LIENDEN, Cornelis Jan van

Cees van Lienden

(roepnaam Cees), sociaaldemocratisch vakbondsbestuurder en Tweede Kamerlid en behartiger van onderlinge ziekenfondsen, is geboren te Utrecht op 20 augustus 1897 en overleden te Eindhoven op 19 januari 1971. Hij was de zoon van Jan Cornelis Albertus van Lienden, klompenmaker, en Gardina Maria van Doorn. Op 1 oktober 1921 trad hij in het huwelijk met Anna van Meeteren, dienstbode, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg.

Van Lienden werd in Utrecht geboren en was de oudste van vijf kinderen in een oorspronkelijk Tiels rooms-katholiek gezin. Toen hij vier jaar was, keerde het gezin terug naar Tiel, waar hij opgroeide. Na de lagere school ging hij in conservenfabriek De Betuwe werken. Hij bleek over een helder verstand te beschikken en wist zich in de avonduren verder te ontwikkelen. Op zijn zeventiende werd hij lid van de afdeling Tiel van de moderne Nederlandsche Vereeniging van Fabrieksarbeiders (NVvFA) en was binnen korte tijd secretaris-penningmeester van de afdeling. Een jaar later sloot hij zich aan bij de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In 1916 werd hij beambte op het Amsterdamse kantoor van de NVvFA, waar zijn grote inzet opviel. In Amsterdam trok hij in bij zijn grootmoeder, maar, anders dan zijn familie, schreef hij zich bij de gemeente in als vrijzinnig hervormd (later gaf hij op zonder godsdienst te zijn). In 1920 stelde het bondscongres van de NVvFA hem aan als algemeen bestuurder. Hij was eerst een half jaar NVvFA-propagandist in Maastricht en vanaf 1921 districtsbestuurder in de drie noordelijke provincies. Van Lienden trouwde in Tiel en vestigde zich met zijn uit Amsterdam afkomstige vrouw in de stad Groningen, waar hij te maken kreeg met grote stakingen in de suikerbieten-, strokarton- en aardappelmeelindustrie. Ook in de werkverschaffing was Van Lienden actief. Samen met de Nederlandsche Bond van Arbeiders in het Landbouw-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf voerde hij actie om plattelandsgemeenten te bewegen zich aan te sluiten bij de Werkloosheidsverzekerings-Noodwet en de provincies aan te zetten openbare werken ter verbetering van de infrastructuur te laten uitvoeren. Hij schakelde de SDAP in, die hij in verschillende gemeentebesturen voorstellen liet indienen om de positie van werklozen te verbeteren. Van Lienden sprak op SDAP-vergaderingen, richtte NVvFA-afdelingen op, leidde betogingen, hield als stakingsleider werkwilligen tegen en klaagde waar nodig over hardhandig optreden van de marechaussee. Daarnaast hield hij zich vooral bezig met wet- en regelgeving. Hij zette het standpunt van de vakbeweging in gedegen stukken uiteen en was steeds bereid met iedere partij samen te werken.

