MIRANDA, Salomon Rodrigues de

Salomon Rodrigues de Miranda

(roepnaam: Monne), vakbondsleider en SDAP-wethouder van Amsterdam, is geboren te Amsterdam op 21 maart 1875 en omgekomen te Amersfoort op 3 november 1942. Hij was de zoon van Jacob Haim Rodrigues de Miranda, diamantbewerker en ziekenverpleger, en Henriëtta Kurk. Op 31 mei 1905 trad hij in het huwelijk met Selly Elion, met wie hij drie dochters en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 14 februari 1923 hertrouwde hij op 1 mei 1926 met Wilhelmina Titia Timmerman, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Pseudoniem: Jodocus.

De Miranda was een telg uit een oud Spaans-Portugees geslacht dat moest vluchten vanwege inquisitie en jodenvervolging en zich in het begin van de zeventiende eeuw in Amsterdam vestigde. Hij werd geboren in de Nieuwe Kerkstraat in het hartje van de Amsterdamse jodenbuurt. Hij bezocht de lagere school, maar nog voor hij de laatste klas had doorlopen moest hij op elfjarige leeftijd de school verlaten en als leerling-diamantslijper gaan werken in de fabriek. Al spoedig was hij actief in de vakbeweging van de diamantbewerkers en in 1898 werd hij gekozen tot voorzitter van de Brillantslijpersknechten Vereeniging 'Streven naar Verbetering'. Intussen was hij begonnen met het schrijven van artikelen in het Weekblad, het orgaan van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), waarmee hij bekendheid verwierf bij de leden van deze bond. In 1902 vertrok De Miranda vanwege financiële en privé-problemen naar Parijs, waar hij met een enkele onderbreking tot het najaar van 1904 verbleef. Hier was hij intensief betrokken bij de organisatie van de Franse diamantbewerkers en verdiepte hij door zelfstudie zijn kennis van sociale en economische vraagstukken. Na terugkeer in Nederland kreeg hij steeds meer invloed in de ANDB en in 1916 werd hij gekozen tot lid van het Bondsbestuur. Velen zagen hem toen als opvolger van zijn leermeester Henri Polak, medeoprichter en voorzitter van de ANDB.

Reeds op jeugdige leeftijd toonde De Miranda ook politieke belangstelling. In 1896 trad hij toe tot de SDAP en vier jaar later werd hij gekozen tot voorzitter van de Arbeiderskiesvereniging in het district III, die door de SDAP in Amsterdam was opgericht. In 1902 ging deze kiesvereniging over in de afdeling III van de SDAP. Daar speelde zich in alle hevigheid de interne partijstrijd af die uiteindelijk in 1909 op het congres van Deventer zou leiden tot de scheuring van de partij. De Miranda speelde in Amsterdam als afdelingsvoorzitter een belangrijke rol in dit conflict. Hij behoorde tot de reformistische richting in de partij en zijn debatten met de radicale marxist D.J. Wijnkoop zouden in de historie van de SDAP een blijvende bekendheid genieten. In het jaar 1911 ging een grote wens van De Miranda in vervulling. Hij werd gekozen tot lid van de Amsterdamse gemeenteraad. Tot 1919 maakte hij deel uit van dit bestuursorgaan en in genoemd jaar werd hij benoemd tot wethouder, hetgeen hij - met een tweetal korte onderbrekingen - tot september 1939 is gebleven. In 1922 aanvaardde De Miranda een uitnodiging van het internationaal Verbond van Vakvereenigingen om de organisatie van voedseltransporten voor hongerlijdende kinderen in de Sovjet-Unie op zich te nemen. In de functie van wethouder beheerde hij de portefeuilles van Levensmiddelenvoorziening, Was- Bad- en Zweminrichtingen, Volkshuisvesting en Publieke Werken. Vaak vond hij de voorzitter van de katholieke fractie C.P.M. Romme tegenover zich, die zich verzette tegen de grote invloed van de sociaal-democraten in de gemeenteraad en de partijpolitieke bevlogenheid van vele socialistische raadsleden. Met Wijnkoop, nu als aanvoerder van de communistische oppositie, voerde De Miranda opnieuw felle debatten, in het bijzonder over de volkshuisvestingspolitiek. Kritiek ondervond hij in de gemeenteraad van confessionele en liberale zijde op zijn levensmiddelenbeleid, dat in de jaren twintig de kern van de sociaal-democratische gemeentepolitiek was. In het bijzonder het voorstel van De Miranda tot invoering van een doelmatigere melkdistributie in de hoofdstad bracht de gemoederen in hevige beroering, Op het gebied van de levensmiddelendistributie zal zijn naam verbonden blijven aan de Centrale Markthallen, die mede door zijn initiatief en bestuurskracht tot stand zijn gekomen. Tijdens de bestuursperiode van De Miranda kwamen de grote woningcomplexen in Amsterdam-Zuid en -West tot stand en werd Amsterdam 'het Mekka van de volkshuisvesting' genoemd. Krotopruiming en sanering van de oude wijken (Jonker- en Ridderstraat, Uilenburg en Valkenburg) werden in deze jaren krachtig aangepakt. In de architectuur vierde de Amsterdamse School hoogtij en de hoofdstad kreeg internationale bekendheid op het terrein van de woningbouw. De bouw van een aantal bad- en zweminrichtingen maakte Monne de Miranda populair. Het bekende Amstelparkbad zou later naar hem worden genoemd. Van grote betekenis voor de uitvoering van zijn beleid was de samenwerking in het college van Burgemeester en Wethouders met F.M. Wibaut, die tot 1931 de portefeuille Gemeentefinanciën beheerde. In de jaren dertig heeft De Miranda zich bijzonder ingezet voor een groots opgezette werkgelegenheidspolitiek in Amsterdam. Belangrijke werken in de voorbereiding en totstandkoming waarvan De Miranda een groot aandeel heeft gehad waren het ophogen van de spoorbanen in Amsterdam-Oost en de bouw van twee nieuwe stations aan deze dijken, de aanleg van het Amsterdamse Bos en de voorbereiding van een nieuwe tuimel onder het IJ. In talrijke publikaties in het tijdschrift De Gemeente en het dagblad Het Volk heeft hij zijn gedachten over de sociaal-democratische gemeentepolitiek uitgedragen. In De Socialistische Gids schreef hij over vraagstukken van socialistische levensmiddelenpolitiek.

