MIEROP, Dirk Lodewijk Willem van

Dirk Lodewijk Willem van Mierop

christen-anarchist, oprichter van de Internationale Broederschap te Blaricum en leider van de Rein Leven-Beweging, is geboren te Rotterdam op 1 januari 1876 en overleden te Bussum op 13 juni 1930. Hij was de zoon van Lodewijk Regnerus Constantijn Gertudes van Mierop, houthandelaar, en Justine Marie Pauline van Lelyveld. Op 30 december 1904 ging hij een vrij huwelijk aan met Truus Mulder, met wie hij drie kinderen kreeg.
Pseudoniemen: Homo, Laborator.

Van Mierop groeide op in een welgestelde familie. Al jong kreeg hij door zijn moeder belangstelling voor een sociaal georiënteerd christendom. Na het gymnasium studeerde hij wis- en natuurkunde in Leiden, waar hij via theologiestudenten kennis maakte met de geschriften van L.N. Tolstoj. Mede op aandrang van zijn moeder ging Van Mierop theologie studeren in Amsterdam, waar hij tevens sociaal werk in achterbuurten verrichtte. Hij kwam in aanraking met dominee L.A. Bähler, die antimilitaristische preken hield, en met de anarchist J. van Rees. Met Bähler hield hij zijn hele leven nauw contact. Na de propaedeuse hield Van Mierop de universiteit voor gezien en wijdde hij zich helemaal aan het ontluikende christen-anarchisme. Hij ontpopte zich als een gedreven propagandist van de christen-anarchistische leer. Slechts door te leven in de geest van Christus kon men volgens hem de samenleving veranderen. Bij een dergelijke leefwijze waren 'geweldloosheid, militaire dienstweigering, geheelonthouding, vleeschioze voeding en geslachtelijke zelfbeheersing' voor Van Mierop onlosmakelijk met elkaar verbonden, hetgeen in zijn activiteiten tot uiting kwam. Van Mierop was vele jaren lid van de Nederlandsche Vegetariërs Bond (opgericht in 1894) en zat rond de Eerste Wereldoorlog in het bestuur ervan. Hij richtte zich sterk op de jeugdbeweging en riep op tot militaire dienstweigering, onder meer in het blad De jonge werker van de Socialistische Jongeliedenbond. In 1897 was hij met Van Rees stichter van de Algemeene Nederlandsche Geheel-Onthoudersbond, hij schreef ook in het bondsblad De geheelonthouder, waarvan hij korte tijd redacteur was. In augustus van hetzelfde jaar waren Van Mierop en zijn geestverwant en levenslange vriend F. Ortt betrokken bij de oprichting van het Tolstojaans blad Vrede. De rond dit blad actieve Vrede-beweging vestigde in Den Haag een eigen drukkerij, eveneens Vrede genaamd, waarover Van Mierop, die tijdens zijn studie het drukkersvak had geleerd, de leiding kreeg. In deze drukkerij produceerde de veelschrijver Van Mierop ook zijn eigen, in een persoonlijke spelling geschreven brochures als Koloniesasie als antie-kapietalistiese arbeidsregeling (Den Haag z.j.). In oktober 1899 kondigde Van Mierop aan dat met steun van Van Rees in Blaricum de kolonie Internationale Broederschap zou worden opgericht, waar de christen-anarchistische idealen verwezenlijkt moesten worden. Hij bracht zijn opvattingen op het Paascongres van vrije socialisten en anarchisten in 1900 te Zwolle naar voren. In april 1901 vormde hij met G.F. Lindeijer de redactie van het Arbeiders-Weekblad, het orgaan van de Internationale Broederschap, dat twee jaar lang zou verschijnen. Met de drukkerij Vrede vestigde Van Mierop zich in april 1902 in Blaricum, zonder zijn verhuizing bij de burgerlijke stand te melden, omdat hij dat als staatsdwang beschouwde. Hiervoor moest hij zich voor het kantongerecht verantwoorden. De solidariteit van de Internationale Broederschap met de spoorwegstaking van 1903 was aanleiding voor woedende inwoners van Blaricum om de kolonisten midden april van dat jaar te belagen. Tijdens de nachtelijke bestorming van de kolonie bleef de geweldloze Van Mierop onverstoorbaar lezen totdat zijn kamer in brand vloog. De aanval luidde voor Van Mierop het einde van het kolonieleven in. In mei 1903 vertrok hij met de drukkerij naar Amersfoort, waar hij vanaf mei 1904 zijn nieuwe weekblad Tegen leugen en geweld uitbracht. Dit blad ging spoedig op in Vrede. Door de fusie kwam Van Mierop in de redactie van dit tijdschrift, dat tot 1909 verscheen. Hij werkte ook mee aan het in 1905 opgerichte Vrede-Tijdschrift, dat vanaf 1907 De Vrije Mensch heette en bedoeld was voor de meer ontwikkelde lezer, en aan het blad Eenheid, dat in 1910 voor het eerst verscheen. Ook al was hij geen kolonist meer, hij bleef contacten onderhouden met de christen-anarchistische kolonie in Nieuwe Niedorp, die in januari 1904 het Federatieve Fonds oprichtte. Dit fonds streefde naar vereniging van bedrijven die op christen-anarchistische grondslag werkten. Van Mierop zat tot 1909 in het bestuur.

