NEDERHORST, Gerard Marinus

Gerard Marinus Nederhorst

sociaal-democratisch politicus en econoom, is geboren te Gouda op 17 oktober 1907 en overleden te Haastrecht op 28 augustus 1979. Hij was de zoon van Hendrik Jan Nederhorst, aannemer, en Maria Geertruida van Vreumingen. Op 23 december 1936 trad hij in het huwelijk met Carolina Pothuis, met wie hij drie zoons kreeg.

Nederhorst groeide op in een welgestelde, politiek vrijzinnige aannemersfamilie. Zijn grootvader was in Gouda wethouder geweest, zijn vader penningmeester van de Vrijzinnige Kiesvereeniging Gouda. In 1926 ging Nederhorst handelswetenschappen studeren aan de universiteit van Amsterdam. Hij werd lid van het Amsterdamsch Studentencorps en was enige jaren penningmeester van de studentensociëteit. Door de economische crisis werd aan het begin van de jaren dertig zijn belangstelling voor het socialisme gewekt. Het in verhouding tot andere universiteiten nogal linkse klimaat in Amsterdam droeg daartoe bij. Nadat hij in 1930 de fractievoorzitter van de SDAP in de Tweede Kamer, ir. J.W. Albarda, had horen spreken, verdiepte Nederhorst zich in P.J. Troelstra's Gedenkschriften. Bij zijn toenadering tot het socialisme speelde ook Henriette Roland Holst een rol. Onder de indruk van een redevoering, die de dichteres in maart 1931 op een bijeenkomst van het Religieus-Socialistisch Verbond (RSV) had gehouden, begon hij een briefwisseling met haar. Het advies van Roland Holst om van het Verbond lid te worden volgde hij niet op, ondanks zijn genegenheid voor het RSV. Liever dan lid te worden van een splintergroep wilde hij zich aansluiten bij een massapartij. Waarschijnlijk nog in 1931 trad Nederhorst toe tot de SDAP. Tezelfdertijd sloot hij zich aan bij de afdeling Amsterdam van de Bond van Sociaal-Democratische Studentenclubs (SDSC). In oktober 1931 werd hij tweede voorzitter van de afdeling Amsterdam en in 1933 voorzitter van deze afdeling. In het tussenliggende jaar maakte hij deel uit van het overkoepelende centraal bestuur van de Bond.

Nederhorst voelde zich aanvankelijk niet zo thuis in de SDAP, vanwege de naar zijn mening defensieve stellingname tegenover de om zich heen grijpende economische crisis. In zijn overtuiging dat een actievere opstelling noodzakelijk was werd hij gesterkt door de ideeën van twee socialistische denkers, de Engelsman H.N. Brailsford en de Belg H. de Man, die op zijn verdere ontwikkeling van invloed waren. Met het gedachtengoed van de eerstgenoemde kwam Nederhorst in aanraking tijdens avondbijeenkomsten van socialistische studenten ten huize van het echtpaar E. en H. Verwey-Jonker. De strategie ter verwezenlijking van het socialisme, die door Brailsford in het in 1927 in Nederland verschenen boek Het socialisme nu werd uiteengezet, sprak hem zeer aan. Over het plansocialisme van De Man werd binnen de Amsterdamse SDSC veel van gedachten gewisseld. Nederhorst zag hierin een passend antwoord op de economische crisis. Toen de SDAP in 1934 besloot dat een plan moest worden opgesteld, werd Nederhorst bij de voorbereidingen daarvan betrokken. Hij nam zitting in de commissie, die tot taak had de algemene richtlijnen voor het Plan van de Arbeid uit te zetten. In oktober 1935 aanvaardde een gemeenschappelijk congres van SDAP en NVV dit Plan. Nederhorst, die in april 1935 zijn doctoraal-examen had afgelegd, werd in 1936 adjunct-directeur van het Wetenschappelijk Bureau van de SDAP, dat onder leiding stond van ir. H. Vos. Samen met Vos woonde hij namens de SDAP de internationale conferenties over het plansocialisme bij, die vanaf 1934 regelmatig werden gehouden. Over planeconomie en andere economische onderwerpen publiceerde hij in De Socialistische Gids en een enkele keer in Kentering en De Sociaal-Democraat. In de jaren dertig was Nederhorst ook actief in de vredesbeweging. Vlak na de oprichting van de Studenten Vredes Actie in 1931 sloot hij zich bij deze organisatie aan. Nederhorst was tevens betrokken bij de oprichting van het socialistische en antimilitaristische blad Fundament. Hij schreef hierin onder meer over de gevaren van bewapening en over de sociaal-economische voorwaarden voor een vreedzame samenleving. Vanaf 1939 maakte hij deel uit van de redactie.