In 1927 werd Van Lienden voor de SDAP lid van de Groningse Provinciale Staten, maar aan het einde van het jaar vertrok hij naar Eindhoven, omdat hij bij het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) was benoemd als assistent-bestuurder en propagandist voor het zuiden. Het NVV en de SDAP zetten hem in om de moderne arbeidersbeweging daar te versterken. Hij kreeg de beschikking over de bladen De Propagandist en De Werker en kon voor de VARA-radio propaganda maken voor het NVV. Van Lienden ontplooide hier zijn organisatorische talenten en werd secretaris-penningmeester van zowel de Federatie van Bestuurdersbonden in Limburg als die in Noord-Brabant. Ook was hij voorzitter van de Eindhovense SDAP-afdeling en het SDAP-gewest Noord-Brabant. In 1929 werd hij hoofdbestuurslid van het NVV en kreeg hij te maken met de Zinkwitstaking in Maastricht, die spontaan uitbrak na het ontslag van vijf NVvFA-leden. Bij de rellen die uitbraken kwamen een NVvFA-lid en een politieman om het leven. Van Lienden en Willem Vliegen spraken op de begrafenis van het NVvFA-lid, die uitmondde in een grote betoging tegen het politiegeweld en de machtsuitoefening van de rooms-katholieke kerk en vakorganisaties. Vanwege die tegenwerking was Van Lienden betrokken bij het initiatief om in de grensstreek samenwerking te zoeken met de socialistische beweging in België en Duitsland. In 1931 kwam Van Lienden dankzij grote verkiezingssuccessen van de SDAP in de Eindhovense gemeenteraad en de Brabantse Provinciale Staten. Hij richtte zich op praktische zaken om SDAP en NVV er vaste voet aan de grond te doen krijgen. Zo richtte hij een aantal bijzondere neutrale scholen op, omdat het openbaar onderwijs in het zuiden feitelijk katholiek onderwijs was. Ook hield hij zich bezig met de werklozenzorg, die in veel plaatsen vrijwel ontbrak, en stelde de gewoonte van de grote werkgever Philips om communistische en socialistische arbeiders te ontslaan aan de kaak. Kort leidde hij het in 1931 opgerichte Crisisbureau van het NVV en de SDAP dat de werklozenzorg coördineerde. Van Lienden sprak in het hele land over infrastructurele maatregelen die genomen moesten worden om werklozen aan werk of een goede steunregeling te helpen. Zijn voorstellen behelsden de inpoldering van de Zuiderzee en het bouwen van goede arbeiderswoningen. Om de economie in Noord-Brabant en Limburg te stimuleren wilde hij er een provinciale ontwikkelingsmaatschappij oprichten. Hij wees er op dat rationalisatie en bevolkingsgroei de werkloosheid aanwakkerden. Staatspensioen op zestigjarige leeftijd zou helpen bij het verlagen van de werkloosheid. Op het landelijk crisiscongres van NVV en SDAP benadrukte hij dat katholieke arbeiders begonnen in te zien dat de moderne arbeidersbeweging voor hen grote betekenis had, omdat het Roomsch-Katholiek Werkliedenverbond (RKWV) het af liet weten bij het treffen van praktische maatregelen. Van Lienden richtte in 1931 met de plaatselijke Christelijke Besturenbond het Algemeen Ziekenfonds voor Eindhoven en Omstreken op, omdat niet-katholieke arbeiders niet terecht konden in het door het RKWV opgerichte ziekenfonds. Tevens richtte hij in dat jaar de woningbouwvereniging Beter Wonen op, omdat katholieke woningbouwverenigingen niet-katholieke arbeiders achterstelden. Van beide verenigingen was hij jarenlang voorzitter.

