LEEUWE, Jules de

psycholoog en communistisch filmkeurder, werd geboren op 7 januari 1913 in Amsterdam en overleed op 8 november 1997 in Den Haag. Hij was de zoon van Louis de Leeuwe, pianist, colporteur en handelsreiziger, en Rebecca Bamberg, naaister. Op 1 april 1942 trad hij in het huwelijk met Sara (Suze) Polack, PTT-telegrafiste. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 6 november 1945. Op 28 december 1945 trad hij in het huwelijk met Louise Adrienne van Heel, lerares aan een school voor maatschappelijk werk, met wie hij een door hem geëchte zoon en een dochter grootbracht.

De Leeuwe groeide vrij van geloof op in een artistiek joods gezin. Zijn moeder stamde uit een geslacht van goochelaars, muzikanten en theatermensen en zijn (enige) zuster Engelina ging al jong bij het toneel en zou daarin later als Enny Mols-de Leeuwe een legendarische status verwerven. De Leeuwe werkte na de vijfjarige Hogere Burger School een paar jaar als redacteur bij het persbureau Vaz Dias en begon in deze jaren hoorspelen en gedichten te schrijven. In 1933 maakte hij het scenario voor een speelfilm met een hoofdrol voor zijn zuster Enny. De opnamen voor Contact werden wel voltooid maar de film haalde het witte doek niet. Een tekst die hij in 1934 instuurde naar het literaire tijdschrift Forum bracht evenmin een doorbraak. ‘Uiteraard komt uw artikel voor plaatsing niet in aanmerking’, reageerde redacteur Menno ter Braak kortweg. De Leeuwe besloot op zijn vijfentwintigste psychologie te gaan studeren, maar als student en beginnend literator moest hij ook voor brood op de plank zorgen. Eind jaren dertig werd hij medewerker van het communistische dagblad De Tribune. Zijn eerste ondertekende stuk (26 februari 1937) ging over het Leger des Heils als verkapte strafinstelling in dienst van de overheid. Tijdens de Duitse bezetting werkte hij op de afdeling Financiën van de in februari 1941 opgerichte Joodsche Raad voor Amsterdam. In 1942 deed hij doctoraalexamen in Amsterdam en trouwde hij met Suze Polack. In maart 1943 dook De Leeuwe met identiteitspapieren van Jules Karelsen onder in Den Haag en vond daar een baantje in een boekhandel. Zijn vrouw en hij overleefden de bezetting, maar hun huwelijk eindigde. 

Een van De Leeuwes eerste daden na de bevrijding was het hernieuwen van zijn lidmaatschap van de Communistische Partij in Nederland (CPN). In juni 1945 kreeg hij een aanstelling als redacteur buitenland bij het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) en werd hij ook redacteur Kunst bij het partijdagblad De Waarheid. Hij scheidde, hertrouwde en stichtte een gezin met Louise van Heel, die al een zoon had. Hun eerste zoon overleed na enkele dagen in de couveuse. In De Waarheid schreef De Leeuwe vooral over film en hij hield inleidingen bij films die in het CPN-circuit vertoond werden. Daardoor kon hij in 1946 lid worden van de Centrale Commissie voor de Filmkeuring. De Filmkeuring streefde bij de samenstelling van haar zestigkoppige lichaam naar een afspiegeling van de maatschappij. Eén communist leek dan weinig, zeker gezien de populariteit van de CPN kort na de oorlog, maar het lukte de partijleiding niet om meer mensen afgevaardigd te krijgen. Daarom streed De Leeuwe jarenlang als Don Quichot tégen de Hollywoodfilm en vóór de Sovjet-Russische film. Naarmate de Koude Oorlog vorderde, ontwaarden de overige commissieleden steeds vaker ‘leugenachtige propaganda’ op het doek. In september 1948 werd voor het eerst een Sovjetfilm verboden (De laatste nacht van Juli Raizman). Zeventien andere kwamen wel door de keuring. Soms moest De Leeuwe een herkeuring aanvragen om dat gedaan te krijgen. In het keuringsrapport van Tarzan, ook uit 1948, wilde De Leeuwe zijn minderheidsstandpunt aangetekend zien: ‘dat de film onzedelijk is omdat de niet-geciviliseerde bevolking van Afrika op minderwaardige wijze wordt voorgesteld’. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit. De Leeuwes loopbaan bij de Filmkeuring hing van de conflicten aan elkaar en het waren lang niet altijd ideologische kwesties. Zijn optreden werd door collega’s als ‘dwingerig, hautain en ruziemakerig’ ervaren. Men nam het hem kwalijk dat hij in De Waarheid uit de school klapte over commissieaangelegenheden en dat hij op het kantoor van de Filmkeuring kaartjes verkocht voor besloten filmvoorstellingen van de CPN. Een poging hem te schorsen werd niet doorgezet, maar in 1951 liep zijn termijn af. Er was niemand die zijn vertrek betreurde en naar een nieuwe communist werd niet gezocht. 

