LEEUWEN, Frederik van

Frederik (Freek) van Leeuwen

(roepnaam: Freek), socialistisch schrijver en beeldend kunstenaar, is geboren te Leiden op 25 februari 1905 en overleden te Leiderdorp op 9 juni 1968. Hij was de zoon van Gerrit van Leeuwen, kerkorgelbouwer, en Wijntje Bruijn.
Pseudoniem: Kees Zaalberg.

Van Leeuwen groeide op in een christelijk gezin, samen met een oudere broer en vier zussen. Zijn vader had bovendien uit een eerder huwelijk vijf kinderen. Van Leeuwens gezondheid was zwak en slechthorendheid bemoeilijkte vervolgonderwijs. Het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs kon hij daardoor niet doorlopen. Hij was al vroeg geïnteresseerd in literatuur. Ch. Dickens maakte indruk op hem, in een wat later stadium Is. Querido. Met zijn broer maakte hij speciaal vanwege de boeken van Querido uit zijn jeugd een uitstapje naar de Jordaan. Een leerperiode bij een kleermaker in Leiden werd geen succes. Hij kwam daarna als los arbeider terecht op een conservenfabriek, later op een textielfabriek. In die tijd werd hij lid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) en schreef hij, sterk beïnvloed door C.S. Adama van Scheltema, Marie en Margot Vos en H. Roland Holst, zijn eerste gedichten. Zijn eerste gebundelde verzen staan in Tijdsignalen (Amsterdam 1929), een door H. Roland Holst gekozen en ingeleide verzameling revolutionaire poëzie van Van Leeuwen, J.W. Jacobs, J. Last en G. Stuiveling. De overheersende thema's in deze nieuwe socialistische poëzie waren crisis en werkloosheid. Van Leeuwen schreef uit eigen ervaring. Hij was inmiddels zelf werkloos. Toch onderscheidde zijn poëzie zich, volgens Roland Holst, van andere revolutionaire dichters: 'Zijn poëzie wordt niet bepaald door sociaal-economische waarnemingen. Zij wordt gevoed door geheel andere, voor de poëzie belangrijker elementen. Hij lijdt aan de eenzaamheid van het leven, in hem is een ongestild verlangen, een heimwee naar makkerschap. Zijn verzet is vooral gericht tegen de geest van tijd en samenleving.' In deze eerste gedichten vindt men al motieven die in zijn latere werk zullen domineren: schroom voor het leven, vroomheid en een neiging tot vereenzaming. In 1930 vertrok Van Leeuwen naar Antwerpen, waar hij tijdelijk werk vond bij de opbouw van de Wereldtentoonstelling. Het verblijf aldaar bleek van betekenis voor zijn verdere ontwikkeling. Hij werd er zich pas goed bewust van zijn homoseksuele geaardheid. In Leiden en in de AJC was dit, zo verklaarde hij later, nooit helemaal tot hem doorgedrongen. Zijn omgang met anderen, mannen en vrouwen, werd toen vooral bepaald door gevoelens van kameraadschap en van een gemeenschappelijke opdracht. Voor liefde en erotiek was minder plaats. Terug in Nederland vestigde hij zich, na korte verblijven in Leiden en Amsterdam, in Rotterdam. Hier woonde en werkte hij enige tijd samen met de behanger N. Tof, die bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger verpleger was geweest. In Rotterdam kreeg hij ook steeds meer contact met de huisschilder Bertus Meijer en diens vrouw Jeanne. Hij raakte erg gesteld op dit echtpaar, trok langdurig bij hen in en maakte kleren voor hun kinderen. Met Meijer en anderen was hij nauw betrokken bij de activiteiten van het Rotterdamse arbeidersschrijverscollectief Links Richten. De eerste publikatie was een (niet bewaard) manifest naar aanleiding van een huurstaking in de Tuindersstraat. Een van de doelstellingen van Links Richten was om arbeiders in samenwerking met auteurs tot zelfexpressie te brengen. Kunst werd gezien als een wapen in de klassenstrijd. De activiteiten resulteerden in enkele uitgaven in amenwerking met anderen: het 'antikoloniale toneelstuk' Hollands Welvaren (Amsterdam z.j.) en de poëziebundels Verzet (z.pl. z.j.) en Van onder op (z.pl. z.j.). Ook de eerste bundel van Van Leeuwen alleen, Uitverkoop (z.pl. 1932), was een uitgave van Links Richten. In 1932 en 1933 verscheen het maandblad Links Richten. Van Leeuwen maakte deel uit van de redactie, maar zijn hart ging toch meer uit naar incidentele en ad hoc-publikaties. Van veel betekenis voor Van Leeuwen was de omgang met zijn mederedactielid Last, die als de ontdekker van de dichter Van Leeuwen wordt beschouwd en onder wiens literaire invloed Van Leeuwen stond.