Na de machtsovername in Duitsland door Adolf Hitler eind januari 1933 kreeg Van Lienden de leiding van de landelijke actie van NVV en SDAP tegen fascisme en oorlog en organiseerde hij in juli in Antwerpen de internationale bijeenkomst Tegen Fascisme en Oorlog. Het Brussels congres van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV) werd om die reden in Antwerpen door burgemeester Kamiel Huysmans geopend. IVV-voorzitter Léon Jouhaux benadrukte dat het IVV zich tegen het fascisme bleef verzetten en daarna sprak Emile Vandervelde namens de Socialistische Arbeiders Internationale. Van Lienden zette zich als lid van Provinciale Staten, als raadslid en als NVV-bestuurder in voor een welvaartspolitiek door middel van industrialisatie en ordening en was een groot voorstander van het Plan van de Arbeid van SDAP en NVV. Met Koos Vorrink was hij regelmatig inleider bij kadervergaderingen over het Plan. Hij betrok ook het Economisch-Technologisch Instituut (ETIN) van de Tilburgse Katholieke Handelshoogeschool bij zijn plannen. Het ETIN werd in 1936 een provinciale instelling van overheden en bedrijfsleven. Van Lienden werd tot bestuurslid benoemd. Dat niet ieder hem accepteerde, bleek toen zijn huis beklad werd met de leus ‘liever dood dan rood’. Van Lienden werd in 1933 lid van het bestuur van de Landelijke Federatie van Onderlinge Ziekenfondsen (LFZ), toen deze gereorganiseerd werd als reactie op de eigen onmacht en de almacht van de Nederlandsche Maatschappij voor Geneeskunde (NMG). Van Lienden bleek de man die de onderling bestuurde ziekenfondsen aanvoerde in de onderhandelingen met de overheid en de NMG. Bij die onderhandelingen nam hij afstand van het NVV en van NVV-bestuurder F.S. Noordhoff, die de vakcentrale inzake de ziekenfondsproblematiek vertegenwoordigde. Van Lienden trad ook af als NVV-bestuurder, omdat de LFZ een algemene signatuur wilde hebben. In 1936 sloot hij de LFZ aan bij de Centrale Commissie voor het Ziekenfondswezen, het overlegorgaan waarin NMG, ziekenfondsen en vakcentrales samenwerkten. Van Lienden wilde invloed veroveren om de positie van de ziekenfondsverzekerden te verbeteren. Hij stond een stelsel van gezondheidszorg voor waarbij artsen in loondienst waren van door de leden bestuurde ziekenfondsen, die eigen zorginstellingen exploiteerden. Hij bewonderde de Haagse coöperatie De Volharding, die dat al had bereikt. De vrijzinnigdemocratische minister van Sociale Zaken Marcus Slingenberg benoemde Van Lienden als LFZ-voorzitter tot lid van de commissie die de minister aangaande het voorontwerp van de Ziekenfondswet moest adviseren. Van Lienden verzette zich echter met succes tegen de voorgestelde wet, die volgens de LFZ slechts de belangen van de NMG en haar eigen ziekenfondsen diende. Het wetsvoorstel werd in 1937 ingetrokken. Van Lienden, eerder door de SDAP kandidaat gesteld voor de Eerste Kamer, deed in 1937 zijn intrede in de Tweede Kamer. In de fractie werd hij specialist op het gebied van sociale verzekeringen, woningbouw en werkloosheidsvoorzieningen, waarbij hij steeds de betekenis van de vakbeweging verdedigde. Inmiddels was hij voorzitter van de mede door hem gevormde Centrale Bond van Ziekenfondsen (CBZ), de gecentraliseerde opvolger van de Landelijke Federatie. Dit succes bracht Van Lienden ertoe om in de strijd tegen de NMG in 1938 een landelijk ziekenfonds op te richten. Dit werd het Algemeen Nederlands Onderling Ziekenfonds (ANOZ), dat de concurrentie aanging met de ziekenfondsen die bestuurd werden door artsen. In oktober 1939 werd hij voorzitter van de Centrale Raad van Ziekenfondsen en Ziekenhuisverplegingsvereenigingen, toen de CBZ nauw ging samenwerken met de Federatie van Vereenigingen voor Ziekenhuisverpleging. Hij zette zich daarnaast voor de Bond voor Staatspensionering in voor de invoering van een volwaardig staatspensioen. Van Lienden onderhield in deze tijd goede contacten met de sociaaldemocratische minister van Sociale Zaken, Jan van den Tempel, die werkte aan een Ziekenfondswet waarin Van Lienden wel heil zag. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog trad hij als opvolger van Willem Drees toe tot de Staatscommissie inzake Werkloozenzorg. Als CBZ-voorzitter en als Kamerlid ging hij in 1940 het conflict aan met de Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie door Copharma in het leven te roepen, een coöperatieve groothandel in geneesmiddelen, bedoeld als tegenwicht tegen de macht van de apothekers en de farmaceutische industrie.

Na de capitulatie en Duitse bezetting van het land kwam de SDAP-partijraad op 14 juli 1940 bijeen. Van Lienden nam een nuchter standpunt in. Toen men zich verloor in een discussie over bestrijding van de Nationaal-Socialistische Beweging door samenwerking met het Nationaal Front, dat in het zuiden over veel aanhang zou beschikken, ontkende hij dat laatste stellig. Hij bleef (tot september 1941) lid van de Eindhovense gemeenteraad en de Brabantse Provinciale Staten, maar zegde zijn SDAP-lidmaatschap op en weigerde zich aan te sluiten bij de Nederlandsche Unie. Als CBZ-voorzitter overlegde hij met de andere partijen binnen het ziekenfondswezen teneinde hun belangen tegenover de bezetter te verdedigen. Hij trad in dienst van ANOZ, dat hij gebruikte om tot meer centralisatie van de onderlinge ziekenfondsen te komen en reisde het land af om meer afdelingen te stichten. Hij vond dit noodzakelijk als tegenkracht tegen de Duitse invulling van de verplichte ziekenfondsverzekering, het Ziekenfondsenbesluit van 1941. Na de Februaristaking in 1941 werd Van Lienden in gijzeling genomen, maar weer vrijgelaten. Hij werd voorzitter van de Commissie voor de Ziekenverzorging, waarin alle onderlinge ziekenfondsen samenwerkten. Van Lienden maakte vanaf september 1941 deel uit van de Raad van Bijstand voor het Ziekenfondswezen, die de uitvoering van het Ziekenfondsenbesluit moest ondersteunen. Door in mei 1942 onder te duiken wist Van Lienden aan gevangenschap te ontkomen, toen de Duitsers leden van de Staten-Generaal oppakten en in St. Michielsgestel interneerden. Rond 1943 trad hij toe tot het illegale SDAP-bestuur en overlegde met Leendert Donker, Drees, Vorrink en andere partijgenoten. Tot de zomer van 1944 hield hij zich vanuit de illegaliteit bezig met plannen voor het ziekenfondswezen van na de oorlog. In dat jaar werd hij gearresteerd en zat hij korte tijd vast. Na zijn vrijlating dook hij onder in Eindhoven, dat op 18 september bevrijd werd. Hij werd voorzitter van de Eindhovense Vereeniging van Democratisch Socialisten en bestuurslid van de Sociaal-Democratische Vereeniging voor Bevrijd Nederland. Ook maakte hij deel uit van het comité Eenheid bij Verscheidenheid, dat naar partijvernieuwing streefde en van de Studiecommissie Politiek van de Bond Nederland, die een ‘volksgemeenschap’ nastreefde. Van Lienden wenste geen aantasting van de parlementaire democratie en streefde naar herstel van de politieke verhoudingen van voor de oorlog. Met Donker verzette hij zich tegen de Eindhovense aanhangers van de doorbraakgedachte, Hilda Verwey-Jonker en Wim Thomassen, die een brede volkspartij wilden.

