NIEUWENHUIS, Ferdinand

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

bekend als Ferdinand Domela Nieuwenhuis, pionier van het socialisme, stichter van het blad Recht voor Allen, later sociaal-anarchist, is geboren te Amsterdam op 31 december 1846 en overleden te Hilversum op 18 november 1919. Hij was de zoon van Ferdinand Jacobus Domela Nieuwenhuis, luthers predikant en hoogleraar theologie, en Henriette Frances Berry. Op 24 maart 1870 trad hij in het huwelijk met Johanna Lulofs, met wie hij twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 26 maart 1872 hertrouwde hij op 29 oktober 1874 met Johanna Adriana Verhagen, met wie hij twee dochters kreeg. Na haar overlijden op 1 augustus 1877 hertrouwde hij op 21 april 1880 met Johanna Frederika Schingen Hagen, met wie hij een zoon kreeg. Na haar overlijden op 27 februari 1884 hertrouwde hij op 27 mei 1891 met Johanna Egberta Godthelp, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg. Bij Koninklijk Besluit van 10 juli 1859 werd de naam door toevoeging gewijzigd in Domela Nieuwenhuis.
Pseudoniemen: Criticus, Ex-Theoloog, Germanus, Philalethes, Dr. Sagittarius.

Domela groeide op in een liberaal luthers professorengezin. Toen hij tien was verloor hij zijn moeder en hertrouwde zijn vader. In zijn memoires wees Domela later op bepaalde familietrekken: 'geen kruiperig karakter, een kritische zin, een geest van tegenspraak en verzet, een zelfstandig oordeel, een zichzelf-zijn'. Na het gymnasium studeerde hij theologie, in een tijd dat D.F. Strauss een scherpe historisch-filosofische kritiek op het christendom leverde en in Nederland predikanten als C. Busken Huet en A. Pierson publiekelijk afscheid namen van ambt en kerk. Hoewel dit Domela niet onberoerd liet, bleef hij een overtuigd zij het met zichzelf worstelend christen en aanvaardde hij het ambt van luthers predikant, in 1870 in Harlingen, een jaar later in Beverwijk en van 1875 tot 1879 in Den Haag. Spoedig na zijn aankomst in Harlingen richtte hij in september 1870 een afdeling op van de Vredebond, die was gesticht uit protest tegen de in hetzelfde jaar uitgebroken Frans-Duitse oorlog. Voor deze bond schreef hij ook zijn eerste brochure: Een vraagstuk van internationaal belang (z.pl. 1870). In Harlingen gaf Domela bovendien, ondanks zijn toen nog afwijzende houding tegenover het socialisme, blijk van begrip voor de 'sociale kwestie'. Hij steunde de arbeiders die tijdens bijeenkomsten op vreedzame wijze loonsverhoging vroegen, 'juist omdat de vorm zoo goed is en in tegenstelling van de Internationale die eischen stelt en dreigt met staking', zoals hij begin 1871 aan zijn broer Adriaan schreef. In hetzelfde jaar werd Domela beroepen in Beverwijk, waar hij actief bleef in de Vredebond en tevens het streekweekblad Kennemerland redigeerde. Ook daar gaf hij blijk van zijn sociale interesse. In augustus 1874 vroeg hij aan zijn broer Adriaan, die in Duitsland studeerde, om socialistische lectuur. Een paar jaar later ondernam Domela zelf een reis naar Duitsland om de sociale kwestie te bestuderen. In een brief van mei 1877 aan zijn broer maakte hij melding van zijn interesse voor het werk van F. Lassalle, H. Schulze-Delitzsch en W. Liebknecht en voor Das Kapital van K. Marx. Hij meende: 'de verwezenlijking der sociaal-demokratische ideeën is naar mijn mening, ook zelfs waar men eenzijdig is, de weg om het geluk der volkeren te brengen of te verbeteren.' Ruim twee jaar voor zijn definitieve afscheid van de kerk vroeg hij zich in diezelfde brief af of zijn activiteit 'zich op den duur zal kunnen verdragen met een kerkelijke positie, ziedaar de vraag waarop de toekomst alleen een antwoord kan geven'. In 1876 hield Domela zijn eerste spreekbeurt voor het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV), ook ging hij voor het ANWV-orgaan De Werkmansbode schrijven. Tussen juli 1878 en augustus 1879 verschenen daar anoniem zijn 'Sociale brieven'. In deze tijd ging Domela om met ANWV-voorzitter B.H. Heldt en met enige katheder-socialisten, onder wie M.J. de Witt Hamer. In november 1878 zag Domela zich zelf als socialist: 'Wat mij aangaat en mijn verhouding tot de arbeiderszaak, ik ben socialist, al ben ik niet geheel sociaaldemokraat. Het onderscheid tusschen beiden is meer een vraag van tactiek ... Voor mij ligt in het socialisme nog altijd een ideale gedachte, die ik elders tevergeefs zoek ... Het socialisme, de solidariteit van belangen, de gemeenschapsidee die de rechte verhouding tusschen plichten en rechten stelt.' Bij 'socialisme' dacht Domela aan de opvattingen der zogenaamde 'utopische' socialisten en bij 'sociaal-democratie' stond hem de Duitse partij als exemplarisch voor ogen. Van grote betekenis was de band met de Belgische socialistische beweging, die ver voor lag op die in Nederland. Domela had de aandacht van de Belgische socialistenleider César de Paepe getrokken door zijn optreden voor het ANWV en door de uitgave, vanaf 1 maart 1879, van het weekblad Recht voor Allen. Enkele maanden later, in augustus 1879, werd Domela redacteur van het staat- en letterkundig weekblad Oost en West, waarvoor hij eveneens tal van artikelen schreef. De Paepe nodigde Domela uit om in Gent te komen spreken, ook voorzag hij hem van de nodige lectuur, die vooral utopistisch gericht was (E. Cabet, R. Owen, H. de Saint-Simon, Ch. Fourier, P.-J. Proudhon en B. Malon).