Op jeugdige leeftijd had De Miranda gebroken met de joodse godsdienst en was hij geheel in de Nederlandse samenleving geïntegreerd, hetgeen door zijn (tweede) huwelijk met een niet-joodse vrouw nog werd versterkt. Bij de opkomst van het nationaal-socialisme in de jaren dertig werd hij vele malen op brutale wijze met zijn joodse afkomst geconfronteerd. In januari 1939 verscheen in het dagblad De Telegraaf een hoofdartikel dat onregelmatigheden bij de uitgifte van bouwgronden suggereerde en beschuldigingen uitte aan het adres van De Miranda. De gemeenteraad besloot tot het instellen van een raadscommissie die de aantijgingen moest onderzoeken. In het rapport van de commissie, onder voorzitterschap van de liberaal W. Boissevain, werd De Miranda vrij gepleit van fraude en corruptie. Wel zou hij beleidsfouten hebben gemaakt bij de gronduitgifte. Ook werd kritiek geleverd op zijn verhouding tot de Dienst Publieke Werken. De meerderheid van de gemeenteraad ging accoord met de conclusies van het rapport. Een motie van de SDAP-fractie, waarin werd geconstateerd dat de betreffende feiten niet voldoende waren om een afkeuring van het beleid te rechtvaardigen, werd verworpen. De Miranda was bij de raadsdebatten niet aanwezig. Hij verbleef in een psychiatrische inrichting, waar hij verpleegd werd naar aanleiding van een zware depressie. Na zijn thuiskomst in Amsterdam zou hij niet meer in de gemeenteraad terugkomen. Hij schreef een verweerschrift onder de titel 'Pro Domo', dat aanvankelijk door de Arbeiderspers zou worden uitgegeven, maar waarvan de publikatie vanwege de Duitse bezetting geen doorgang vond. Op 18 juli 1942 werd De Miranda in zijn woning door agenten van de Sicherheitsdienst gearresteerd en, na een verblijf in de gevangenis aan de Amstelveenseweg, einde oktober 1942 naar het concentratiekamp Amersfoort gevoerd. Hij werd ingedeeld in het Judenkommando, waar hij zware lichamelijke arbeid moest verrichten en in het bijzonder door Nederlandse kampbewaarders, die al vanaf het begin stemming tegen hem hadden gemaakt, onafgebroken werd geslagen en mishandeld. Hij hield het slechts tien dagen uit. 'Todesursache: Herzschwäche', zo vermeldde de kamparts in de overlijdensakte.

Archief: 

Archief S. Rodrigues de Miranda in Gemeentearchief te Amsterdam; Archief De Miranda in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 307).

Publicaties: 

Het Amsterdamsche aardappeloproer (Amsterdam 1917); Vier jaren van strijd. De levensmiddelenactie in en buiten het Parlement (Amsterdam 1918); Amsterdam en zijne bevolking in de negentiende eeuw (Amsterdam 1921); De kip, het ei en het voer. Een pleidooi voor sociale politiek en tegen groepsbelang (Amsterdam 1924); De vrouw, de woning en de waschtobbe (Amsterdam 1924); De gemeente en haar nieuwe taak (Amsterdam 1926); Volkshuisvesting en woningbouwpolitiek in Sovjet-Rusland (Amsterdam 1926); De weg van producent naar consument (Amsterdam 1931); De positie der gemeenten in het huidige staatsbestel (Amsterdam 1933); In de branding van deze tijd. Een pleidooi voor autonomie en goede financien der gemeenten (Amsterdam 1935); 'Wibaut als magistraat' in: De Socialistische Gids, 1936, 369-378; zie verder de bibliografie in: G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993) 486-487.

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 499-501; M. Sluyser, Wat zij deden! (Amsterdam 1939); J. Winkler, 'S.R. de Miranda, E. Boekman' in: Socialisme en Democratie, 1946, april, 109-111; S. Kleerekoper, 'Het Joodse proletariaat in het Amsterdam van de eerste helft van de twintigste eeuw en zijn leiders' in: Studia Rosenthaliana, 1969, 226-228; B. Kroon, 'De ongelofelijke gotspe van De Miranda' in: De Tijd, 12.3.1976; T. Jansen, J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam (1920-1940). Dr E. Boekman en de socialistische gemeentepolitiek (Nijmegen 1983) 51-60; J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); Pro Domo / S. Rodrigues de Miranda (Amsterdam 1997; verklaard en toegelicht door G. Borrie, F. Heddema en G. Mak); J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002).

Portret: 

S.R. de Miranda, IISG

Auteur: 
G.W.B. Borrie
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 147-150
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003