Rond deze tijd werd De Leeuwe ontslagen bij het ANP omdat hij een persbericht tendentieus vertaald zou hebben en ook zijn aanstelling bij De Waarheid eindigde. Langdurige perioden van werkloosheid bepaalden zijn verdere leven en dat van zijn gezin. Af en toe was er inkomen als een door hem geschreven hoorspel werd uitgevoerd. De Leeuwe schreef tientallen ongecompliceerde whodunnits voor de radio in de jaren vijftig en zestig, waarvan er slechts enkele werden uitgezonden, en hij publiceerde verschillende dichtbundels. Nadat hij in Utrecht was gepromoveerd op het proefschrift Over het onbewust beleven (1947), waarin hij de ideeën van Sigmund Freud en andere geleerden documenteerde, verschoof zijn interesse van de psychologie naar de sociologie en culturele antropologie. Al zijn wetenschappelijk werk stoelde sindsdien op het marxisme. De studie van collectieven en collectieve gedragingen paste daar ook beter bij. Het onderzoek dat hij uitvoerde naar pijn bij de bevalling was een tussenstap in dit proces. Onder supervisie van de hoogleraar psychologie H.C.J. (Bert) Duijker en gefinancierd door de Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek deed De Leeuwe van 1962 tot 1964 onderzoek in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. Hij rustte zichzelf voor de gelegenheid met de titel ‘bevallingspsycholoog’ uit. Bij tientallen bevallingen maakte hij aantekeningen over het verloop, nadat hij op diverse manieren de psychische constitutie van de kraamvrouw had onderzocht. Zijn met wetenschappelijke mitsen en maren ingeklede conclusie was dat de baring soepeler verliep naarmate vrouwen evenwichtiger waren. Ook was zwangerschapseducatie van wezenlijk belang voor het positief ervaren van de bevalling. De resultaten van het onderzoek werden in verschillende vaktijdschriften gepubliceerd, maar de verhoopte vaste aanstelling bij het Psychologisch Laboratorium van de Universiteit van Amsterdam bleef uit.

De bevindingen van De Leeuwe sloten naadloos aan bij een bevallingsfilosofie waarvoor hij al jaren vóór dit onderzoek geestdriftig propaganda maakte binnen de CPN: de psychoprofylaxe, ofwel de methode Lamaze. De Franse arts Fernand Lamaze had deze door de Russische psychotherapeut I.Z. Velvovski ontwikkelde methode in Frankrijk geïntroduceerd en verder ontwikkeld. Zij gingen ervanuit dat pijn en angst bij de bevalling vooral ingegeven waren door alle rampenscenario’s die vrouwen van tevoren te horen hadden gekregen. Die scenario’s waren cultureel bepaald, want in niet-westerse culturen leken vrouwen minder pijn te lijden. Vrouwen die gevrijwaard waren gebleven van gruwelverhalen en goed voorgelicht waren over wat haar te wachten stond, konden zelfs geheel pijnloos bevallen. De Leeuwe publiceerde de brochures De psycho-profylaktische metode tot pijnloze baring (Leiden 1957) en Vlottere bevallingen (De Haag 1966), waarin hij pleitte voor het afschaffen van de term ‘wee’.  Het woord alleen al riep ellende op. Er werden in de communistische beweging ook cursussen Pijnloos Bevallen gegeven. Omdat deze methode een grote rol inruimde voor de wilskracht en stoerheid van vrouwen, sloeg zij waarschijnlijk juist bij communisten aan. Elementen van de methode Lamaze, zoals het belang van een goede voorbereiding en een oppervlakkige ademhaling, zijn intussen gemeengoed geworden. 