Aan Domela's breuk met de kerk gingen jaren van twijfel vooraf. Persoonlijke ervaringen (zelf noemde hij de dood in het kraambed van zijn eerste vrouw) en de invloed van Multatuli op zijn denken speelden daarbij een rol. Domela correspondeerde met Eduard Douwes Dekker tussen 1883 en 1887, ook bezocht hij hem tweemaal in Nieder-Ingelheim. Op 1 september 1879 legde Domela zijn ambt als predikant neer en publiceerde zijn twee afscheidspreken in Mijn afscheid van de kerk (Haarlem 1879). De breuk met de kerk had ingrijpende consequenties voor zijn maatschappelijke bestaan, maar aan de ook financieel moeilijke tijd kwam voor de weduwnaar met vier kinderen een eind toen de zeer welgestelde tweede vrouw van Domela's vader in 1886 overleed. Domela werd na zijn breuk met de kerk actief in de Vrijdenkersvereeniging De Dageraad, waar hij weldra in botsing kwam met de liberaal denkenden, die het socialisme afwezen. In 1884 bedankte Domela met een aantal geestverwanten toen een tegen het socialisme gerichte resolutie werd aangenomen. Een week na zijn formele afscheid van de kerk, op 7 september 1879, sprak Domela in Amsterdam voor de Sociaal Democratische Vereeniging (SDV). Deze was in 1878 opgericht door de arbeiders die rond 1870 ook deel hadden uitgemaakt van de Eerste Internationale: de kleermaker H. Gerhard, de smid W. Ansing, de houtzagersknecht K. Ris en anderen. Domela liet zich door Ansing, die al in 1878 contact met hem had opgenomen, in brieven uitleggen hoe arbeiders leefden en werkten en sloot zich aan bij de SDV. In 1880 hield Domela zelf een enquête naar de levens- en arbeidsomstandigheden van werklieden. Hij bevond zich toen al geheel in de greep van de politieke economie van Marx en misschien nog wel het meest van het empirisch gehalte ervan. In 1880 begon hij aan een samenvatting van Das Kapital: Kapitaal en Arbeid (Den Haag 1881). Marx, die Nederlands las, sprak er in een van zijn brieven aan Domela zijn tevredenheid over uit, maar gaf in kanttekeningen in het presentexemplaar ook blijk van kritiek. Domela's boek De normale arbeidsdag. Historisch-ekonomische studie (Den Haag 1887) was voor een belangrijk deel eveneens een (van veel statistieken voorzien) excerpt uit Das Kapital. Ook in zijn latere geschriften schuwde Domela precieze cijfers en empirische gegevens niet, zoals in Een vergeten hoofdstuk. Blanke slaven (Amsterdam 1898), dat hij onder pseudoniem schreef, quasi als supplement bij het gedenkboek Een halve eeuw dat Het Nieuws van den Dag uitgaf ter gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina.

