LOOPUIT, Joseph

Joseph Loopuit

(roepnamen: Jos, Joppe), SDAP-bestuurder en -propagandist, is geboren te Amsterdam op 20 oktober 1864 en aldaar overleden op 10 maart 1923. Hij was de zoon van Wolf Jacob Loopuit, koopman, en Mietje Stranders, koopvrouw. Op 2 april 1903 trad hij in het huwelijk met Heintje Speijer, verpleegster, met wie hij een dochter kreeg.

Loopuit - jongste in een gezin met zes kinderen (van wie vijf jongens) - verloor zijn vader toen hij vier maanden oud was. Zijn moeder slaagde er als weduwe in haar kroost buiten het weeshuis te houden door met een ambulante handel in manufacturen voor het gezin een karige boterham te verdienen. Deze flinke vrouw zorgde er bovendien voor dat al haar zonen een behoorlijke school- en vakopleiding kregen. Op de joodse armenschool ontving Loopuit vijf jaar lang dagelijks zes uur onderricht in de godsdienst der vaderen en drie uur in zogenoemde algemene vakken als rekenen en Nederlandse taal. Omdat hij een uitblinker was, mocht hij bovendien nog een jaar lang plaats nemen in de talmoed-klas op het Beth Hamidrasj. De incompetentie van de onderwijzers op beide scholen - hun gebrek aan overwicht compenseerden ze door een veelvuldig gebruik van lijfstraffen - bezorgde Loopuit voor zijn verdere leven een grondige afkeer van de joodse godsdienst en elke vorm van bijzonder onderwijs. Toen Loopuit twaalf jaar oud was, bood een briljantslijpersbaas aan hem gratis op te leiden tot grofslijper. Hij ontwikkelde zich tot een goed vakman, maar de primitieve sfeer op de fabriek stond hem tegen. 's Avonds na de lange werkdag vond hij echter troost in de lectuur van alles, rijp en groen, wat hem maar onder ogen kwam. In zijn aan Loopuit gewijde necrologie in 1923 noemde W.H. Vliegen diens 'bijna onbegrijpelijke belezenheid'. Die niet te stillen leeshonger verklaarde volgens Vliegen echter ook Loopuits betrekkelijk geringe daadkracht. Nog scherper oordeelde Henri Polak in het Weekblad van de ANDB. Zich beroepend op William Morris - volgens wie 'men van één ding alles, van alle dingen iets moest weten' merkte Polak op: 'Loopuit's gebrek was, dat hij van alle dingen te veel, van geen enkel ding alles wist.'

Via zijn oudere broer Bram, diamantsnijder op het atelier van de progressief denkende juwelier Andries van Wezel, kwam Loopuit tegen het eind van de jaren tachtig in contact met Franc van der Goes. Deze werd zijn geestelijk mentor. Tegelijk met Van der Goes ontwikkelde Loopuit zich nu van radicaal liberaal tot marxistisch socialist. Vanaf omstreeks 1891 vormde hij samen met zijn vier jaar jongere vrienden Henri Polak en Dolf de Levita - ook zij waren als diamantsnijders werkzaam op Van Wezels atelier - een hecht trio van binnen de Sociaal Democratische Bond (SDB) opererende voorstanders van het parlementair socialisme á la Van der Goes. In mei 1894 richtte dit drietal samen met Van der Goes in Amsterdam de Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV) op, voorloper van de enige maanden later van stapel lopende SDAP. Loopuit en De Levita werden in september 1894 respectievelijk voorzitter en secretaris van de tot afdeling Amsterdam van de SDAP omgevormde SDV. Al vanaf midden 1892 had Loopuit een vooraanstaande rol gespeeld in de Nederlandsche Diamantbewerkers Vereeniging (NDV), die niet zozeer een vakbond was als wel een socialistische propagandaclub voor vakorganisatie. Op 7 november 1894 drong hij namens de NDV als eerste er bij de joodse diamantbewerkers op aan zich bij de stakende christen-slijpers aan te sluiten. De staking werd zodoende algemeen. Dank zij het succes van deze diamantbewerkersstaking kon elf dagen later in Amsterdam de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB) worden opgericht. Loopuit en De Levita kregen geen zitting in het bestuur van de nieuwe diamantbewerkersbond, maar werden gekozen tot voorzitters van de afdelingen briljantslijpersbazen en briljantsnijders en -snijdsters. Hun aandeel in de opbouw van de afdeling Amsterdam van de SDAP was in deze tijd van wezenlijk belang. Begin 1897 kwamen Loopuit en De Levita in hevige botsing met hun oude vriend Polak. Een verschil van mening over de door de ANDB te volgen tactiek mondde uit in een felle ruzie doordat De Levita en Loopuit onder invloed van de inmiddels tot secretaris van de Algemeene Juweliers Vereeniging gepromoveerde Bram Loopuit ANDB-secretaris Herman Kuijper als Polaks kwade genius gingen beschouwen. Het conflict, dat ook nog ernstige repercussies had in de Amsterdamse partij afdeling, werd eind 1897 weer bijgelegd. Loopuit in wezen een uiterst vredelievend mens kreeg echter ten gevolge van alle spanningen een ernstige depressie en besloot kort na zijn herstel het voor hem te inspannende werk van briljantslijpen voor goed op te geven. Door zijn huwelijk met Heintje Speijer, die als verpleegster de kost verdiende - en zich inzette voor de belangenbehartiging van verpleegsters in de bond Nosokémos kon Loopuit zich geheel wijden aan studie en partijactiviteiten. Hij werd een toegewijd propagandist en partijbestuurder en onderscheidde zich in het bijzonder als popularisator van de marxistische theorie in woord en geschrift. In 1905 maakte hij deel uit van het 'marxistische' partijbestuur, maar met de andere marxisten verloor hij op het Utrechtse SDAP-congres in 1906 zijn plaats in de partijleiding. Sam de Wolff en David Wijnkoop dreven met Loopuits weifelmoedigheid de spot op een debatavond van SDAP-afdeling III in 1908, waar de vraag aan de orde was of de SDAP stakingen mocht steunen die niet van het NVV uitgingen. Loopuit, die volgens De Wolff 'juist van het Marxistische kamp naar de gematigde rechterzijde was overgegaan', vond dat men ten opzichte van iedere staking het parool van het NVV moest volgen. Wijnkoop kreeg echter de lachers op zijn hand met zijn typering: 'Zo gaat het met het Marxisme van Loopuit: Loopin, Loopuit, Loopin, Loopuit'. In 1909 bleef Loopuit weliswaar de partij trouw, maar als nog altijd orthodox marxist beschouwde hij het royement van de Tribunisten als een ernstige fout. Van 1905 tot zijn dood in 1923 was Loopuit lid van de Amsterdamse gemeenteraad. Van deze functie maakte hij eerst als gewoon lid en later als leider van de SDAP-fractie bijzonder veel werk. Om zijn kennis van zaken, eruditie, humor en gevoel voor fair play werd hij in de raad ook door politiek andersdenkenden ter rechterzijde zeer gewaardeerd. Hoewel Loopuit graag lid van de Tweede Kamer was geworden, plaatste de partijleiding hem tot zijn verdriet nooit op een verkiesbare plaats.