Zijn magere gestalte, Tolstojaanse baard en ascetische leefwijze maakten Van Mierop tot een profetische verkondiger van een christen-anarchistische boodschap die zowel op geestelijk als op lichamelijk gebied betrekking had. Van 1907 tot 1925 was Van Mierop voorzitter van de door hem opgerichte (en permanent kwakkelende) stichting Het Ingekeerde Leven, dat religieuze geschriften uitgaf en boeken uitleende. Bähler was secretaris. Met hem maakte hij ook deel uit van de Gemeenschap van Johannes den Evangelist in Nederland, die via groepsbijeenkomsten bijbelstudie bevorderde. In het voorjaar van 1901 nam Van Mierop met Bähler en E. Fimmen het initiatief voor de Rein Leven-Beweging (RLB), een vereniging voor zedelijke verheffing, die in juli van dat jaar met de verschijning van het maandblad Rein leven van start ging. Een 'volkomen reinheid van lichaam en ziel' was het ook nu weer door Tolstoj geïnspireerde streven, waarvan Van Mierop jongeren probeerde te overtuigen. Het ging de RLB om individuele zedelijke verheffing: de geest moest heersen over het lichaam, seksuele onthouding werd aanbevolen en geslachtsgemeenschap moest louter voortplanting tot doel hebben. Homoseksualiteit veroordeelde Van Mierop. Vanaf 1902 voerde hij de redactie van Rein leven, dat nu als propaganda-orgaan diende. In december van dat jaar werd Van Mierop benoemd in de Centrale Commissie, die als leiding van de RLB ging fungeren. Christen-anarchisten, vrijdenkers, humanitairen en orthodox-christelijken vormden de aanhangers van de RLB. Van eensgezind optreden was geen sprake. De orthodox-christelijken dwongen Van Mierop in 1905 zijn redacteurschap van Rein leven neer te leggen. Deze begon daarom op 1 januari 1907 met Levenskracht. Maandblad voor reiner leven. Dit breder opgezette blad trok meer abonnees en verdrong Rein leven in 1908. Het blad moest de spreekbuis zijn van uiteenlopende stromingen en individuen in de christen-anarchistische en humanitaire wereld en de band ertussen versterken. Hij liet ook theosofen, spiritisten en esperantisten aan het woord. Levenskracht besteedde aandacht aan geweldloosheid, natuurgeneeswijzen, reformkleding, licht- en luchtbaden, geheelonthouding, de anti-rookbeweging en vegetarisme. Van Mierop streefde bij voortduring, maar veelal tevergeefs, naar aaneensluiting van de versnipperde christen-anarchistische en humanitaire verenigingen. Hij stond aan de wieg van verscheidene organisaties en periodieken en zocht voortdurend naar ideologische verbinding en organisatorische verbreding. Zijn vasthoudenheid aan strenge principes leidde er echter eerder toe dat hij zich isoleerde dan dat hij de verbindende factor was. Zo mislukte bijvoorbeeld het in mei 1907 opgerichte Centraal Bureau ter bevordering van reiner leven, dat in 1911 werd opgeheven. In 1908 richtte Van Mierop in Soest de stichting Chreestarchia op, die christen-anarchisten moest verenigen. Ook deze poging mislukte, waarna de stichting vooral ging fungeren als uitgeverij. Wel lukte het Van Mierop door optredens in België daar de Neutrale Rein Leven-Beweging in november 1912 van de grond te krijgen. Via Levenskracht zorgde Van Mierop ook voor jarenlange propaganda in Nederlandsch Indië, hetgeen in 1923 leidde tot een Indische groep van de RLB. In 1912 was Van Mierop een van de oprichters van het Nationaal Comité voor Moederbescherming en Sexueele Hervorming, dat streefde naar een betere wetgeving voor de vrouw en de ongehuwde moeder, naar bestrijding van prostitutie en beperking van kindertal. Vanwege dit laatste streven is de deelname van Van Mierop opmerkelijk, aangezien hij een fel bestrijder was van de Nieuw Malthusiaansche Bond. Eveneens in 1912 richtte Van Mierop in Soest de Engendaalschool op voor 'religieus-humanitair' onderwijs. Van Mierop was penningmeester van de school. Zelf gaf hij ook les, bijvoorbeeld over Nietzsche aan de lnternationale School voor Wijsbegeerte in Amersfoort. In filosofische bladen als het Tijdschrift voor Wijsbegeerte schreef hij over onder meer het boeddhisme.

