MELIEFSTE, Pieter

Pieter Meliefste

(roepnaam: Piet), propagandist voor christelijke vakorganisatie onder landarbeiders op Walcheren en eerste arbeider in de anti-revolutionaire Statenfractie van Zeeland, is geboren te Middelburg op 17 mei 1901 en aldaar overleden op 10 juli 1985. Hij was de zoon van Cornelis Meliefste, landarbeider, en Sara Dingemanse. Op 4 april 1925 trad hij in het huwelijk met Cornelia Koppejan. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Het leven van de jonge Meliefste werd diepgaand beïnvloed door de langdurige ziekte en het overlijden in 1914 van zijn vader. Deze was invalide geworden en als een onnutte machine door zijn werkgever - een boer - na 25 jaar trouwe dienst afgedankt. De man werd ontslagen zonder enige financiële steun en na zijn overlijden oordeelde de boer dat de drie minderjarige zoons maar voor de weduwe moesten zorgen. Meliefste, de jongste, werkte eerst als boerenknecht en in 1918 en 1919 als los werkman. Gegrepen door christelijke idealen werd hij lid van Patrimonium. Hier werd hij gevormd door sprekers op de districtsvergaderingen en door de processen-verbaal van het Christelijk-Sociaal Congres van 1891. In 1920 trad hij in dienst bij de Middelburgse Philips-vestiging De Vitrite en in februari 1921 sloot hij zich aan bij de Christelijke Metaalbewerkersbond in Nederland. Onder invloed van de 'kleine crisis' werd hij in september ontslagen. Maar vanaf december 1922 tot zijn pensionering in 1966 werkte hij op nieuw en in verschillende functies bij De Vitrite, slechts onderbroken door een tijdelijk massaontslag in 1926. Zijn laatste functie was hoofd van de vervoers dienst. Mede geïnspireerd door de succesvolle propaganda-acties van de metaal- en bouwbonden na de staking bij de werf De Schelde in Vlissingen in 1927- 1928 - die de arbeidersbevolking zeer aansprak - zette Meliefste zich vanaf eind jaren twintig volledig in voor het oprichten van afdelingen van de Nederlandsche Christelijke Landarbeidersbond (NCLB) in de Walcherse dorpen. Als propagandist vanuit de Middelburgse afdeling van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) was hij vele avonden per fiets op stap om in consistories en schoolgebouwen het nut van organisatie uiteen te zetten. Hier en daar tegengewerkt door liberale boeren die hun arbeiders intimideerden, overal worstelend met het probleem van de contributiehoogte en de lijdelijke inslag van velen, wist hij voornamelijk aan het begin van de crisisjaren met hun dreigende werkloosheid negen bondsafdelingen op te richten: Arnemuiden (al in 1928), Gapinge, Vrouwenpolder, Domburg en Grijpskerke (1931), Oostkapelle, Aagtekerke, Biggekerke en Koudekerke (1932). Over de contributie zei hij: 'Jullie moeten de financiële consequenties straks met je vrouw bespreken als je thuiskomt. Waar je vrouw die 50 cent contributie vandaan haalt, kan ik je niet zeggen. Die beslissing moet vallen tussen jullie beiden.' Arbeiders met een groot gezin liet hij 'meelopen' op kosten van de bond. Zij werden lid zonder contributie af te hoeven dragen. Bij zijn propaganda kon Meliefste vooral steunen op de hier en daar op het platteland voorkomende kernen van Patrimonium. Voorheen, rond 1919, hadden enkele afdelingen van de NCLB er een kortdurend bestaan geleid. Het door hen bereikte op het vlak van de beloning was na enige jaren teniet gedaan. Tijdens zijn campagne zweeg Meliefste bij voorkeur over de eigenlijke vakbondstaak, het verkrijgen van een collectieve arbeidsovereenkomst, omdat hij dat een taak voor de NCLB zelf vond. De taak van Meliefste en zijn Middelburgse helpers - zijn rechterhand was steeds A. Flipse uit de grafische bond - werd verlicht toen A. Vingerling in 1933 propagandist voor Zeeland namens de NCLB werd. Meliefstes rol in de Metaalbewerkersbond bleef beperkt tot huis-aan-huis bezoek in de jaren twintig, maar voor de landarbeiders van de Walcherse dorpen werd hij in de jaren dertig 'hun man' die daardoor opklom in de plaatselijke Besturenbond van het CNV en de Anti-Revolutionaire Partij (ARP).