Wie het archief van De Leeuwe doorneemt, ontkomt niet aan de indruk dat hij een polemische natuur had. Zijn succesvolle zus Enny kreeg meermalen te verstaan dat ze haar ziel en zaligheid aan het Kapitaal had verkocht. Het contact tussen broer en zus werd daarop verbroken. In 1949 voerde De Leeuwe actie tegen het zingen van christelijke kerstliedjes op de Montessorischool waar zijn kinderen op zaten. Alleen O Dennenboom kon er mee door.  Hij trok van leer tegen het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH), waarin hij een lokale kaderfunctie had. Hij wreef de NVSH een klassiek neo-malthusianistisch standpunt aan dat zij in feite niet had, namelijk dat overbevolking hoofdmotief voor geboortebeperking zou zijn, en ondersteunde de wens van ouders om hun gezin klein te houden. Ook verzette hij zich tegen de verzelfstandiging van de consultatiebureaus in de Rutgersstichting, een in zijn ogen ondemocratische constructie waardoor de leden minder zeggenschap hadden. Van 1976 tot 1983 noemde De Leeuwe zichzelf ‘docent Historisch Materialisme en Politieke Economie, verbonden aan de Universiteit Utrecht’. Maar die universiteit verklaarde herhaaldelijk ‘geen enkele relatie met de heer De Leeuwe’ te hebben. Het ging om een reeks colleges die De Leeuwe op verzoek van de studievereniging van cultureel antropologen gaf, tegen de achtergrond van het studentenverzet in die jaren. Hij deed dit onbetaald, want zelfs een reiskostenvergoeding zat er niet in. Bij iedere tegenslag en ieder conflict koesterde De Leeuwe de gedachte dat dit te wijten was aan zijn communistische overtuiging. Hij droeg die zeer nadrukkelijk uit, ook in zijn sollicitatiebrieven. Maar ook binnen de CPN botste hij voortdurend. Hij vond dat zijn Haagse editie van De Waarheid door ‘Amsterdam’ niet serieus genomen werd of ontstak in woede als een eindredacteur vergeten was zijn naam onder een stukje te zetten. Mogelijk voelde De Leeuwe zich als intellectueel met argwaan bejegend. Intellectuelen waren in deze typische arbeiderspartij dun gezaaid, en dan was hij ook nog eens psycholoog. Stalin vond psychologie geen echte wetenschap. Het hielp niet dat De Leeuwe een arbeidsverleden als ‘bedrijfsarbeider’ verzon. Ook in de partij bleef hij een randfiguur. Aan zijn relatie met de CPN kwam een einde toen de partij in 1982-1983 het marxisme-leninisme als leidend beginsel verliet. De Leeuwe sloot zich aan bij het orthodoxe Horizontaal Overleg van Communisten en daarna het in 1985 gevormde Verbond van Communisten in Nederland, maar speelde daarin geen rol van betekenis.

Archief: 

Archief Jules de Leeuwe in Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam.

Publicaties: 

(behalve de in de tekst genoemde): De Djin (Santpoort 1946); Kimono (Santpoort 1946); Panfluit (Amsterdam 1964); Niet verplichte figuren (Amsterdam 1965);  ‘De psychische habitus van de aanstaande moeder en haar verloskamergedrag’ in: Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie en haar Grensgebieden, 21, 1966, no. 9-11 (themanummers); Marxisme in de culturele antropologie (Assen 1976); Politieke economie, een ABC (Den Haag 1976); De seksen sinds de steentijd (Groningen 1978); Carl Gustav Jung en zijn maatschappelijke basis (Groningen 1980); Papieren geduld (Amsterdam 1988); Myte en rite als bron (Assen 1992); Hoorspelen gedocumenteerd op www.hoorspelen.eu; artikelen in onder meer Acta Psychologica, Mensch en Maatschappij, Nederlands Tijdschrift voor Verloskunde en Gynaecologie, Politiek en Cultuur, De Psycholoog en De Vrije Bladen.

Literatuur: 

S. Kooistra, ‘Jules de Leeuwe neemt afscheid als onbetaald docent marxisme-leninisme’ in: U-blad, 24.6.1983; J. van den Burg, ‘Jules de Leeuwe, filmkeurder tussen 1946 en 1951’ in: Nederland-USSR, 41, 1988, no 1, 18-20; J. van den Burg, ‘Koude Oorlog op het witte doek’ in: Vrij Nederland, 1.12.1990, 59-80; J. Withuis, Opoffering en heroïek. De mentale wereld van een communistische vrouwenorganisatie in naoorlogs Nederland, 1946-1976 (Meppel 1990); J. van der Burg en J.H.J. van den Heuvel, Film en overheidsbeleid. Van censuur naar zelfregulering (Den Haag 1991); P. Arnoldussen, ‘Alledaags communisme: de pijnloze bevalling’ in: Het Parool, 29.1.1994; P. Arnoldussen, ‘Jules de Leeuwe 1913-1997. Dwarse filmkeurder’ in: Het Parool, 14.11.1997; H. Röling, ‘De kortstondige stille triomf van een volksbeweging voor het geluk. De jaren vijftig vanuit het perspectief van de NVSH’ in: P. Luykx en P. Slot (red.), Een stille revolutie? Cultuur en mentaliteit in de lange jaren vijftig (Hilversum 1997) 146-170; M. Schrevel, ‘Rode luiers, Hollands fabricaat. Communistische gezinnen in de jaren vijftig’ in: Holland, 36/4, 2004, 327-352.

Portret: 

Perskaart Jules de Leeuwe van bureau Telepress in Praag, 1952. Coll. IISG, Amsterdam

Auteur: 
Margreet Schrevel
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2020)