Loopuit publiceerde vele boeken, brochures en tijdschriftartikelen over zeer uiteenlopende onderwerpen, die echter alle de arbeiderszaak raakten. Nadat hij jarenlang in het maandblad De Nieuwe Tijd orthodox-marxistische standpunten had verdedigd, schoof hij vanaf 1915 in zijn beschouwingen in de mede door hem geredigeerde Socialistische Gids steeds verder door naar de gematigde zijde van het socialisme. Onder invloed van geschriften van de Austromarxisten Karl Renner en Eduard Fischer kwam hij tot de conclusie dat bij K. Marx en Fr. Engels sprake was van aprioristisch denken, zodat bepaalde maatschappelijke tendensen het karakter kregen van natuurwetten. Hun op basis van deze 'wetten' gedane voorspellingen waren volgens Loopuit echter geen van alle uitgekomen. Loopuits ruk naar rechts kan worden verklaard uit zijn behoefte aan objectivering, afkeer van revolutionair geweld en geraaktheid over de wijze waarop Nederlandse communisten hem geregeld attaqueerden. Overigens diende Loopuit deze tegenstanders soms aardig van repliek. Zo verklaarde hij in 1920 tijdens een zitting van de Amsterdamse gemeenteraad: 'Als de heer Wijnkoop over de democratie spreekt, maakt dat op spreker den indruk, of een kannibaal het heeft over de rechten van den mensch.'

Publicaties: 

Karl Marx en zijne voorgangers (Amsterdam z.j.); De 'moderne staat' en sociaal-democratie (Amsterdam z.j.); 'De diamantbewerker als proletariër' in: De Nieuwe Tijd, 1898, 229-237 en 261-268; 'Over Zionisme' in: De Jonge Gids, 4e jrg., 1901, 4e jrg., 1902, 38l-392 en 424-431; 'Jeugd' in: De jonge Gids, februari 1902, 695-713(autobiografisch); Christelijke vakaktie in theorie en praktijk (Amsterdam 1903); Het anarchisme in de arbeidersbeweging (Amsterdam 1905); 'Uit de geschiedenis der beweging' in: De Nieuwe Tijd, 1908, 608-619; 'Een geschiedenis der christelijke arbeidersbeweging' in: De Nieuwe Tijd, 1909, 407-419; Lessen uit de geschiedenis van den kiesrechtstrijd (Amsterdam 1916); 'Staat en maatschappij' in: De Socialistische Gids, 1917, 789-800, 884-897 en 964-974; 'Organisch socialisme' in: De Socialistische Gids, 1921, 96-103; 'In memoriam J.G. van Kuijkhof' in: De Socialistische Gids, 1921, 738-739.

Literatuur: 

G.W. Kernkamp, 'Een socialist over onze geschiedenis' in: Vragen des Tijds, 1903; Vliegen, Dageraad II, 383-385; H. Polak, 'Jos Loopuit' in: Weekblad ANDB, 16.3.1923; W.H. Vliegen, in: De Groene Amsterdammer, 17.3.1923; 'In memoriam J. Loopuit' in: De Socialistische Gids, 1923, 369-371; S. Bloemgarten, 'De vlegeljaren van de amsterdams-joodse socialisten: 1890-1894' in: 78ste Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, 1986, 135-176; B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda (Den Haag 1993); M. van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden (Trier 1992); M. Buschman, Tussen revolutie en modernisme. Geschiedenis van het Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland 1893-1907 (Den Haag 1993); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

J. Loopuit, uit: Vliegen, Dageraad II (Amsterdam 1905), t.o. 88

Auteur: 
Salvador Bloemgarten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 133-136
Laatst gewijzigd: 

07-08-2002