Tijdens de bezetting zorgde Meliefste er in het Zeeuwse voor dat contacten binnen het officieel opgeheven CNV bleven bestaan. In 1945 werd hij benoemd tot lid van de noodgemeenteraad van Middelburg en van het tribunaal dat voor Zeeland de (leken) rechtspraak over medewerking aan de vijand ter hand nam. Door zijn populariteit in de Walcherse dorpen en door verdeeldheid onder enige meer 'gezeten' kandidaten werd Meliefste in 1946 'per ongeluk' de eerst geplaatste ARP kandidaat voor de Provinciale Staten-verkiezingen in de kieskring Walcheren. De ARP-top was nog zo conservatief dat deze geen arbeider in de Staten wenste en deed een persoonlijk beroep op hem om terug te treden. 'Dit gaat de ARP alle boerenstemmen kosten van Oostkapelle, Aagtekerke en die omgeving. Die weigeren op jou te stemmen, want jij bent de rooie socialist, die propaganda maakt voor de landarbeiders.' Meliefste echter weigerde. Zijn lidmaatschap van de Staten beschouwde hij als eerherstel voor zijn aan de kant gezette vader. Hij was Statenlid tot 1966, lid van de gemeenteraad tot 1954. Zijn lidmaatschap van de nieuw ingestelde personeelsraad van De Vitrite vanaf 1948 tot aan het ontstaan van de ondernemingsraad in 1955 betitelde Meliefste als 'de mooiste tijd van mijn leven'. In het gereglementeerd overleg met de directie over allerlei nieuwe ontwikkelingen en over de arbeidsvoorwaarden zag hij de verwezenlijking van de idealen van 1891: een maatschappij van overleg. Waardering kreeg hij zowel van de NVV-bond - die als meerderheid tolereerde dat de CNV-er Meliefste voorzitter werd - als van de liberale directie die hem in de gelegenheid stelde in andere Zeeuwse Philips-vestigingen overlegorganen in te richten. Ook van de ondernemingsraad van De Vitrite was hij lid. Zijn invloed in de vakbeweging reikte echter niet verder dan Walcheren. In Middelburg maakte hij deel uit van het bestuur van zijn eigen bond en van de Besturenbond. Tevens was hij bestuurslid van de uit Patrimonium voortgekomen Middelburgse woningstichting Volksbelang en lid van de adviescommissie van het Gewestelijk Arbeidsbureau. De gedegen principiële onderbouwing van zijn betogen ging gepaard met een zekere stroefheid in de omgang, die wellicht een opklimmen in het CNV buiten Walcheren verhinderde. Geleidelijk aan verschoof zijn positie met het geaccepteerd geraken van overheidsingrijpen na 1950 naar de conservatieve zijde van het CNV. Meliefste handhaafde de oude Kuyperiaanse gedachte van de afzijdige staat en de onderling tot overeenstemming komende sociale partners. Wel bleef hij sterk opkomen voor het werknemersbelang, onder andere in de Provinciale Staten, waar hij zich in dezelfde oude ARP-traditie op financieel en cultureel gebied terughoudend toonde. In de gemeenteraad functioneerde Meliefste onopvallend, op kerkelijk terrein - hij was ouderling in de Gereformeerde Kerken in Nederland - was hij bepaald behoudend. Centraal motief voor zijn inzet, zo benadrukte hij herhaaldelijk, was de dienst aan de medemens. Als dank werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en erevoorzitter van de Middelburgse afdeling van de Industriebond-CNV en van de Besturenbond van het CNV.

Publicaties: 

50 jaar, 1918 - 26 November - 1968, Woningstichting Volksbelang Middelburg (Middelburg 1968).

Literatuur: 

J. Zwemer,' "Dit gaat de ARP alle boerenstemmen kosten..." De Anti-Revolutionaire Partij en de Staatkundig Gereformeerde Partij in de verkiezingen van 1946 op Walcheren' in: Zeeuws Tijdschrift, december 1986, 218-223; J. Zwemer, 'Een zekel om geit-eten te snieën'. De geschiedenis van de landarbeiders op Walcheren 1900-1940 (Middelburg 1986).

Portret: 

P. Meliefste, op zijn trouwdag, particulier bezit

Auteur: 
Jan Zwemer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 192-194
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992