In juni 1914 vertrokken Van Mierop en zijn vrouw voor bijna anderhalfjaar naar Bern. Hij moest rust nemen en kampte met 'een geestelike ontreddering' bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Hij deed in De Vrije Mensch verslag van zijn contacten met geestverwanten in Zwitserland en gaf blijk van zijn antimilitaristische opvattingen. Terug in Nederland waren Van Mierop en Bähler in november 1915 medeoprichters van het Vrije Menschen Verbond (VMV), de voortzetting van de Vrede-beweging. Van Mierop werd secretaris. De Vrije Mensch werd het orgaan van het VMV. In artikelen in dit blad, dat in 1919 wegens gebrek aan belangstellig verdween, wees Van Mierop herhaaldelijk op de onverenigbaarheid van het christen-socialist zijn en een lidmaatschap van de SDAP. Het VMV sloot zich aan bij de Bond van Christen-Socialisten, waarin Van Mierop en Ortt tevergeefs een anarchistische koers bepleitten. In april 1920 scheidde een aantal christen-anarchisten, onder wie Van Mierop, Bähler en Clara Wichmann, zich af en stichtte de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten (BRAC), die de geweldloosheid als strijdwijze voor een anarchistische samenleving propageerde. Van Mierop publiceerde veelvuldig in het bondsorgaan De vrije communist, in de redactie waarvan hij tot oktober 1923 zat. Als redacteur maar ook als secretaris bepaalde hij in de eerste jaren het gezicht van de BRAC. Hoewel geen lid van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging, leverde hij ook bijdragen aan het verenigingsorgaan De Wapens Neder. Hij ondertekende in 1915 het Dienstweigeringsmanifest en werd daarom tot vijftien dagen hechtenis veroordeeld. Zijn verblijf in het huis van bewaring in Amsterdam in oktober en november 1916 beschreef hij in zijn dagboek Uit de cel (Soest 1916), ook was hij betrokken bij het steunfonds voor de ondertekenaars van het Dienstweigeringsmanifest. Met ondermeer Kees Boeke en Wichmann maakte Van Mierop deel uit van het in 1919 opgerichte Comité van Actie tegen de bestaande Opvattingen omtrent Misdaad en Straf. Met Boeke stelde hij als aanklacht tegen het celsysteem het boek De vergetenen (Blaricum 1920) samen. In 1927 schreef Van Mierop nog een artikelenreeks 'Van misdadiger tot zielsziekte' in het avantgardistische tijdschrift i 10, waarin hij een lans brak voor het opvoeden in plaats van opsluiten van de gevangenen. In deze tijd begon Van Mierop te sukkelen met zijn gezondheid. In 1928 trok hij zich terug uit de Centrale Commissie van de RLB en in 1929 verscheen Levenskracht voor het laatst.

Archief: 

Archief L. van Mierop in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 307; collectie brieven van Lodewijk van Mierop bij de Stichting Lemferdinge (Eelde-Paterswolde).