Toen de plaatselijke sociaal-democratische verenigingen in 1882 de Sociaal-Democratische Partij (SDP) vormden, meestal Sociaal-Democratische Bond (SDB) genoemd, koos deze Domela tot secretaris. Hij bracht Recht voor Allen in, dat overigens al een paar maanden na de oprichting als orgaan van de sociaal-democratie was gaan fungeren. Het duurde niet lang of Domela gold als de leider van de SDB, die in verscheidene opzichten een richting gaf die afweek van de buitenlandse zusterpartijen. Door zijn toedoen stelde de SDB-afdeling Den Haag voor, het uit Duitsland geïmporteerde sociaal-democratische program van Gotha van 1875 uit te breiden met een passage over de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen. W. Drucker oordeelde later in het Gedenkboek ter gelegenheid van den 70sten verjaardag van F. Domela Nieuwenhuis (Amsterdam 1916): 'Feminist (was) Domela Nieuwenhuis niet - toch uit zijn woord en daad (is) het Nederlandse Feminisme geboren'. Met J.St. Mill wees hij prostitutie af, ook was hij voor monogamie in het huwelijk. Hij had een traditionele opvatting over de rol van de man in het gezin. Domela was ook degene die het atheïsme in de oude Nederlandse sociaal-democratie inbracht. Zijn Handboek van den vrijdenker (Rotterdam 1922) getuigt van zijn behoefte aan systematische uiteenzetting van deze problematiek. Tegelijk bleef hij zich van christelijke symbolen, beelden en gelijkenissen bedienen. Voor zijn boek Typen. Karakter-studies (Amsterdam 1903) koos hij als voorbeelden figuren uit de Bijbel. Behalve vrouwenemancipatie en atheïsme was ook de geheelonthouding kenmerkend voor het vroege Nederlandse socialisme. Domela zelf kwam in 1878 via het vegetarisme tot de geheelonthouding en accepteerde vanaf dat moment ook geen drankgebruik meer in zijn omgeving en op bijeenkomsten waar hij sprak. Hij behoorde tot degenen die afschaffing van alcoholhoudende drank voorstonden, niet matiging van het gebruik. Volgens Domela waren levenshervorming en maatschappijhervorming onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Maar niet alleen de beginselen en het program van de sociaal-democratie kregen mede door Domela een specifiek Nederlandse vorm, hij was ook de politieke vormgever van de arbeidersbeweging op nationaal niveau. Parallel aan de strijd voor het socialisme verliep die voor het algemeen kiesrecht. In 1882 werd mede op initiatief van Domela de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht opgericht. De groeiende agitatie van deze beweging, die veel weerklank vond, kwam de SDB zeer ten goede. Op de massale kiesrechtbijeenkomsten traden Domela en andere socialisten op als sprekers. Domela's vooraanstaande rol viel in een tijd dat de socialisten bij het colporteren en spreken geregeld te maken hadden met tegen hen gericht politiegeweld en herhaaldelijk tot forse gevangenisstraffen werden veroordeeld. Domela zelf werd in 1886 tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens majesteitsschennis op grond van een hoofdartikel dat in april 1886 van dat jaar in Recht voor Allen had gestaan. Of hij er zelf de schrijver van was is onduidelijk gebleven, maar het stuk keerde zich tegen de monarchie en Domela droeg hiervoor als hoofdredacteur de verantwoording. Vanaf 19 januari 1887 zat hij zijn straf uit in Utrecht, waar hij als een gewoon misdadiger behandeld werd. In talloze brieven staken partijgenoten hem een hart onder de riem. Ook buitenlandse socialistische leiders deden dit, onder wie De Paepe, F. Engels, E. Anseele, W. Liebknecht, E. Bernstein, K. Kautsky, W. Morris en E. Reclus. In Nederland kwam onder de sociaal bewogenen uit de burgerij - zowel atheïstische liberalen als predikanten - een gratiebeweging op gang, die in een door B.H. Pekelharing, H.C. Muller, P.C.F. Frowein, V.J. Bruinsma en J.A. Nieuwenhuis getekend adres de koning verzocht onderscheid te maken tussen politieke en niet-politieke gevangenen. L.W.C. Keuchenius, de latere minister, noemde in de Tweede Kamer Domela iemand die 'zich van een hoog zedelijkheidsbeginsel bewust is en te goeder trouw de door hem verkondigde dwalingen voorstaat'. Ook H. Goeman Borgesius, S. van Houten, N.G. Pierson en De Witt Hamer, Domela's verdediger bij de rechtszaak, namen het voor hem op, zonder zijn politieke opvattingen te delen. Domela zat zeven maanden van zijn straf uit. Na zijn vrijlating op 31 augustus 1887 maakte hij een triomfale tournee door het land. In Rotterdam leidde zijn optreden echter tot rellen.