Van Lienden nam het tijdelijk NVV-voorzitterschap op zich, gaf het blad De Vakbeweging uit en werd voorzitter van de Raad van Vakcentrales in bevrijd gebied. Hij hield daarbij de Eenheidsvakcentrale (EVC), die hem een functie aanbod, op afstand. In november 1944 sprak hij voor radio Herrijzend Nederland over de vakbeweging. Hij reisde in december met Donker naar Londen, waar zij door koningin Wilhelmina werden ontvangen. Van Lienden bezocht namens het NVV het Wereldvakverbondcongres dat in januari 1945 te Londen plaatsvond en verklaarde via radio Oranje dat dit een groot succes was. Hij zette zich in om via de coöperatieve beweging voedselhulp voor Nederland te organiseren. Ook maakte hij de Londense kabinetscrisis mee, die tot zijn verontwaardiging leidde tot het vertrek van de SDAP-ministers. Terug in Eindhoven, sprak hij samen met Henriette Roland Holst op de 1 mei-betoging. Van Lienden nam de propaganda voor een democratisch socialisme op zich en reisde door bevrijd gebied om te pleiten voor de onmiddellijke instelling van een noodparlement. Kort voor de Duitse capitulatie nam Evert Kupers, de vroegere NVV-voorzitter, het NVV-voorzitterschap weer op zich en werd Van Lienden vicevoorzitter. Hij legde, om de invloed van de EVC tegen te gaan, overal in het zuiden uit dat het NVV naar eenheid streefde in de Raad van Vakcentrales. Doordat hij met Kupers in conflict raakte over de wijze waarop het NVV gezuiverd diende te worden van bestuurders die te lang met de Duitsers samenwerkten, legde hij zijn functie neer. Daarmee was zijn rol in het NVV uitgespeeld. Op 19 mei 1945 vergaderde het SDAP-partijbestuur. Van Lienden wilde de SDAP handhaven, maar de partij besloot op te gaan in de Partij van de Arbeid (PvdA). Van Lienden, die in het Noodparlement zat, werd toch lid van de nieuwe partij en ook van het partijbestuur. Zijn Brabantse achterban wilde hem als provinciale lijsttrekker, maar de doorbraakgedachte leidde ertoe dat Willem Schermerhorn dat werd. Van Lienden kwam opnieuw in de Tweede Kamer, waar hij de portefeuille sociale zekerheid en volksgezondheid kreeg. Hij vond de plannen van de Commissie Van Rhijn, voorgezeten door de protestantschristelijke econoom Aart van Rhijn, inzake sociale wetgeving niet toepasbaar op de ziekenfondsverzekeringen. Ook kwam hij op voor degenen die de radioluisterbijdragen niet konden betalen, stelde vragen over de toestand van de Brabantse fietspaden en katholieke bestuurders die in het Zuiden allerlei niet-katholieke activiteiten verboden of hinderen. Hij zette zich in de Kamer in om de niet-godsdienstige levensovertuiging een wettelijke positie te geven. Van Lienden was voorzitter of ondervoorzitter van tal van Kamercommissies inzake gezondheidszorg en sociale voorzieningen.

