MENS, Jan

Jan Mens

populair schrijver van romans over het leven van de arbeidersklasse, is geboren te Amsterdam op 18 september 1897 en aldaar overleden op 31 oktober 1967. Hij was de zoon van Jan Mens, diamantbewerker, en Helena Elisabeth Falke, werkster. Op 18 januari 1922 trad hij in het huwelijk met Abeltje Stenhuis, huisvrouw, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Pseudoniemen: Jan Rebel, Aart de Rode.

Mens las als kind alles wat los en vast zat. De jongen had 'wetensdrang', zoals hij het later zelf noemde. Cultuur snoof hij ook op bij de toneelvoorstellingen, waarvoor hij vrijkaartjes kreeg via zijn moeder, die schoonmaakte bij de befaamde acteur Willem Royaards. Met een diploma van de tweejarige ambachtsschool op zak begon Mens als meubelmaker aan zijn werkzame leven, dat hij eindigde als de meest populaire en productieve schrijver van de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw. Hij werd persoonlijk zwaar getroffen door economische crises. In 1907 werd zijn vader werkloos door de crisis in het diamantvak. Bij een poging geld te verdienen door maaltjes zelf gevangen vis te verkopen, verdronk hij tijdens het vissen. Jan was toen negen jaar. Tijdens de grote crisis van de jaren dertig kwam Mens, die bij de biljartfabriek Wilhelmina werkte, zelf op straat te staan. In deze tijd van tegenspoed begon hij, intussen vader van twee kinderen, te schrijven. Als lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) kwam hij gemakkelijk in contact met de al bekende auteurs A.M. de Jong en Theo Thijssen, die prominente partijleden waren. Thijssen werd in die jaren van werkloosheid niet alleen zijn coach en redacteur, maar liet hem ook wat bijverdienen door hem meubels te laten maken. Thijssen corrigeerde Mens' allereerste pennenvrucht: Rafels (1934), de onder het pseudoniem Jan Rebel geschreven schetsen uit het leven van een werkloze arbeider. Het verscheen niet bij een uitgeverij van de sociaaldemocratie, maar bij De Vlam, het uitgeverijtje van de in 1932 van de SDAP afgesplitste Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). Mens was daar naar eigen zeggen uit balorigheid lid van geworden, omdat hij de SDAP te weinig strijdbaar vond. Waarschijnlijker is dat hij was overgehaald door zijn zwager Roel Stenhuis, die propagandist voor de OSP was. Mens had weinig passie voor de praktijk van politiek en arbeidersbeweging, in tegenstelling tot zijn vrouw, die tot op hoge leeftijd de beweging daadwerkelijk bleef steunen.

Rafels was strikt genomen Mens' debuut, maar daar wilde hij niet van weten toen hij in 1938 met zijn roman Mensen zonder geld de Eerstelingenprijs van uitgeverij Kosmos won. Japie Jagtman, de hoofdpersoon van dit boek, had veel weg van Kees de jongen uit de gelijknamige roman van Thijssen, al had Kees meer fantasie dan Japie en schreef Thijssen beeldender dan Mens. De schrijver A. den Doolaard (pseudoniem van Cornelis Spoelstra) had Mens aangespoord het manuscript in te sturen. In de jury zaten onder meer A.M. de Jong, Dirk Coster en Antoon Coolen. Met deze prijs van duizend gulden was Mens, die zelf altijd zonder geld zat, de koning te rijk. Van nu af aan zou hij schrijver van beroep zijn, één van de weinige schrijvers die konden leven van hun pen. Hij schreef kinderboeken, een serie leesboekjes voor het onderwijs, een gedenkboek voor de coöperatieve zuivelfabriek West Friesland in Lutjewinkel, geromantiseerde levensbeschrijvingen van Betje Wolff en Rembrandt en journalistieke impressies. Er wacht een haven (1950) beschrijft hoe een aanvankelijk niet geïnteresseerde bootwerker betrokken raakte bij de grote havenstaking van 1911. Zijn roem verwierf Mens met de romanreeks rond de kloeke herbergierster Griet Manshande (De Gouden Reael, De Blinde Weerelt, Het Goede Inzicht en Godt alleen d'eere, verschenen tussen 1940 en 1957). Thijssen complimenteerde hem in 1940 hartelijk met De Gouden Reael als 'blijvertje in de Nederlandse letterkunde'. Ook zeer geliefd waren de boeken die uiteindelijk de trilogie De Kleine Waarheid vormden (Marleen, Het Heldere Uur, Het Kleine Verschil, verschenen tussen 1960 en 1964). Willy van Hemert werkte het drieluik in de jaren zeventig voor de christelijke omroeporganisatie NCRV om tot een succesvolle televisieserie met Willeke Alberti in de hoofdrol. De romans van Mens verschenen bij Uitgeverij Kosmos, zijn jeugdboeken bij andere uitgeverijen, waaronder De Arbeiderspers. Mens schreef zich tijdens de bezetting in bij het Letterengilde van de Kultuurkamer en publiceerde verschillende boeken bij Kosmos. Ook De Arbeiderspers bracht na de gelijkschakeling werk van hem uit. Na de oorlog strafte de Perszuiveringscommissie Mens met een publicatieverbod van één jaar. In 1957 verscheen bij De Arbeiderspers de eerste van twee Jan Mens-Omnibussen. In dezelfde tijd gaf Querido werk van hem uit in de reeks Salamanderpockets.