Sinds 1881 had Domela ook in Noord-Nederland propagandatochten gemaakt. Het duurde een aantal jaren voordat het socialisme ook daar aansloeg, maar bij de Kamerverkiezingen van 1888 behaalde Domela in de eerste ronde in Schoterland 769 stemmen tegen B.H. Heldt 1062. In Amsterdam en Groningen eindigde hij in de eerste ronde op de derde plaats met respectievelijk 1064 en 726 stemmen. Alleen in Schoterland kwam hij in herstemming en won. In de Tweede Kamer opereerde Domela als enige sociaal-democraat noodgedwongen als eenling. Bij zijn intrede gaf alleen Keuchenius hem een hand. Van zijn parlementaire werk deed Domela in Recht voor Allen gedetailleerd verslag. Tijdens zijn Kamerlidmaatschap kwam hij op voor de kleinste eisen, waarbij hij zich zorgvuldig documenteerde. Domela bond de strijd aan tegen de gedwongen winkelnering en deed van zich spreken bij de behandeling van de wetsontwerpen over inperking van de arbeidstijden voor vrouwen en kinderen. Het hoogtij van zijn politieke loopbaan en de periode van zijn grootste invloed lagen tussen 1880 en 1893. Zijn optreden schiep in deze tijd een band tussen de acties van stedelijke ambachtslieden - deels al georganiseerd in vakverenigingen - en de meer spontane acties van de land- en veenarbeiders in het noorden van het land. Juist de ongeschoolden kwamen in de jaren 1889-1890 in beweging. Er waren stakingen in de glas- en aardewerkindustrie in Maastricht, in de textielindustrie van Twente, in de havens van Amsterdam en Rotterdam en in de landbouw en de venen van het Noorden. Domela sprak in 1890 op een massale staking van veenarbeiders in Beets. In die tijd beleefde de SDB het hoogtepunt van zijn bestaan. De partij beschikte, naast de charismatische Domela, over een aantal bekwame en spreekvaardige voormannen. Recht voor Allen verscheen in de jaren 1889-1891 als dagblad en de brochures van Domela hadden een grote verspreiding met oplagen tot 100.000. Ook binnen de Europese sociaal-democratie werd Domela een bekend figuur. Hij publiceerde in Duitse en Franse tijdschriften en bezocht de congressen van de Tweede Internationale in Parijs (1889), Brussel (1891), Zürich (1893) en Londen (1896), waar hij regelmatig pleitte voor een algemene werkstaking bij het uitbreken van een oorlog, ook verzette hij zich tegen het uitsluiten van anarchisten. Naast deze internationale activiteiten trad hij niet alleen tot in alle uithoeken van het land op als spreker, hij schreef vertaalde en bewerkte ook zeer veel. Zijn bibliografie omvat ruim 4.500 titels.

