LUITINK, Petrus Jacobus

Petrus Jacobus Luitink

bestuurslid van de Amsterdamse afdeling van de Eerste Internationale en dichter van het 'Vrijheidslied', is geboren te Harderwijk op 26 december 1841 en overleden te Amsterdam op 15 november 1871. Hij was de zoon van Evert Luitink (ook genoemd Martens), schipper, en Jacoba Rikkerts (ook geschreven als Rijkerts). Op 25 april 1866 trad hij in het huwelijk met Herremijntje Maria Bouwmeester, winkelierster, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

Luitink stamde uit een schippersfamilie, waarschijnlijk beurtvaarders tussen Harderwijk en Amsterdam. Dit zou verklaren, waarom na de dood van zijn vader de weduwe, zelf van Veluwse herkomst, zich met zoons en dochter in de hoofdstad vestigde (1863). Daar werkte Luitink eerst als pakhuismeester. Later bestond zijn broodwinning uit de vertegenwoordiging van enkele buitenlandse handelsfirma's, samen met Henri Timmer. In de opkomende Eerste Internationale maakte zijn welversneden pen hem tot een gewaardeerde medewerker aan werkmansbladen als verslaggever en dichter.

Van zijn poëzie heeft alleen het 'Vrijheidslied' één van de vroegste voorbeelden van de Nederlandse strijdliederencultuur, Luitink overleefd. Zijn rebelse coupletten, voor 't eerst afgedrukt in De Vrijheid van 19 maart 1871, rijmde Luitink in dezelfde dagen dat Eugène Pottier in Parijs zijn 'Internationale' dichtte (eveneens bedoeld op de melodie van de 'Marseillaise'; Pierre Degeyters roemrucht geworden compositie dateert van na Pottiers dood.) Joan Nieuwenhuis beschreef het ontstaan van het 'Vrijheidslied' in zijn Radicaal Weekblad van 30 juni 1889: Luitink 'was ziekelijk en vernam zo op zijn ziekbed hoe sterk de beweging vooruitging; dat bracht hem, de jonge geestdriftvolle man in verrukking en hij wilde zijn gedachten in woorden uitdrukken. Maar schrijven kon hij niet meer. Zijn hevige ziekte, bloedspuwing, had hem te veel verzwakt. Hij vroeg daarom op eenmaal, terwijl een aantal vrienden hem bezochten, dat men pen, papier en inkt bijeen zou brengen en opschrijven wat hij zou zeggen. En ondersteund door een zijner vrienden zong hij het Vrijheidslied.' Men mag aannemen dat Nieuwenhuis ietwat romantiseerde, want lente 1871 roerde Luitink zich alweer op een vergadering van sigarenmakers en typografen in Utrecht. In mei 1871 behoorde hij tot degenen, die tijdens het Derde Nederlandsche Werklieden Kongres te Amsterdam met succes pleitten voor de samenvoeging van de diverse werkliedenweekbladen tot één dagblad. Het plan werd aangenomen maar nooit verwezenlijkt, denkelijk door tegenwerking van B.H. Heldt en zijn 'nationalen'.

Dat Luitink inderdaad wankel van gezondheid was, bleek bij de geboorte van zijn derde kind in augustus 1871. Wegens ziekte van de vader deed de vroedvrouw de aangifte. Drie maanden later was hij dood, nog geen dertig jaar oud. Bymholt meldt: 'Hij werd door een 200-tal leden der Intern. grafwaarts gebracht, terwijl men bij zijn graf zong het 2e couplet van zijn lied op de wijze der Marseillaise:

Waakt op, o broeders! op Bataven! En zweert op 't kille grafgesteent, zweert bij het dierbaar stof der braven, zweert bij der vad'ren bleek gebeent... enz.'

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis; J.J. Giele, De eerste internationale in Nederland (Nijmegen 1973); J. van de Merwe, Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten! (Utrecht 1974); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

P.J. Luitink, uit: J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933) t.o. 42

Auteur: 
Jaap van de Merwe
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 87-88
Laatst gewijzigd: 

22-07-2017 (beroep echtgenote toegevoegd)