Bijna alle romans van Mens speelden zich af in Amsterdam en beschreven het leven van de 'gewone man', de harde werker die moest sappelen om het bestaan en blij was met iets extra's op tafel. Dit was de wereld die hij zelf bij uitstek kende. Veel van zijn werk had dan ook autobiografische aspecten, het meeste nog Koen (1941). Zijn romanpersonages waren meestal op bestaande figuren geënt, de namen ontleende hij vaak aan grafstenen, de locaties had hij altijd zelf bezocht. Een steeds terugkerende figuur in zijn werk, de krachtige vrouw die het hoofd biedt aan tegenspoed, lijkt naar het beeld van zijn moeder getekend te zijn. Mens schreef, zoals hij het zelf verwoordde, 'voor de bloemenman. Ik behoor tot het ras der volksvertellers en mis de ietwat snobistische belangstelling voor het uitpluizen van bleke zieleroerselen.' Dit was precies wat zijn critici hem verweten. Mens liet niets aan de verbeelding van de lezer over, met uitzondering wellicht van de erotiek. Die was  onmiskenbaar aanwezig, maar altijd verhuld, bijvoorbeeld in het spel van biljartballen en keu. Het zat Mens altijd dwars dat hij in de wereld van de officiële literatuur niet werd erkend. In De Gouden Reael liet hij de zinspreuk 'Invidia florenti infesta' (Bloei wekt jaloezie) figureren op de gevelsteen van de kroeg De Gouden Reael. Misschien richtte hij zich hiermee fijntjes tegen collega-schrijvers als Menno ter Braak en Theun de Vries, die geen goed woord voor hem over hadden. Zeker is dat zijn werk gretiger aftrek vond dan het hunne. In 1962 rolde het miljoenste exemplaar van Mens' publicaties van de persen. Het 'miljonairschap' werd feestelijk gevierd en hij kreeg de zilveren penning van de stad Amsterdam uitgereikt. Bij alle feestelijkheden werd steeds als zijn grootste verdienste aangevoerd dat hij mensen aan het lezen bracht die dat normaal niet zouden doen. Zijn lezers waardeerden de positieve toon van zijn werk en het basisidee van goedheid en solidariteit onder gewone mensen.

Jan Mens' grote liefde was Amsterdam, zo meldt ook zijn grafsteen op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Hij was geboren in Oud West, had als kind in bijna alle volkswijken gewoond en was in 1925 met zijn gezin naar Betondorp verhuisd. Daar woonde op een steenworp afstand de familie Van het Reve. Zijn kinderen speelden er met Karel en Gerard, de volksschrijver in de dop.  Met de laatste hadden ze niet veel op. Karel hekelde later de 'overvloed aan natuurgetrouwheid' in het werk van Mens. Hij beschreef ook een vaag eentonig gebrom dat altijd uit het keukenraam van de Mensen klonk. Het was Jan die met zijn Groningse vrouw praatte, waarbij zij hem keer op keer onderbrak met 'Ach hou toch op', dan wel 'Ach schei toch uit'. Mens overleed op 70-jarige leeftijd thuis in Betondorp. Aan het andere eind van de stad, op het Realeneiland, ligt het Jan Mens-plein, vlak achter het nog steeds bestaande etablissement De Gouden Reael.

Archief: 

Archief Jan Mens in familiebezit; documentatiemappen Jan Mens in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Bibliografie in: 65 Jaar Mens onder mensen (Amsterdam 1962) 33 en: www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=mens001

Literatuur: 

M. ter Braak, 'Een spruit van de familie der letterkundige knaapjes' in: Het Vaderland, 7.3.1939; Th. de Vries, 'Mensen zonder geld en schrijvers zonder overtuiging' in: Het Volksdagblad, 1.4.1939; 65 Jaar Mens onder mensen. Overpeinzingen en ontboezemingen van twaalf auteurs (Amsterdam 1962); 'Jan Mens houdt van medemens' in: De Waarheid, 15.9.1962; J. Greshoff, 'Werkelijkheid zonder wezenlijke kern' in: Het Vaderland, 14.1.1961; P.-P. de Baar, 'Het Amsterdam van Jan Mens' in: Ons Amsterdam, mei 1991, 118-120; A. Lammers, 'Jan Mens', in: Biografisch Woordenboek van Nederland. Vierde deel (Den Haag 1994) 325-327, ook: http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn4/mens; F. Doppenberg, 'De Arbeiderspers moest blijven marcheeren'. Een uitgeverij in oorlogstijd (Amsterdam 2009) 141 en 148; K. van het Reve, 'Schrijven in Amsterdam' in: Verzamelde Werken. Deel 5 (Amsterdam 2010) 917-920; K. van het Reve, 'Natura Artis Magistra' in: Verzamelde Werken. Deel 6 (Amsterdam 2011) 233-234.

Portret: 

Jan Mens in 1959 voor café De Gouden Reael op de Zandhoek, in gesprek met kroegbaas Hein de Boer en diens vrouw. Foto: Henk Nieuwenhuijs (Nationaal Archief/Spaarnestad Photo)

Handtekening: 

Huwelijksakte van Mens/Stenhuis dd 18 januari 1922. Reg 6 fol 22v , akte 43; akteplaats Amsterdam. Als bruidegom.

Auteur: 
Margreet Schrevel
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2012)
Laatst gewijzigd: 

24-02-2012