De Rijksdagbrand in Berlijn in februari 1933 had ook voor Van Leeuwen gevolgen. Een medewerker van de linkse uitgever W. Münzenberg was voor de samenstelling van het Braunbuch über Reichstagsbrand und Hitler-Terror (Basel 1933; Nederlandse uitgave Amsterdam 1933) naar Nederland gekomen, op zoek naar homoseksuele relaties van de verdachte van het aansteken van de brand, Marinus van der Lubbe. Daarvoor leek Van Leeuwen de informatiebron bij uitstek. Maar deze wist niets en kon na lang aandringen slechts zeggen dat Van der Lubbe wellicht homoseksueel was. Van Leeuwen werd uitgenodigd om als getuige op te treden in het contraproces in Londen, waar men de onschuld van Van der Lubbe wilde bewijzen. Het bezoek aan Londen was, afgezien van de periodes in België, de enige buitenlandse reis die Van Leeuwen in zijn leven maakte. Hij bezocht in Londen het graf van Karl Marx. In 1934 verscheen de bundel Door het donker (Hilversum 1934), met gedichten uit Uitverkoop en nieuwe. Ook voor deze bundel leverde Roland Holst een voorwoord, waarin ze schreef: 'Het hart van de zingende dwaas staat altijd open, voor het goede en het kwade. Het voelt zich dikwijls grenzeloos eenzaam. Maar het verleert nooit verlangen naar kameraadschap en nooit gaat in hem het geloof helemaal onder, dat zij ergens bloeit.' Met de volgende bundel, Het lied van de zwerver (Antwerpen 1936), nam Van Leeuwen afscheid van zijn socialistische kameraden en ging de religie een grote rol spelen in zijn leven en in zijn werk. Het is mogelijk dat zijn ervaringen in de Van der Lubbe-affaire op deze verandering van invloed zijn geweest. Het was voor Van Leeuwen een bitter en pijnlijk vaarwel van zijn vrienden, maar hij voelde het ook als een zelfbevrijding. Voor Van Leeuwen was Christus nu de gezel der armen. Hij schreef hierover in zijn bundel Herdersgave (Rotterdam 1940), die werd ingeleid door A. van Duinkerken. De poëzie in deze bundel was geïnspireerd op het evangelie, maar dan eigentijds geïnterpreteerd, en met kritiek op het 'officiële' christendom. Zijn verlangen ging uit naar een primitief christelijke mensengemeenschap, naar het communisme van de eerste christenen. Zijn verblijf onder de Oosteuropese joden, die kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Antwerpen waren samengedromd, verdiepte zijn belangstelling voor de mystieken en was voor hem een bron van inspiratie. Hun messiasverwachting sloot aan bij het eigen verlangen naar verlossing. In zijn bundel Wederkomst (Den Haag 1940) werd deze hunkering verwoord. In Antwerpen ging Van Leeuwen behalve met joodse vluchtelingen en Spanjestrijders om met emigranten uit Duitsland, onder wie Harry Domela, die zich voor kroonprins van Pruisen uitgaf en die geruime tijd bij hem inwoonde. Hij had hem al bij de Meijers in Rotterdam ontmoet, die, zelf ook werkloos, deze berooide zwerver gastvrij in huis hadden genomen. Ook Last ontmoette hij weer in Antwerpen.

