NIEUWENHUIS, Johannes Adam

Johannes Adam (Joan) Nieuwenhuis

(roepnaam: Joan), voorman van de kiesrechtbeweging in de jaren tachtig van de negentiende eeuw, is geboren te Amsterdam op 1 oktober 1856 en overleden te Haarlem op 13 december 1939. Hij was de zoon van Franciscus Nieuwenhuis, winkelier en ambtenaar bij de spoorwegen, en Hendrika Anna Scholten. Op 2 september 1880 trad hij in het huwelijk met Paulina Henriette Scheerbekken, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg. Pseudoniemen: J[os]. Adam, Een Amsterdammer, Avé, Diephuis, Eva, Adam Joon, Maria Elisabeth, Jan Regt, Scriba, Kees Waller.

Nieuwenhuis, geboren in een groot gezin waarvan de vader vroeg overleed, bezocht de ambachtsschool en werd tekenaar bij de spoorwegen. Hoewel van huis uit rooms-katholiek, kwam hij als twintigjarige reeds in aanraking met Dageraadskringen. Ook bezocht hij politieke bijeenkomsten van werklieden, waar hij figuren als H. Gerhard, J.A. Fortuyn en anderen ontmoette. Weldra werd hij ook medewerker van het orgaan De Werkmansbode van B.H. Heldt en vervolgens van Recht voor Allen als Amsterdams verslaggever onder de naam Jan Regt (1879).

In 1880 richtte hij mede de vereniging De Unie op, die bedoeld was 'tot opwekking van staatkundig leven en bevordering van maatschappelijke belangen' en die in het Amsterdam van de jaren tachtig een belangrijke functie had in het wekken van politieke belangstelling in ruime kring. Uit deze periode dateren zijn relaties met radicale figuren als de journalist J. de Koo en de latere politicus C.V. Gerritsen. In 1882 verliet Nieuwenhuis echter de hoofdstad, omdat hij te Groningen ging werken, waar hij benoemd werd tot hoofdopzichter van gemeentewerken en hoofdbrandmeester. Hier gaf hij in 1883 als redacteur het Orgaan van het Noord-Nederlandsch Verbond ter bevordering van Algemeen Stemrecht uit, dat in 1885/1886 verscheen als orgaan van de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. In oktober 1886 kwam vervolgens de uitgave van zijn Groninger Weekblad, 'radicale courant voor geheel Nederland' geheten, die over een flink team van medewerkers van radicale en socialistische kleur beschikte. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1888 was redacteur Nieuwenhuis in Groningen-stad met Domela Nieuwenhuis een van de kandidaten van Algemeen Kiesrecht. Hij behaalde zelfs bijna duizend stemmen, al werd hij niet gekozen.

In het najaar van 1888 vertrok hij weer naar Amsterdam, waar hij de redactie van zijn blad voortzette, nu onder de naam Radicaal Weekblad, 'Orgaan van de Volkspartij in Nederland'. Ook gaf hij op het eind van dit jaar met ondere anderen Wilhelmina Drucker korte tijd een weekblad 'tot onderwijs en ontspanning van vrouwen en meisjes' De Vrouw uit. Van de zijde van Recht voor Allen en de Sociaal-Democratische Bond (SDB) ondervond hij in de hoofdstad echter felle bestrijding, meer dan te Groningen reeds het geval was geweest. Anderzijds werd hij ook gedeballoteerd uit de radicale Kiesvereeniging Amsterdam vanwege zijn socialistische gezindheid. Aldus leed de zachtzinnig geaarde Nieuwenhuis als voorstander van een op samenwerking van alle hervormingsgezinden gerichte Volkspartijkoers te Amsterdam volkomen schipbreuk, hoewel zijn streven in Groningen en vooral in Friesland enig succes had gehad. Een engere geestverwant van hem in de hoofdstad was de hoofdonderwijzer A.H. Gerhard. Materieel geraakte Nieuwenhuis in grote moeilijkheden, maar in 1891 werd hij aangesteld bij publieke werken van de gemeente en vervolgens als sectie- en hoofdbrandmeester. Hieraan was uitdrukkelijk de voorwaarde verbonden politieke activiteiten te staken.

Tot zijn pensionering in 1913 is hij in dienst van de brandweer gebleven, maar ook nadien heeft hij, hoewel lid van de SDAP, geen deel meer gehad aan het actieve politieke leven. Als architect heeft hij te Groningen het gebouw van de coöperatie De Toekomst (met de oprichting waarvan hij ook verder bemoeienis heeft gehad) en te Amsterdam het gebouw Constantia tot stand gebracht, evenals het Nederlandse paviljoensgebouw voor de Parijse wereldtentoonstelling. Uit zijn Groningse tijd dateert ook de oprichting van het neutrale Nieuwsblad van het Noorden (juni 1888), dat spoedig door R. Hazewinkel werd overgenomen. Als schrijver heeft hij behalve een ten dele gepubliceerde roman, een ongedrukt toneelstuk en een jongensboek, schetsen en verhalen uit zijn brandweerpraktijk te boek gesteld: Brand! Mijn strijd tegen het vuur (Amsterdam 1915).

Zijn herinneringen aan de socialistische beweging zijn neergelegd in zijn boeken Uit den tijd der voortrekkers (Amsterdam 1927) en Een halve eeuw onder socialisten. Bijdrage tot de geschiedenis van het socialisme in Nederland (Zeist 1933). Beide boeken zijn als bron van waarde voor de vroegste periode van de socialistische arbeidersbeweging in ons land (tot circa 1891), met name in het Noorden.

Archief: 

Collectie J.A. Nieuwenhuis in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 211).

Literatuur: 

Vliegen, Dageraad I, 372-373; P.J. Meertens, 'Nieuwenhuis (Joan Adam)' in: Mededelingenblad, nr. 4, april 1954, 6-8; G. Bruintjes, Socialisme in Groningen 1881-1894 (Amsterdam 1981); G. Harmsen, 'De vroegste geschiedschrijving van de Nederlandse arbeidersbeweging (1875-1905)' in: M. Campfens e.a. (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 25-27; D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

J.A. Nieuwenhuis, circa 1885, IISG

Auteur: 
P.J. Meertens, Albert F. Mellink
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 100-102
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003