De radicalisering van de SDB in het begin van de jaren negentig als gevolg van de geringe praktische resultaten na tien jaar politieke acties versterkte de invloed van het anarchisme. Aanvankelijk wees Domela dit politiek anarchisme af, al stond hij open voor bepaalde filosofisch-maatschappelijke gedachten ervan. Al vroeg ging zijn sympathie uit naar P. Kropotkin, de Russische sociaal-anarchist van wie hij al in 1886 een brochure vertaalde en later nog verscheidene boeken. Toen Domela nog Kamerlid was kon hij moeilijk instemmen met het Nederlandse anarchisme, dat in 1887 aan invloed begon te winnen. De uitgave van Anarchist. Orgaan van goddeloozen, haveloozen en regeeringsloozen had Domela eind 1887 proberen te voorkomen door in Recht voor Allen royaal plaats in te ruimen voor artikelen van anarchisten. Het blad verscheen toch, en toen het in 1890 in moeilijkheden kwam verleende hij financiële steun. Maar hoewel Domela een zo groot mogelijke theoretische verscheidenheid voorstond, volgens eigen zeggen niet van ja-knikkers hield en voortdurend tot zelfstandig nadenken aanspoorde, kon hij niet verdragen dat er aan zijn leiderschap werd getornd. Wanneer dat voorkwam en met politieke meningsverschillen gepaard ging bleek hij persoonlijke verdachtmakingen niet te schuwen en goed te kunnen stoken en intrigeren.

De organisatorische ontwikkeling van een deel van de oude beweging van sociaal-democratie naar anarchisme onderging Domela meer dan dat hij daarbij voorop liep. Dit bleef ook het geval toen hij er al een uitgesproken anarchistische overtuiging op nahield. Maar toen zich in de SDB een tegenstelling begon af te tekenen tussen de voor- en tegenstanders van het volgen van de parlementaire weg was Domela intussen tot de antiparlementairen gaan behoren. In 1891 stemde hij nog, zij het zonder geestdrift, toe in een kandidatuur voor de Tweede Kamer, maar hij werd niet herkozen. Domela was echter niet uit op een partijscheuring. Tegenover de antiparlementaire motie Hoogezand-Sappemeer, die het kerstcongres van de SDB in 1893 met een krappe meerderheid aanvaardde, stond Domela aarzelend. De inhoud had zijn instemming, maar hij vond dat parlementairen én antiparlementairen lid moesten kunnen blijven van de SDB. In 1894 echter werd met de oprichting van de SDAP de scheuring tussen parlementairen en revolutionairen organisatorisch een feit. Tevergeefs had Domela geprobeerd arbeiderspropagandisten als W.H. Vliegen, J.H.A. Schaper, W.P.G. Helsdingen ervan te weerhouden de 'herenpartij' te helpen oprichten. Het verschil in opvatting tussen SDAP en de tot Socialistenbond omgedoopte SDB was in het begin nog niet onoverbrugbaar: de SDAP hield een gewelddadige omwenteling voor onvermijdelijk als eenmaal de socialistische arbeiders de parlementaire meerderheid veroverd hadden en de revolutionairen waren niet zonder meer tegen arbeidswetten en andere hervormingen. Domela bleef nog tot 1898 lid van de Socialistenbond maar koos toen definitief voor het anarchisme. In het nummer van 26-27 maart 1898 van Recht voor Allen verscheen 'Een woord tot afscheid'. Op 2 april verscheen het eerste nummer van zijn nieuwe blad De Vrije Socialist. Wat van de Socialistenbond restte ging in 1900 op in de SDAP. Domela verantwoordde zijn bekering tot het anarchisme uitvoerig in zijn in het Frans (met een voorwoord van Reclus) geschreven Le socialisme en danger (Parijs 1897). Het belangrijkste deel hieruit verscheen ook in een Nederlandse vertaling: Autoritair en libertair socialisme (Amsterdam 1897). Wanneer het socialisme zich via deelname aan het parlement verbond met de staat, aldus Domela, dan zou het, net als het christendom toen dat staatsgodsdienst werd, verworden. Hij leidde dit af uit zijn historische analyse van de Duitse sociaaldemocratie. Domela drukte zijn stempel op het vrije socialisme in Nederland door als uiterste consequentie van het anarchisme elke vorm van organisatie, bestuur en meerderheidsbesluiten af te wijzen. Er moesten alleen plaatselijke 'vrije groepen' functioneren. Dit veroorzaakte een permanente spanning tussen theoretici als Domela en de losse groepen. Veel leden van deze groepen waren echter lid van organisaties voor belangenbehartiging (Nationaal Arbeids-Secretariaat), voor antimilitarisme (Internationale Anti-Militaristische Vereeniging), voor atheïsme (De Dageraad) en voor geheelonthouding (Algemeene Nederlandsche Geheelonthoudersbond). Dit leverde voldoende samenhang en duurzaamheid op en zorgde ervoor dat de invloed van Domela nog lang groot bleef.