De oorlogsjaren bracht Van Leeuwen in Rotterdam door. Van officiële publikaties was geen sprake meer. Zo nu en dan vonden zijn verzen de weg naar illegale blaadjes, vooral naar De Vonk, verder deed hij het nodige voor onderduikers. Aan het eind van de oorlog zorgde Last voor een illegale uitgave van Dood en geboorte van een lied (Amsterdam 1945), dat als thema de eerste regel van het strijdlied 'De Internationale' had: 'Ontwaakt, verworpenen der aarde'. Kort na de bevrijding schreef Van Leeuwen voor het linkssocialistische weekblad De Vlam twaalf 'Brieven aan Marianne'. De bedoeling was dat er meer zouden verschijnen, maar de redactie bleek verdeeld in haar waardering en daarom kwam er een eind aan de publikatie ervan. Wel verschenen nog de gedichtencyclus Kruistocht der bedelaars (Den Haag 1946) en de verhalenbundel Het simpel hart (Bussum 1946) uit de Antwerpse periode. Daarna bleek het steeds moeilijker zijn poëzie uitgegeven te krijgen. Zelf deed hij er niet veel moeite voor. Veel werk bleef daardoor in portefeuille, zoals de cyclus 'Katharsis' en de romans 'Hebt elkander lief' en 'Verbijsterd bestaan'. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag verscheen de door Wim J. Simons samengestelde en ingeleide bloemlezing uit zijn gedichten Rood en Wit (Amsterdam 1955). Zelf nam hij nog het initiatief tot een klein gestencild tijdschrift Bulletin van de Lange Akker (1960-1962), zo genoemd naar het huisje in Leiderdorp waar hij sinds 1954 woonde. Er verschenen twintig nummers, vijf waren er aan eigen werk gewijd: 1 mei, Atlantische legenden, De Staat, Kerstballade en De dichter en het woord. In het tijdschrift publiceerden ook jongeren. Zelf deed hij dit een enkele keer onder het pseudoniem Kees Zaalberg. In de naoorlogse periode heeft Freek van Leeuwen ook veel geschilderd en getekend. Hij ontwikkelde daarbij eigen technieken. In dit werk, dat voortdurend van stijl wisselde (realistisch, symbolisch, abstract), vindt men vooral in de vroege schilderijen de innerlijk verscheurde mens uitgebeeld, die de relatie met de medemens niet kan verbreken, en tevens zijn religieuze bewogenheid. Zijn tekeningen, die hij psychogrammen noemde, ontstonden veelal in spontane opwellingen. De laatste zes jaar van zijn leven was het met Van Leeuwens gezondheid slecht gesteld. Het was vooral te danken aan de voortdurende zorg van zijn huisgenote uit die tijd, E. Kijzer-Velt, dat hij zijn leven nog zo lang kon rekken. Tijdens de oorlog was hij nauw met haar en haar gezin verbonden geweest, vooral toen zij als joden moesten onderduiken. Het kostte moeite hem uit zijn huisje te halen. Hij leefde in zijn zelfgekozen isolement van 'kluizenaar van de Lange Akker', een naam die Last hem had gegeven. Een hartinfarct bracht in 1968 het door hem begeerde einde. Postuum verschenen zijn levensherinneringen De deur op een kier (Den Haag 1981).

Archief: 

Archief F. van Leeuwen bij M. Mooij (Capelle aan de IJssel).

Publicaties: 

Tijdsignalen 1930. Bloemlezing uit moderne revolutionaire poëzie (Amsterdam 1930); Twente Staakt (Rotterdam 1932); Harten Troef (Bussum 1945; novelle); (redactie samen met anderen) Proficiat. Jef Last 65 jaar. Bulletin van de Lange Akker (Rotterdam 1963). Verder bijdragen in: Opgang, De Socialistische Gids, De Tribune, De Nieuwe Weg, Politiek en Cultuur, VARA, Groot Nederland, De Gemeenschap, Kroniek van Kunst en Kultuur, Wending, Vrije Geluiden, De Vonk en De Vlam.

Literatuur: 

J. Last, 'Freek van Leeuwen. Een stille in den lande' in: De Vlam, 22.7.1945; L.P. Boon, 'Het Simpel Hart' in: De Vlaamse Gids, september 1948; L.P. Boon, 'Proza van Freek van Leeuwen' in: Front, 24.10.1948; W.J. Simons, 'Freek van Leeuwen. Dichter van opstandigheid en mededogen' in: Freek van Leeuwen, Rood en wit. Oude en nieuwe gedichten (Amsterdam 1955) 5-7; J. Last, 'In een wereld van demonen. Dichter Freek van Leeuwen begon te schilderen' in: Vrij Nederland, 7.2.1959; M. Mooij, 'Freek van Leeuwen 60 jaar' in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 27.2.1965; J. Last, 'Freek van Leeuwen 60 jaar links gericht (een vergeten generatie)' in: De Groene Amsterdammer, 27.2.1965; M. Mooij, 'Bij het overlijden van Freek van Leeuwen' in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 11.6.1968; J. Last, 'In memoriam Freek van Leeuwen. De stichter van Links Richten is dood' in: De Groene Amsterdammer, 15.6.1968; M. Mooij, 'Freek van Leeuwen: voor christenen 'n ketter voor socialisten een dromer' in: Vrij Nederland, 22.6.1968; M. Mooij, 'Freek van Leeuwen (Leiderdorp, 25 februari 1905 - Leiderdorp, 9 juni 1968)' in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1968-1969 (Leiden 1971) 165-170; M. Mooij (red.), De deur op een kier. Levensherinneringen van Freek van Leeuwen (Den Haag 1981).

Portret: 

Frederik van Leeuwen, particuliere collectie

Auteur: 
Martin Mooij
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 126-130
Laatst gewijzigd: 

00-00-1998