Van Lienden keerde in 1945 terug in de Eindhovense raad en in 1946 kwam hij opnieuw in de Brabantse Provinciale Staten. Hij grossierde in functies. Hij was de eerste sociaaldemocratische wethouder van Eindhoven (1945-1946) en voorzitter van het Eindhovense ziekenfonds, maar ook lid van de Sectie Gemeente en Provincie van de Wiardi-Beckman Stichting. Daarnaast bleef hij ANOZ-voorzitter en was hij bestuurslid van de Centrale der Nederlandse Verbruikscoöperaties en de Bond voor Staatspensionering. Namens de CBZ nam hij deel aan het Centraal Overleg van Ziekenfondsorganisaties, later het Gemeenschappelijk Overleg van Ziekenfondsorganisaties, dat een groot aantal ziekenfondsen bijeenbracht en als werkgeverskoepel cao-onderhandelingen voerde en opleidingen verzorgde. Sinds 1949 was Van Lienden lid van de Ziekenfondsraad, waar hij zich hard maakte voor het verhogen van de loongrens teneinde de reikwijdte van het Ziekenfondsenbesluit te vergroten. Van Lienden bleef zich als lid van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid en als voorzitter van ANOZ en CBZ (omgedoopt tot CBOZ: Centrale Bond van Onderling beheerde Ziekenfondsen), bemoeien met de Ziekenfondswet. Hij verzette zich tegen plannen om de eigen zorginstellingen van de ziekenfondsen op te heffen. Van Lienden was ook internationaal actief. Vanaf 1953 vertegenwoordigde hij de CBOZ in de Association internationale de la mutualité, de koepelorganisatie van onderlinge verzekeraars. In 1957 raakte Van Lienden namens de CBOZ betrokken bij een conflict tussen tandartsen en ziekenfondsen over honorarium en arbeidsduur. Van Lienden hield hardnekkig vast aan zijn standpunten. Toen hij in de Kamer als voorzitter van de vaste Commissie van Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn zin niet kreeg, publiceerde hij talloze artikelen hierover in Het Ziekenfonds, het maandblad van CBOZ. PvdA-staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid Van Rhijn, die zijn voorstel tot fusie van alle ziekenfondskoepels door tegenwerking van de intussen Koninklijke NMG zag mislukken, verzuchtte dat hij hoopte dat Van Lienden eens ophield met het oprakelen van allerlei onderwerpen. In 1962 verliet Van Lienden de landspolitiek en de Eindhovense gemeenteraad om Gedeputeerde in Noord-Brabant te worden. Hij was toen PvdA-fractieleider in de Provinciale Staten en de eerste niet-katholiek in het provinciebestuur. Hij hield zich bezig met woningnoodproblematiek, maar zette zich ook in voor natuurbescherming door het weren van petrochemische industrie. Als CBOZ-voorzitter kaartte Van Lienden de discriminatie van ziekenfondspatiënten aan en toonde zich verheugd toen in 1965 de artsen het onderscheid tussen ziekenfondspatiënten en particulier verzekerden lieten vallen en het bordje ‘ziekenfondspatiënten achterom’ verdween. Er werd bij Van Lienden een ongeneeslijke ziekte geconstateerd. Hij legde in 1970 al zijn functies neer en overleed enkele maanden later. Zijn benoeming tot erevoorzitter van de Nederlandse Unie van Ziekenfondsen kwam te laat om hem de eerste vergadering te laten voorzitten. In Nunspeet bestond sinds 1958 het C.J. van Lienden-rusthuis voor overspannen huisvrouwen, tot stand gebracht en betaald door ANOZ. In Eindhoven werd in het naar hem vernoemde verzorgingshuis zijn buste geplaatst. Van Lienden was Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau.

Archief: 

Collectie C.J. van Lienden, Eindhoven 1944-1945, in Regionaal Historisch Centrum Eindhoven.