Buiten de anarchistische beweging, in de praktische politiek, liet Domela na 1900 weinig meer van zich horen, al plaatsten de spoorwegstakingen van 1903 hem nog één keer op de voorgrond, en wel als spreker tijdens de slotvergadering na de nederlaag. Domela verhuisde in 1903 van Amsterdam naar het Gooi en wijdde zich aan publicistisch werk. Er kwamen grote, vooral historische boeken uit zijn handen. Zij getuigden van Domela's open geest, die ruimte liet voor andere opvattingen dan de zijne. In zijn op veel punten originele en waardevolle driedelige Geschiedenis van het socialisme (Amsterdam 1901-1902) deed hij recht aan de vele varianten van socialisme, anarchisme en communisme. Zowel in het derde deel van De geschiedenis van het socialisme als in Van Christen tot Anarchist. Gedenkschriften (Amsterdam 1910) stelde hij dat de arbeidersklasse eerst een hoger loon en sociale zekerheid moest veroveren voordat ze geestelijke vrijheid kon eisen. Onder Domela's publikaties, vooral na de eeuwwisseling, neemt het biografische genre een bijzondere plaats in. Zijn leven lang was hij geestdriftig over geestverwante voorgangers en tijdgenoten en liet zich door hen inspireren. In zijn idealiserende biografieën stelt hij hen ten voorbeeld aan anderen. Kinderen vernoemde hij naar Karl Marx, naar de militante atheïstische socialiste en latere theosofe Annie Besant en naar Louise Michel, bekend door haar aandeel in de Parijse Commune. Talrijke portretten sierden de muren van zijn werkkamer. Naast het bekende Christusbeeld van B. Thorvaldsen en de bustes van Dante en J.W. von Goethe hingen hier de portretten van B. de Spinoza, L. Feuerbach, G. Babeuf, A. Blanqui, L. Tolstoj, E. Zola, Michel en Kropotkin. Behalve over deze laatste twee schreef Domela biografieën van Maarten Luther, Michel Servet, Jean Marat, Robert Owen en Michael Bakoenin, verder een groot aantal kleine levensschetsen, vaak in de vorm van een inleiding bij een bloemlezing uit het werk van de betrokkenen. Wat zijn eigen leven betrof liet Domela het niet aan biografen over hier een beeld van te geven. In 1910 publiceerde hij zijn memoires Van Christen tot Anarchist, waarin hij echter wat te veel op zijn geheugen afging.

