen, waar hij de tijd bekortte met het schrijven van grimmige gedichten over de ontrechten in de samenleving. Via gevangenisdominee en SDAP-Kamerlid A. van der Heide kwamen die terecht bij A.M. de Jong, dan al gevestigd schrijver, die Van der Kulk aanmoedigde zijn literair talent verder te ontwikkelen. De Jong zorgde ook voor publikatiekanalen en zo verschenen in 1931, onder pseudoniem Pollie, de eerste gedichten in de Rotterdamse Voorwaarts. In hetzelfde jaar vestigde de pas getrouwde Van der Kulk zich in het Rotterdamse Tuindorp-Vreewijk aan de 'Iependaal'. Als Willem van Iependaal begon hij een tweede leven, geestelijk gecoacht door De Jong en zijn vrouw Fie, die hem weerhield van verdere excursies in de penose. In De Notenkraker publiceerde Van Iependaal vanaf eind 1932 tot begin 1936 in totaal 214 gedichten. Andere poëzie en 'Brieven van een frontsoldaat' verschenen in Oorlog of vrede, 'algemeen weekblad voor democratische samenwerking, nationale ontwapening en internationale aaneensluiting' onder redactie van Paul Kiès, De Nieuwe Weg en De Vrijdenker. Van Iependaal was kortstondig voorzitter van de afdeling Rotterdam-Linker Maasoever van de vrijdenkersvereniging De Dageraad. In november 1932 werd hij geroyeerd omdat hij goederen van de vereniging ten eigen bate verkocht zou hebben. Van Iependaal, zelf een politiek weinig uitgesproken figuur, had niet alleen vrienden bij de SDAP maar ook in revolutionair-socialistische kring. Hij was enige tijd spreekkoorleider bij de Revolutionaire Jeugdbond, kende Geert van Oorschot goed en raakte betrokken bij het Rotterdamse arbeiders-schrijverscollectief Links Richten. Dit opereerde sinds de zomer van 1931, los van de later gevormde Amsterdamse groep onder leiding van Jef Last, vanuit Tuindorp-Vreewijk, waar veel van zijn arbeidersleden woonden. De Rotterdamse groep gaf enkele dichtbundels uit waaraan Van Iependaal meewerkte. Vermoedelijk is hij eind 1931 al uit het collectief gestapt uit onvrede met de groeiende invloed van de Communistische Partij in Nederland. Aan het latere blad Links Richten heeft hij nooit meegedaan en met Jef Last voelde hij niet de minste verwantschap.