Spoedig na de Duitse inval in mei 1940 kwam aan het feitelijk voortbestaan van de SDAP een einde. Nederhorst verruilde het Wetenschappelijk Bureau voor het aannemersbedrijf van zijn familie. De laatste oorlogsjaren verrichtte hij wetenschappelijk onderzoek voor de stichting Het Bouwwezen. Direct na de bevrijding werd Nederhorst tot secretaris van de Stichting van de Arbeid benoemd. Deze functie bekleedde hij tot eind 1946. Daarna was hij nog een aantal jaren lid van het College van Rijksbemiddelaars. Na de Tweede Wereldoorlog nam de loopbaan van Nederhorst in de vertegenwoordigende lichamen op lokaal, landelijk en Europees niveau een aanvang. Vanaf juli 1946 tot 1962 was hij fractievoorzitter van de PvdA in de Goudse gemeenteraad. Nog namens de SDAP maakte hij deel uit van het Noodparlement. Van de Tweede Kamerfractie van de PvdA was hij - uitgezonderd de tweede helft van 1948 -lid van augustus 1946 tot mei 1971. Nederhorst nam openlijk stelling tegen de politionele acties, die de Nederlandse regering onder medeverantwoordelijkheid van de PvdA in Indonesië uitvoerde (1947-1948). Samen met een aantal andere vooraanstaande partijgenoten ondertekende hij in november 1947 de brochure Linggadjati-Militaire Actie-Wat nu?, waarin het militaire optreden onvoorwaardelijk werd afgekeurd. In de Tweede Kamer trad Nederhorst, die zijn vooroorlogse ideaal van een planmatig geleide economie bleef aanhangen, op als woordvoerder bij economische aangelegenheden. Hij was in de jaren vijftig en zestig voorzitter van de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken. In april 1965 werd Nederhorst tot voorzitter van de Tweede Kamerfractie gekozen als opvolger van dr. A. Vondeling. Uit hoofde van zijn functie nam hij zitting in het partijbestuur. Tegenover kritische geluiden uit de achterban van de PvdA verdedigde hij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (en het Nederlands lidmaatschap daarvan) als waarborg tegen een mogelijk herlevend nationalisme in Europa. In oktober 1965 kwam zijn voorzitterschap in opspraak toen een vertrouwelijke brief, waarin hij onomwonden bedenkingen opperde tegen het voorgenomen huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg, in de openbaarheid kwam. Nederhorst zag liever Beatrix als koningin dan een republiek met aan het hoofd Luns of De Quay. Na de Kamerverkiezingen van februari 1967 droeg Nederhorst zijn functie over aan drs. J.M. den Uyl. Vervolgens werd hij eerste ondervoorzitter van de Tweede Kamer, tot zijn overgang naar de Eerste Kamer in mei 1971. Met zijn terugtreden als senator in juli 1977 kwam aan zijn politieke carrière een einde.

Nederhorst was een warm voorstander van een vergaande Europese economische en politieke samenwerking en van de oprichting van een Europees planbureau. Geruime tijd vertegenwoordigde hij de PvdA op internationale socialistische bijeenkomsten over Europese integratie. Na zijn fractie-voorzitterschap was hij enkele jaren voorzitter van de commissie voor de Europese Economische Gemeenschap van de PvdA. Vanaf het prille begin was hij lid van de Raadgevende Vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (1952-1958) en van het Europees Parlement (1958-1965). Lange tijd fungeerde hij hier als voorzitter van de Commissie voor Economische Zaken. In de jaren zeventig maakte Nederhorst deel uit van delegaties naar de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en de West-Europese Unie en naar de Noord-Atlantische Assemblee.

Naast zijn vertegenwoordigende functies bleef Nederhorst op wetenschappe-lijk terrein actief. Hij had zitting in zowel het Curatorium van het Wetenschappelijk Bureau van het NVV (1947-1962) als dat van de Wiardi Beckman Stichting (WBS, 1946-1962). In de jaren vijftig was hij onder meer voorzitter van de sectie Sport en van de Economische Studiegroep van de WBS. Nederhorst was geen theoreticus. Hij schreef overwegend concrete analyses van economische en Europese problemen, die hoofdzakelijk in Socialisme en Democratie verschenen. Tussen de bedrijven door vond Nederhorst nog tijd voor zijn favoriete bezigheid: de watersport. Hij was een verwoed roeier en zwemmer.

Publicaties: 

Behalve artikelen in bovengenoemde periodieken: Vrede in Europa? Een studie over internationale vredespolitiek (Amsterdam z.j.; met B.W. Schaper); 'Het offensief voor de vrede' in: A.B. Cohen Stuart, De ontwikkeling van de internationale toestand (z.pl. z.j.) 26-40; 'Economische structuurproblemen - Nederland' in: Prae-adviezen voor de Benelux-Studieconferentie (Amsterdam 1948) 35-81; Middenstandsvraagstukken (Amsterdam 1949; samen met E.J. Tobi); 'Het Plan van de Arbeid' in: J. Bank e.a. (red.), Het eerste jaarboek voor het democratisch socialisme (Amsterdam 1979) 109-136; "Het moet, het kan, op voor het Plan" (1935)' in: J. Bank, S. Temming (red.), Van brede visie tot smalle marge. Acht prominente socialisten over de SDAP en de PvdA (Alphen aan den Rijn 1981) 33-55.

Literatuur: 

J. Rogier in: Vrij Nederland, 19.3.1966; de Volkskrant, 29.8.1979; Nieuwe Rotterdamse Courant, 29.8.1979; 'In memoriam drs. Nederhorst' in: Bondgenoot, 7.9.1979, 2; Bank, Temming, Van brede visie tot smalle marge (Alphen aan den Rijn 1981), 31-32; 'Drs. G.M. Nederhorst' in: F. van der Molen, Wie is wie in de 2e kamer (Amsterdam z.j.); J. Perry e.a. (red.) Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994 (Amsterdam 1994); F. Rovers, Voor Recht en Vrijheid. De Partij van de Arbeid en de Koude Oorlog 1946-1958 (Amsterdam 1994); M. Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA (Amsterdam, 1998).

Portret: 

G.M. Nederhorst, IISG

Auteur: 
Gerrit Voerman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 151-155
Laatst gewijzigd: 

03-07-2002