LUBBE, Marinus van der

Marinus van der Lubbe

(roepnaam: Rinus), brandstichter van het Rijksdaggebouw in Berlijn in 1933, is geboren te Leiden op 13 januari 1909 en onthoofd te Leipzig op 10 januari 1934. Hij was de zoon van Franciscus Cornelis van der Lubbe, marskramer, en Petronella van Haandel, dienstmeisje.

Van der Lubbes moeder, een rooms-katholieke Brabantse boerendochter, was eerder getrouwd geweest met de koloniale officier Van Peuthe, met wie zij vier kinderen kreeg. Door haar overgang naar het gereformeerde geloof brak de familie met haar. Na van haar eerste man gescheiden te zijn hertrouwde zij in 1904 met een 41-jarige marskramer, met wie zij nog eens drie kinderen kreeg van wie Rinus de jongste was. De steeds slechter wordende verhouding tussen zijn ouders vergalde zijn kinderjaren. Ten slotte liet zijn vader, die toch al veel van huis was en aan de drank raakte, het gezin in de steek. Zijn lichamelijk zwakke en sterk astmatische moeder verhuisde naar Den Bosch. Zij dreef overdag een klein winkeltje en zwoegde 's avonds tevergeefs om haar huis en vele kinderen er netjes te doen uitzien. Rinus was meest op zichzelf aangewezen en verbleef zelfs enige weken in een tehuis voor verwaarloosde kinderen. Toen hij twaalf jaar was, stierf zijn moeder. Zijn halfzusje Annie in Leiden, die zelf met drie kleine kinderen zat en het niet breed had, nam hem bij zich in huis. Vooreerst ging hij nog naar school en leerde daar met graagte en met redelijk goede resultaten. Moeilijkheden of wanordelijkheden schijnt hij niet veroorzaakt te hebben. Ook ging hij, overeenkomstig de protestantse geloofsovertuiging in het ouderlijk huis, op zondag trouw naar de kerk. Zijn zwager liet hem met dertien jaar het metselaarsvak leren, overdag bij een baas, 's avonds op een ambachtsschool. Zijn medearbeiders waren vooral geïmponeerd door zijn buitengewone lichaamskracht en noemden hem Dempsey, naar het toenmalige boksidool. Toen hij zestien jaar was, kreeg Van der Lubbe kalk in zijn ogen en verloor een deel van zijn gezichtsvermogen. Hij was niet langer in staat zijn beroep uit te oefenen en ontving een invaliditeitsuitkering. Voor deze jonge arbeider, die zo sterk lichamelijk leefde, betekende dit een ramp.

Tijdens het werk in de bouw werd Van der Lubbes politieke interesse gewekt. Met zestien jaar sloot hij zich aan bij de Communistische Jeugdbond (CJB). Zijn gedwongen nietsdoen tijdens zijn ziekte stimuleerde het nadenken over de maatschappij. Hij leende geregeld boeken uit de Openbare Leeszaal. Gezien zijn lage uitkering moest hij bijverdienen. Afwisselend was hij hulpkelner, sjouwer, veerman en slagersjongen. Door zijn communistische overtuiging raakte hij in conflict met zijn christelijke zwager en moest het huis uit. Piet van Albada, een student, verleende hem onderdak. Vrouw Van Zijp, bij wie deze inwoonde, ontfermde zich over Van der Lubbe. In de acties van de CJB onderscheidde Van der Lubbe zich door durf, lichaamskracht en debatvaardigheid. Vooral in de werklozendemonstraties weerde hij zich en kwam op hardhandige wijze met de politie in aanraking. Begin jaren dertig maakte zich een grote onrust van hem meester. Het lukte hem steeds minder zich te voegen. Enige malen bedankte hij voor de CJB en meldde zich vervolgens weer aan als lid. Steeds omvangrijker trektochten maakte hij door Europa. Hij droomde ervan de prijs van f 5000,- te verdienen die het weekblad Het Leven uitgeloofd had voor degene die het Kanaal zou overzwemmen, maar het weer bleef aanhoudend te slecht. In 1931 wilde hij met een vriend een reis naar de Sovjet-Unie maken en het geld daarvoor verdienen door ansichtkaarten te verkopen waar zij samen opstonden met een passend onderschrift. Dit mocht niet van de Communistische Partij in Nederland (CPN), waarbij hij zich had aangesloten, en daar hij het plan niet opgaf, leidde dit tot zijn royement op 15 april uit de CPN en even later ook uit de CJB. Door Piet van Albada kwam Van der Lubbe steeds nauwer in contact met het radencommunisme, dat de nadruk legde op het zelfdoen van de arbeiders en niets wilde weten van politieke partijen en vakbonden. In deze jaren van massawerkloosheid, die vooral de jonge generatie trof, ontwikkelde zich een inter-Europese tippelbroederschap. Slapend in nachtasiels voor onbehuisden of bij boeren in een schuur, lange afstanden te voet afleggend of meerijdend met vrachtwagens, muziekmakend, kleine karweitjes verrichtend of vervallend tot bedelarij en kleine diefstallen, trokken de meest ondernemende jonge werklozen door Europa. Bij hen voelde Van der Lubbe zich thuis. Hij deed echter alles om niet te verpauperen. Hij zag kans van zijn uitkering rond te komen en verviel niet tot bedelen. Van alcohol moest hij niets weten. Een tijdlang hield hij een dagboek bij. Zijn plan het Kanaal over te zwemmen had hij intussen niet opgegeven. Hij keerde daarvoor in 1932 naar Leiden terug. Wegens het ingooien van ruiten bij Maatschappelijk Hulpbetoon, waarmee hij een conflict had, zat hij van 12 juli tot 2 oktober 1932 een straf uit in de gevangenis te Scheveningen. Daarna zette hij zijn eenmansoorlog met Maatschappelijk Hulpbetoon voort. Hij ging in hongerstaking en moest uiterst verzwakt in een ziekenhuis opgenomen worden.