De eerste dichtbundel met uitsluitend eigen werk van Van Iependaal verscheen in 1932 bij Querido in Amsterdam, Liederen van den zelfkant, met een bewonderend voorwoord van A.M. de Jong. De gedichten, doorspekt met bargoens, richtten zich op niet mis te verstane wijze tegen kerk, kapitalisme en de Nederlandse rechtspraak. 'Barstte de wereldkloot / Opstoot onder me poot: / Pijn in me knikker! / Valle me door de duig, / Dan is dat rijke tuig / In vos- en bereruig, / Ook naar de flikker!' Tot vervelens toe werd Van Iependaal vergeleken met Koos Speenhoff en rauwer en bitterder bevonden. In een recensie van de bloemlezing Flarden (Amsterdam 1932), met werk van onder anderen Van Iependaal, Garmt Stuiveling en Jac. van Hattum, noemde Simon Vestdijk hem 'de interessantste der revolutionaire dichters', maar hij was van mening dat de gedichten niet vóór het volk geschreven waren. Dit gold misschien wel voor Van Iependaals poëzie, maar zeker niet voor de twee romans waar hij grote populariteit mee verwierf, Polletje Piekhaar (Zeist 1935) en zijn opvolger Lord Zeepsop (Zeist 1937). Pol, Balletje, Broekhuis en Blommehektonia, de kleurrijke types uit deze romans, werden nationaal een begrip. In Brussel verscheen een Franse vertaling van beide titels, Main basse. Van Iependaal verwerkte veel eigen ervaringen uit de Rotterdamse onderwereld in deze boeken. Ook hier was zijn boodschap: vóór de volkse eenvoud, tegen de schijnheiligheid van de hogere kringen. In 1934 was hij naar Amsterdam verhuisd, van waaruit hij optrad met het Politiek Cabaret De Notenkraker. Ook maakte hij deel uit van het toneelgezelschap De la Mar-Klein. Hij hield lezingen en voordrachten, waarbij hij zichzelf op de harmonica begeleidde. Vrijwel ieder jaar schreef hij nu een roman en doorgaans waren ze succesvol, al meende de officiële kritiek dat zijn vasthoudende gebruik van de volkstaal - of wat hij daar onder verstond - gekunsteld aandeed. Hij kon nu leven van wat zijn pen opbracht. In de oorlog verhuisde het gezin naar Heiloo en van daaruit in 1943 naar Laren, waar in samenwerking met Mels, de zoon van A.M. de Jong, onderduik verleend werd aan tientallen joden. Een groot verdriet in deze tijd vormde het verlies van zijn dochtertje, zeven jaar oud. A.M. de Jong, zijn bewonderde en vereerde vriend, werd in oktober 1943 vermoord. Na de oorlog was Van Iependaal zijn wilde haren min of meer kwijt, al werd hij nooit een meneer. Door toedoen van minister van Justitie L.A. Donker kreeg hij in 1954 wegens zijn verdiensten in het verzet het Nederlanderschap terug. In opdracht van het NVV schreef hij een romancyclus over de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging, de trilogie Gegist bestek, Vaste Koers en Behouden vaart (Amsterdam 1947-1950). De romans beslaan de periode 1886 tot 1917. Historische personen als Klaas Ris of W.P.G. Helsdingen vervullen onbeduidende bijrollen, terwijl gebeurtenissen zijn weergegeven in overpeinzingen of dialogen van de fictieve hoofdpersonen. Zelf vond Van Iependaal Polletje Piekhaar tienmaal makkelijker te schrijven dan dit. Zijn geworstel laat zich uit de tekst wel aflezen. Meer plezier had hij bij het schrijven van hoorspelen voor de VARA en bij de voordrachten over volkstaal en volkshumor die hij door het hele land hield ook voor de in zijn woonplaats gevestigde landelijke Communistische Partij school. In Bef, boef en bajes (Den Haag 1952) verzette hij zich nogmaals tegen het in zijn ogen onmenselijke strafrechtsysteem. Na een bezoek in 1951 aan enige gevangenissen moest hij toegeven dat er veel verbeterd was sinds de tijd dat hij zelf gedetineerd was geweest. De strekking van zijn boek was niettemin dezelfde als die van zijn debuut Liederen van den zelfkant, maar nu koos hij de vorm van een quasi-wetenschappelijk betoog. In 1975 en in 1988 waren er kleine Van Iependaal-oplevingen. De eerste werd met een televisie-uitzending aangezwengeld door Jaap van de Merwe, de tweede door de opera Pol, een bewerking van Polletje Piekhaar en Lord Zeepsop, die ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Rotterdamse schouwburg in 1988 werd opgevoerd. De laatste herdruk van Polletje Piekhaar verscheen dat jaar in de Salamanderreeks bij Querido. Een gedenksteen op het pand Iependaal 23b, in 1987 onthuld door Van Iependaals weduwe, moest drie jaar later van de sloop gered worden.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: (bijdragen in) Verzet. Bundel gedichten (z.pl. 1931) en Van onder op (z.pl. 1932); Over de leuning en langs de kaai (Amsterdam 1934); (bijdragen in) Mei 1934. Internationale feestbundel (Hilversum 1934); Acht proletarische liederen. Op muziek gezet door Jos van Leeuwen (Rijswijk z.j.); Liedjes van ordelijke ellende (z.pl. z.j.); Tusschen kuil en achterdoek (Maastricht 1936); De vink op de waslijn (Amsterdam 1937); Kluivenduikers doedeldans. Vignetten van A. Hahn jr. (Amsterdam 1937); Kriebeltjes hoogtepunt (Amsterdam 1937); Adam in ongenade (Amsterdam 1938); De dans om de rinkelbom (Amsterdam 1939); De bocht in de vaart (Amsterdam 1940); Hakkie Boeman (Hoorn 1941); Gantelhoven's ereprijs (Amsterdam 1941); Polletje Piekhaar en Lord Zeepsop. Door den auteur herz. uitg. (Amsterdam 1942); (samen met H. de Groot) Holland is weer vrij. Rijmprent (Bussum 1945); Op drift. Liedjes van deze tijd (Bussum 1945); Gongslagen. Liedjes van ordelijke ellende (z.pl. z.j.); De aarde wacht! Lekenspel in vier taferelen (Amsterdam z.j.); De poort aan de zandweg. Spel voor de vakbondsjeugd (Amsterdam z.j.); Amalia Boterbies (Rotterdam z.j.); Ik, Willie Sutton (Assen z.j.; oorspronkelijke titel: I, Willie Sutton door Quentin Reynolds, naverteld door Willem van Iependaal); Op last van Heeren Zeventien (Amsterdam 1946); Speldeprikken. Verzen (Amsterdam 1946); Petrus in dubio (Bussum 1947); Madame Pedasco. Tweede omgewerkte druk van 'De dans om de rinkelbom' (Amsterdam 1947); Alle liederen van de zelfkant (Amsterdam 1950); Vlieg er eens uit! (Amsterdam 1950); De commissaris kan me nog meer vertellen (Amsterdam 1951); Onder de pannen. Belevenissen in hotel Stoot je hoofd niet, de lijmkit van Moeke Mullemans (Bussum 1951); (met G. van Veldhuizen) De trap (Den Haag 1952); Denk om de bocht! Karre maar! (Bussum 1952); Madame Pedasco. Toneelspel naar de gelijknamige roman (Gouda 1953); Onder de pannen. Toneelbewerking van de gelijknamige roman (Gouda 1954); Mijn Rotterdam (Assen 1954); Uit het journaal van Chris Krabbedregger (Meppel 1955); Volkstaal en volkshumor (Bussum 1956); Blonde Manus (Bussum 1959); Omnibus (Bussum 1963); Liederen van de zelfkant (Amsterdam 1975; keuze van J. van de Merwe).