Publicaties: 

Keuze (behalve de genoemde): Met of zonder staatshulp? Het voor en tegen van wettelijke bepalingen, in zake drankbestrijding, wat nader beschouwd. Een woord tot alle drankbestrijders (Dordrecht 1898); Hoe is onze houding tegenover oorlog en militarisme? (Den Haag 1899); Weg met het militarisme! (Den Haag 1899); Dwepers! Een beschouwing over Tolstoy en zijn geestverwanten (Den Haag 1901); Jeugdopvoeding (Blaricum z.j.); Mielietère dienstweigering (z.pl. z.j.); Bedwelming (Blaricum z.j.); De weg tot geluk (Blaricum z.j.); Vóór alles prakties! (Blaricum z.j.); Algemene werkstaking (Blaricum z.j.); Mijn aanklacht. Een moordaanslag van staatswege (Amersfoort 1903); Seksuele moraal in verband met de gezondheidsleer. Aan onze jongeren (Amersfoort 1903); Met wie mag men trouwen? (Amersfoort 1904); Wanneer is geslachtsgemeenschap geoorloofd? (Amersfoort 1904); Wij eisen vrijlating van onschuldig veroordeelden (z.pl. 1905); De slavernij der vrouw (Den Haag 1907); Geestelik en maatschappelik leven (Zwolle 1909); Het papieren gevaar (Blaricum 1909); Waarom het 'vrije huwelik' zin heeft in onze tegenwoordige maatschappij (Amsterdam 1910); (met F. Ortt) Des Christens standpunt tegenover het maatschappelijk leven (Soest 1912); De rein leven-beweging in haar beginsel en arbeid geschetst (z.pl 1913); Der geslachten onderlinge verhouding (Soest 1914); Een hedendaagse kruistocht inzake zelfbeheersing, de vrouw en het huwelik (Soest 1914); Rein leven en vegetarisme (Soest 1914); Open brief aan alle mensen die de oorlog haten en verlangen er van verlost te worden (Amsterdam 1915); Het recht der persoonlike vrijheid tegenover de staatsmacht (Rotterdam 1916); Ons huidige strafstelsel eist radikale verandering (z.pl. 1917); Dienstweigering uit beginsel geen strafbaar feit (Soest 1916); Alkoholisme en onzedelikheid (z.pl. 1918); Het recht van straffen (Rotterdam 1920); Geestelik Revolutionair (Blaricum 1920); Een vertrouwelik woord tot jonge mannen aankomende jongens over een geheime gewoonte (z.pl. 1922); Geschiedenisonderwijs en oorlog. Een vergeten hoofdpunt (Baarn 1926); Drang tot oorlogvoeren geen seksueel instinkt (z.pl. 1927); Prinsipiële oorlogsbestrijding (z.pl. 1928).

Literatuur: 

J. Giesen, Nieuwe geschiedenis. Het antimilitarisme van de daad in Nederland (Rotterdam 1923); A.R. de Jong, 'Lodewijk van Mierop' in: Bevrijding, 1930, no. 3; A. Perdeck, 'De Ramp van Blaricum' in: Mededelingen van het Frederik van Eeden genootschap, 1937, nr. 3; ; J.B. Meijer, 'Bij het overlijden van Truus van Mierop' in: Socialisme van onderop!, 15.10.1949; R. Jans, Tolstoj in Nederland (Bussum 1952); A. Perdeck, Nakend op de fiets (Den Haag 1967); F. Becker, J. Frieswijk, Bedrijven in eigen beheer (Nijmegen 1976); A.C.J. de Vrankrijker, Onze anarchisten en utopisten rond 1900 (Bussum 1972); G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Nijmegen 1975); Kunst en Kunstbedrijf Nederland 1914-1940 (Haarlem 1978); G. Nabrink, Seksuele hervorming in Nederland (Nijmegen 1978); A. de Groot, De weg tot kuisheid voert door nuchterheid (scriptie Rijksuniversiteit Groningen 1983); M.W.J.L. Boersen, De kolonie van de internationale broederschap te Blaricum (Blaricum 1987); H.Q. Röling, 'De tragedie van het geslachtsleven' (Amsterdam 1987); L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (Amsterdam 1994); H.Q. Röling, Gevreesde Vragen. Geschiedenis van de seksuele opvoeding in Nederland (Amsterdam 1994).

Portret: 

D.L.W. van Mierop, IISG

Auteur: 
Piet Hoekman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 142-147
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003