In januari 1933, toen in Duitsland Hitler aan de macht kwam, lag Van der Lubbe opnieuw in het ziekenhuis, ditmaal om voor zijn ogen behandeld te worden. In deze gespannen situatie van rechtse terreur en linkse dadenloosheid trok Van der Lubbe, zodra hij hiertoe in staat was, naar Berlijn waar hij op 18 februari arriveerde. Overal constateerde hij doffe gelatenheid. In hem groeide de overtuiging dat hij de arbeiders door een opzienbarende terreurdaad wakker moest schudden. Na eerst vergeefs geprobeerd te hebben een gebouw van het door hem verafschuwde Maatschappelijk Hulpbetoon en nog twee andere officiële gebouwen in brand te steken, viel zijn oog op het Rijksdaggebouw. Van der Lubbe trapte in de avond van 27 februari een ruit in, wrong zich naar binnen en om even over negenen stond het gebouw in lichtelaaie. Hij werd ter plekke gearresteerd. Hitler verklaarde dat God hiermee het teken gaf om de communisten met ijzeren vuist te vernietigen. Een golf van staatsterreur rolde over Duitsland en duizenden communisten, sociaal-democraten en andere tegenstanders van het nationaal-socialisme werden gearresteerd. De brand was niet het sein tot de opstand van de arbeidersklasse maar een middel dat Hitler vaardig hanteerde om zijn macht verder te consolideren. Een groot openbaar proces moest aantonen dat de communisten verantwoordelijk waren voor de brandstichting. Samen met Van der Lubbe stonden Georgi Dimitrof, een Bulgaarse communist, twee landgenoten, die zich eveneens illegaal in Berlijn bevonden, en een Duitser terecht. De Komintern ging tot de tegenaanval over en wees de nationaal-socialisten zelf als de brandstichters aan. Van der Lubbe zou daarbij een werktuig in hun handen geweest zijn. In een 1933 in Parijs uitgegeven Bruinboek werd Van der Lubbe voorgesteld als een praalhans, geestelijk zwakbegaafd en homoseksueel. Tegenover deze op grote schaal verbreide communistische laster stond het door politieke vrienden van Van der Lubbe uitgegeven Roodboek, waarin onder meer het genoemde dagboek en brieven stonden afgedrukt. Maar dit bereikte slechts een kleine kring. Niettemin is dit een 'document humain', dat een overtuigend bewijs vormde van de integriteit van Van der Lubbe als hoogstaand mens en hartelijk kameraad. Het proces, dat in Leipzig op 21 september 1933 begon en tot 23 december duurde, eindigde met de terdoodveroordeling van Van der Lubbe en de vrijspraak van de andere verdachten. Tijdens het proces verviel Van der Lubbe in halsstarrig zwijgen. De eenzame opsluiting, voor het grootste deel geboeid, en de onophoudelijke verhoren zullen hem gesloopt hebben. Erger voor hem was dat zijn daad een averechts effect had. Communisten en nationaal-socialisten gaven elkaar over en weer de schuld. Waarom wilde niemand geloven dat hij het alleen gedaan had? Het doodvonnis betekende een grote rechtsverkrachting, want op brandstichting stond maximaal vijftien jaar gevangenisstraf, maar de noodverordening van 28 februari werd op hem van toepassing verklaard zodat zijn daad als hoogverraad gold. Gratieverzoeken werden afgewezen en 10 januari 1934 viel het hoofd van Rinus van der Lubbe onder de valbijl.

Literatuur: 

Roodboek. Van der Lubbe en de Rijksdagbrand (Amsterdam 1933); Jef Last (in samenwerking met Harry Wilde), Kruisgang der jeugd (Amsterdam 1939), tweede herziene druk onder de titel Rinus van der Lubbe, doodstraf voor een Provo (Dinxperlo 1967); Fritz Tobias, Der Reichstagsbrand. Legende und Wirklichkeit (Rastatt 1962); I. Cornelissen, 'De Rijksdagbrand, Marinus van der Lubbe' in: Vrij Nederland, 12. en 19.2.1966; Geschichte der deutschen Arbeiterbewegung. Chronik. Teil II: Von 1917 bis 1945. (Berlijn DDR 1966); H. Karasek, Der Brandstifter. Lehr- und Wanderjahren des Maurergesellen Marinus van der Lubbe, der 1933 auszog, den Reichstag anzuzünden (Berlijn 1980), Nederlandse vertaling: De brandstichter. Het leven van Marinus van der Lubbe (Utrecht 1984); G. Harmsen, 'Het korte tragiese leven van Rinus van der Lubbe' in: Nederlands kommunisme (Nijmegen 1982) 323-332; U. Backes e.a., Reichstagsbrand: Aufklärung einer historischen Legende (München 1986); M. Schouten, Rinus van der Lubbe 1909-1934 (Amsterdam 1986).

Portret: 

M. van der Lubbe, IISG

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 126-129
Laatst gewijzigd: 

00-00-1988