Toen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog het Europese anarchisme spleet, trad Domela weer even op de politieke voorgrond. De door Domela bewonderde Kropotkin stelde met andere vooraanstaande anarchisten als J. Grave en Chr. Comelissen een manifest op waarin werd opgeroepen met alle kracht de oorlog tegen Duitsland te steunen. Domela ondernam tegenactie en tekende met E. Malatesta, A. Shapiro, E. Goldmann en A. Berkman een manifest International anarchist manifesto on the war (februari 1915), dat zich onvoorwaardelijk tegen de in hun ogen kapitalistische oorlog uitsprak. In Nederland onderschreef hij met vele geestverwanten het Dienstweigeringsmanifest (kerstmis 1915). Domela was en bleef antimilitarist, maar wees beslist niet alle geweld af. De Russische revolutie begroette hij geestdriftig, maar al snel zag hij - na Lenin nog even voor een anarchist gehouden te hebben - niets meer in het bolsjewisme. In november 1918 woonde hij nog moeizaam een massavergadering ter herdenking van de Russische Revolutie in de Amsterdamse Diamantbeurs bij, waar het publiek hem spontaan een ovatie bracht. De laatste jaren van zijn leven waren voor Domela geestelijk, fysiek en financieel moeilijk. Mede door het geld dat de beweging hem gekost had was hij straatarm geworden. Een speciaal fonds hielp hem op kiese wijze aan enige inkomsten. Het belang en de invloed van Domela werd duidelijk bij zijn uitvaart in november 1919, toen tienduizenden uit het hele land naar Amsterdam trokken om hem de laatste eer te bewijzen. Het communistische blad De Tribune zette boven zijn necrologie: 'Den Makker die de massa's uit doodsche slaafschheid wekte'.

Archief: 

Archief F. Domela Nieuwenhuis in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 261-263); collectie F. Domela Nieuwenhuis in Rossijskij Centr Chranenija i Izucenija Dokumentov Novejšej Istorii (Moskou).

Publicaties: 

Bibliografie in G. Nabrink, Bibliografie van, over en in verband met Ferdinand Domela Nieuwenhuis (Leiden 1985) en G. Nabrink, C. van Sijl, Bibliografie van, over en in verband met Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Deel 3 en 4 (Amsterdam 1992).

Literatuur: 

Zie onder publikaties. Bovendien: M. van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden (Trier 1992); J. Meyers, Domela. Een hemel op aarde. Leven en streven van Ferdinand Domela Nieuwenhuis (Amsterdam 1993); E. Huisman, De turfroute. De vader van de turfschuur (Leeuwarden 1994); J. Keessen, Domelapad. Haren-Steenwijk v.v. (Amsterdam 1994); J. Liemburg, In tik fan Domela (Bolsward 1995); H. Pars & R. Wuite, 'Verlos' te Den Haag. Ferdinand Domela Nieuwenhuis anderhalve eeuw na zijn geboortejaar herdacht (Den Haag 1996); R. de Jong e.a., Domela als internationale figuur (Moerkapelle 1997); B. Altena, 'En al beschouwen alle broeders mij als den verloren broeder'. De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis, 1846-1932 (Amsterdam 1997); S. Dudink, Deugdzaam liberalisme. Sociaal-liberalisme in Nederland 1870-1901 (Amsterdam 1997); F. Boterman, P. de Rooy, Op de grens van twee culturen (z.pl. 1999); A. Vondeling, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en zijn betekenis voor de veenarbeiders (Gorredijk 1999); T. Agema, 'Als we maar weten dat U op Friesche bodem is ...'. F. Domela Nieuwenhuis en diens charisma (1879-1892) (Rotterdam 2001); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001); P. Hagen, Journalisten in Nederland 1850-2000 (Amsterdam 2002) 197-203; H. te Velde, Stijlen van leiderschap (Amsterdam 2002).

Portret: 

F.D. Nieuwenhuis (ca. 1890), IISG

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 157-163
Laatst gewijzigd: 

19-01-2007