LINDEIJER, George Frederik

George Frederik Lindeijer

SDAP-propagandist, is geboren te Rotterdam op 14 april 1878 en overleden te Laren (NH) op 1 december 1943. Hij was de zoon van George Frederik Lindeijer, koekbakker, en Maria Margaretha Christina van der Toorn Vrijthoff. Op 13 december 1904 trad hij in het huwelijk met Roelfke Noteboom, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Lindeijer groeide op in een orthodox protestants gezin en werd op twaalfjarige leeftijd timmermansknecht. In 1896 lid geworden van de Algemeene Nederlandsche Timmerliedenbond was hij al gauw mederedacteur van De Timmerman. In 1898 werd hij secretaris van de Socialistische Jongelieden-bond (tot in 1900), waarbinnen hij zich sterk maakte voor het antimilitarisme. Hij werd anarchist en publiceerde in De Vrije Socialist enkele hoofdartikelen en matige gedichten. Later in 1900 schreef hij ook regelmatig in Anarchie.

Lindeijer sloot zich aan bij de tolstojanen, werkte op de drukkerij van Vrede en vormde in april 1901 samen met Lo van Mierop de redactie van het Arbeiders-Weekblad (van de Internationale Broederschap). Lindeijer maakte deel uit van de kolonie der Broederschap te Blaricum, waar hij een timmergroep oprichtte. Hij bleef er als bouwkundig tekenaar werken toen in 1903 de groep uiteenviel. Eind juni 1903 richtte hij met L. Bolle en Tj. Luitjes een produktieassociatie op voor meubels en ander timmerwerk. Hij was nu tolstojaan àf. Produktieve associatie en algemene werkstaking zouden de maatschappij moeten veranderen. Hij werd lid van het hoofdbestuur van de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB). In 1905 raakte hij met de Blaricummers nader in conflict toen hij en Luitjes het privaatbezit verdedigden. In deze jaren was hij ook zelfstandig aannemer/uitvoerder, soms samenwerkend met Th. Rüter. Op 6 juli 1906 ging hij failliet (op 5 september 1933 zou hij om dit faillissement nog eens failliet verklaard worden), hetgeen zijn definitieve breuk met de tolstojanen betekende.

Hij trok naar Rotterdam, waar hij in 1907 overging naar de SDAP en, naar het schijnt, al gauw de rechterhand van Hendrik Spiekman werd. Hij zat van 1907 tot 1910 in het afdelingsbestuur en stond in 1908 kandidaat voor de gemeenteraad. Twee jaar later werd hij propagandist in Zeeland, met als standplaats Vlissingen, en redigeerde er De Baanbreker. Hij wist partij en vakbeweging in deze moeilijke provincie vooruit te brengen. In de partij stond Lindeijer centrum-links. Theorie was niet zijn sterkste punt. Hij was tijdens de Eerste Wereldoorlog geen voorstander van de godsvredepolitiek. Vanaf 1916 tot 1922 kreeg hij ook een deel van Brabant te verzorgen, waarna deze provincie door W.C. de Jonge werd overgenomen. Hij bleef evenwel tot 1930 voorzitter van het partijgewest Brabant. Op Zeeland langzamerhand uitgekeken, nam hij in 1929 een benoeming aan als propagandist in Limburg, met als standplaats Heerlen. Ook hier wist hij de SDAP te doen groeien. Eind 1936 kwam Lindeijer in algemene dienst van het partijbestuur van de SDAP voor de vereniging en het adviesbureau voor gemeenteraadsleden. In die functie stelde hij in 1938 een handboekje samen. Aangenomen dat hij in 1940 deze functie nog vervulde, werd hij in juni 1940, net als de meeste personeelsleden, door het partij -bestuur ontslagen. De wijze waarop dit geschiedde schijnt hem nogal gegriefd te hebben. Op 5 oktober 1942 verhuisde hij naar Laren.

Hoewel in 1910 in de Vlissingse gemeenteraad gekozen maar werd Lindeijer er door de burgemeester uitgehouden omdat hij zich pas na zijn verkiezing in de gemeente had ingeschreven. Uiteindelijk zat Lindeijer van 1912 tot 1927 in de Vlissingse gemeenteraad, van 1919 tot 1925 in de Provinciale Staten van Zeeland en van 1925 tot 1929 in de Eerste Kamer. Daar behartigde hij vooral de belangen van de werknemers in de drie zuidelijke provincies. In 1927 behoorde hij tot de tegenstanders van het Nederlands-Belgisch verdrag. Vanaf 1931 maakte hij deel uit van de Staten van Limburg en van de gemeenteraad van Heerlen. Na 1920 werd hij regelmatig medewerker aan De Socialistische Gids, waarvoor hij een deel van de persrubriek verzorgde. Veel aandacht besteedde hij aan de woningbouw. Hij werd bij de oprichting in 1919 voorzitter van het bestuur van de CABIBEZ, overkoepelend orgaan van socialistische woningbouwverenigingen in Brabant en Zeeland. Later maakte. hij ook deel uit van het hoofdbestuur van de Nationale Woningraad en van de redactie van het orgaan van dit lichaam. In Heerlen was hij samen met M. van der Goes van Naters tot 1938 lid van het bestuur van de in 1929 opgerichte stichting De neutrale volksschool te Heerlen, die zich ten doel stelde neutrale scholen op te richten daar waar neutraal openbaar onderwijs onmogelijk werd gemaakt.

Archief: 

Enkele archiefstukken in IISG (Amsterdam).

Publicaties: 

Het vraagstuk der moederschapsverzekering in Duitschland' in: De Nieuwe Tijd, 1912, 475 e.v.; 'Eigendomsverhoudingen in den landbouw' in: De Nieuwe Tijd, 1912, 791 e.v.; 'Een en ander over woning-toestanden in Nederland' in: De Nieuwe Tijd, 1913, 85 e.v.; 'Terreinkennis: een en ander over de ekonomische en politieke toestand in Zeeland' in: De Nieuwe Tijd, 1913, 400 e.v.; 'De tariefovereenkomsten in Duitschland' in: De Nieuwe Tijd, 1915, 456 e.v.; 'Ministeriëele socialistenbestrijding' in: De Nieuwe Tijd, 1915, 719 e.v.; 'Uit de geschiedenis der eerste socialistische jongeliedenbeweging, 1888-1900' in: De Socialistische Gids, 1927, 63 e.v.

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 569-570; G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Nijmegen 1961) 39-44; M.W.J.L. Boersen, De kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum (Blaricum 1987); B. Altena, 'Een broeinest der anarchie.' Arbeiders, arbeidersbeweging en maatschappelijke ontwikkeling. Vlissingen 1875-1929 (1940) (Amsterdam 1989); J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002).

Portret: 

G.F. Lindeijer, uit: Vliegen, Kracht II, 559

Auteur: 
Bert Altena
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 71-72
Laatst gewijzigd: 

25-02-2008

11-2-2017 (datum huwelijk gecorrigeerd)