Literatuur: 

M. ter Braak in: Letterkundige Kroniek II (1934) 19, 107; H. Gerversman, 'Willem van Iependaal' in: De Vlam, 1.3.1947; G. Harmsen, 'Willem van Iependaal als geschiedvervalser' in: ABC, december 1949; P.J. Meertens, 'Willem van Iependaal zestig jaar' in: De Vlam, 24.3.1951; 'De penoze contra de koperen knopen' in: De vijf vocalen, april 1951, 1; 'In gesprek met Willem van Iependaal' in: Vrij Nederland, 14.7.1951; Nederlands Juristenblad, 18.8.1951; B. Meijer, Van onder op! Vooroorlogse herinneringen van een Rotterdams arbeider (Rotterdam 1971) 8-28; J. van de Merwe, Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten! Het proletariërslied in Nederland en Vlaanderen (Utrecht 1974) 373; VARA-Gids, 7.6.1975; Tokkelen op de botte bijl. VARA-special door J. van de Merwe, juni 1975; Projektgroep Literatuursociologie, Links Richten tussen partij en arbeidersstrijd. 2 delen (Nijmegen 1975); Fr. van Leeuwen, De deur op een kier (Den Haag 1981, bewerking en nawoord M. Mooij) 54; 'Het leven van Willem van Iependaal' in: Rotterdams Nieuwsblad, 29.1, 5.2, 14.2, 21.2, 1.3, 4.3 en 8.3 1986; 'Willem van Iependaal vocht tegen onrecht' in: Het Vrije Volk, 11.4.1988; 'Grootkansel, kettingnegotie en schaduwstapelaars' in: de Volkskrant, 15.4.1988; H. Franke, Twee eeuwen gevangen. Misdaad en straf in Nederland (Utrecht 1990).

Portret: 

W. van der Kulk, Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag)

Auteur: 
Margreet Schrevel
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 161-165
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002