Publicaties: 

De moderne vakbeweging en de werkloozenzorg in de provincie Groningen (Groningen z.j.); Godsvrede of Strijd? Openingsrede van den Voorzitter C.J. van Lienden op de Bondsvergadering van de Centrale Bond van Ziekenfondsen op 20 januari 1940 te Utrecht (Utrecht 1940); De eeuw van het volk. Een eenvoudig woord voor eenvoudige mensen (Amsterdam 1945); De plaats van het Ziekenfonds der toekomst naast de publiekrechtelijke voor gezondheidszorg en sociale verzekering. Rede uitgesproken 14 Nov. 1947 te Utrecht, ter jaarvergadering van de Centrale Bond van Ziekenfondsen door de voorz. de heer C.J. van Lienden (Utrecht 1947); De nood der vrijwillige ziekenfondsverzekering. Rede uitgesproken door de Heer C.J. van Lienden in het Demonstratief Congres op 22 juli 1950 in de grote zaal van de Dierentuin, 's-Gravenhage (Den Haag 1950); ‘Het ziekenfondswezen in Nederland’ in: Het Ziekenfonds, 27e jrg., 1953, 195-198; ‘Het ziekenfondswezen omstreeks de bevrijding’ in: Het Ziekenfonds, 39e jrg., 1965, 131-138.

Literatuur: 

Het Volk, 16.4.1931; Centrale Bond van Ziekenfondsen, voorheen Landelijke Federatie ter Behartiging van het Ziekenfondswezen. Geschiedenis van een kwart eeuw 1913-1938. (z.p. 1938); Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945. Deel IV (Den Haag 1950); 25 jaar A.Z.E.O. Algemeen Ziekenfonds voor Eindhoven en omgeving (Eindhoven 1955); Stichting Autonome Ziekenfondsen, “Een nadere verklaring”. Antwoord aan de heer C.J. van Lienden (z.p. z.j.); ‘Van Lienden ten voeten uit’ in: Het Ziekenfonds, 40e jrg., 1966, 295-305; Het Vrije Volk, 3.11.1966; Het Vrije Volk, 20.1.1971; J.L.G. van Oudheusden, J.A.M. Verboom, Herstel- en Vernieuwingsbeweging in het bevrijde zuiden. Eindhoven, ’s-Hertogenbosch en Waalwijk 1944-1945 (Tilburg 1977); P. Juffermans, Staat en gezondheidszorg in Nederland (Nijmegen 1982); H.C. van der Hoeven, Om de macht bij het fonds. De ziekenfondsen te midden van de sociale verhoudingen in de jaren 1900-1982 (Den Haag 1983); H. Verwey-Jonker, Er moet een vrouw in. Herinneringen in een kentering van de tijd (Amsterdam 1988); H.C. van der Hoeven, Ziekenfondsen en de Duitse bezetting. De werkelijkheid over het ziekenfondsen besluit 1941 (Lelystad 1989); A. Klijn, Arbeiders- of volkspartij. Een vergelijkende studie van het Belgisch en Nederlands socialisme 1933-1946 (Maastricht 1990); H. Wiedijk, W. Thomassen, In vuur en vlam! Wim Thomassen, geïnspireerd organisator van de Partij van de Arbeid (Amsterdam 1992); H.M.T.M. Giebels, Katholicisme en socialisme. Het zelfbeeld van de Eindhovense christen-socialisten in het spanningsveld tussen traditie en moderniteit 1885-1920 (Tilburg 1994); E.W. van der Hoeven, ANOZ van A tot Z. Vijftig jaar landelijk ziekenfonds en zijn eigenaardigheden (Zeist 1996); H. Blaauwbroek e.a., In het belang van de verzekerde. Geschiedenis van de Ziekenfondsraad (Zeist 1997); K.P. Companje, Over artsen en verzekeraars. Een historische studie naar de factoren, die de relatie op landelijk en regionaal niveau hebben beïnvloed (Twello 1997); H. Schipper, ‘Cees van Lienden’ in: P. Timmermans e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Heeswijk 1999) 71-75; K.P. Companje, Convergerende belangen. Belangenbehartiging van de zorgverzekeraars in historisch perspectief 1900-2001 (Zeist 2001); G.W.B. Borrie, M.A. Reinalda (1888-1965). Een geboren bestuurder (Amsterdam 2005); K.P. Companje (red.), Tussen volksverzekering en vrije markt. Verzekering van zorg op het snijvlak van sociale verzekering en gezondheidszorg 1880-2006 (Amsterdam 2008); M. van der Steen, Drift en koers. De levens van Hilda Verwey-Jonker (1908-2004) (Amsterdam 2011); H. Daalder, Drees. Gedreven en behoedzaam. De jaren 1940-1948 (Amsterdam 2014).

Portret: 

C.J. van Lienden, mei 1946 (Nationaal Archief)

Handtekening: 

Huwelijksakte Van Lienden/Van Meeteren dd 1 oktober 1921. Reg 9131, akte 89; akteplaats Tiel. Als bruidegom.

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online, september 2017