NIVARD, Franciscus Lambertus Deodatus

Franciscus Lambertus Deodatus Nivard

(in het bevolkingsregister van Rotterdam François Lambert Dieu Donné; roepnaam: Frans), secretaris en penningmeester van de Nederlandse R.K. Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel 'St. Raphaël', is geboren te Hoorn op 1 mei 1879 en overleden te Rotterdam op 12 februari 1945. Hij was de zoon van Arnold Joseph Nivard, strohoedenmaker en winkelier, en Johanna Maria Diederen, Op 21 november 1918 trad hij in het huwelijk met Jacoba Barbara van 't Wel, met wie hij een dochter en vier zoons kreeg.

Nivard was de zoon van een Belgische vader en een Nederlandse moeder. Toen Frans twee was verhuisde het gezin vanuit Hoorn naar Arnhem, later naar Luik. Nivard volgde de Hoogere Burger School in Visé, een voorstad van Luik. Na zijn eindexamen werd hij in 1896 benoemd tot surnumerair van de Nederlandse Spoorwegen. In 1902 werd hij als commies geplaatst bij het handelsagentschap van de Staatsspoorwegen in Rotterdam. Nivard meldde zich aan als lid van een neutrale klerkenvakvereniging, waarvan hij voorzitter werd. Toen de Nederlandse bisschoppen de katholieke werklieden voorhielden dat zij niet thuishoorden in neutrale of socialistische vakorganisaties sloot Nivard zich aan bij het ten tijde van de Spoorwegstakingen van 1903 opgerichte landelijk R.K. vaksecretariaat voor spoor- en tramwegpersoneel St. Raphaël. Op 28 februari 1909 werd Nivard benoemd tot secretaris van dit vaksecretariaat, dat in 1911 in naam maar pas zes jaar later de facto werd omgezet in een landelijke vakbond. Omdat Nivard geen baan als bezoldigd vakbondsbestuurder ambieerde werd hij per 1 januari 1914 als bondssecretaris opgevolgd door J.A. Schutte, zelf werd hij penningmeester. Pas in 1920 nam hij ontslag bij het Staatsspoor en trad hij in dienst van St. Raphaël. Tot de opheffing van St. Raphaël in 1941 bewaakte Nivard nauwgezet de bondskas, ook had hij een belangrijk aandeel in de vakactie voor de verbetering van de rechtspositie van het spoorwegpersoneel. Hij maakte onder meer deel uit van de staatscommissie-Muysken, die in 1917 werd ingesteld om een uniforme loonregeling te ontwerpen voor de werknemers van de vier spoorwegmaatschappijen. In 1920 was Nivard betrokken bij de oprichting van de Christelijke Internationale van Spoor- en Tramwegpersoneel, waarvan hij voorzitter werd. St. Raphaël onderhield al vroeg een voor een katholieke vakorganisatie opmerkelijke verstandhouding met de socialistische Nederlandse Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel (NV). Zo was Henk Sneevliet als voorzitter en bondsredacteur van de NV aanwezig op de jaarvergadering van St. Raphaël in 1907 in Roermond. Tot samenwerking in de vakbondsstrijd tegen de spoorwegdirectie kwam het toen nog niet, zoals zijn oudere broer en redacteur van het bondsblad Het Rechte Spoor, J.J.Ph. (Jan) Nivard, schreef in zijn gedenkboek bij het vijfentwintigjarig bestaan van St. Raphaël in 1928. Voor een gezamenlijk congres over de herziening van het Reglement Dienst Voorwaarden van het spoorwegpersoneel was het toen nog te vroeg. St. Raphaël wilde slechts samenwerken met de protestants-christelijke bond, 'een standpunt, dat, gezien de mentaliteit van de meeste der toenmalige leden begrijpelijk is, maar thans niet meer wordt ingenomen, dankzij de op hooger plan gebrachte denkbeelden', aldus Jan Nivard. In augustus 1909 bereikte de verstandhouding een dieptepunt toen de NV het 'Manifest van 53' uitbracht, waarin drieënvijftig katholieke leden van de NV de lof zongen van de moderne vakorganisatie. Toen er in 1912 samengewerkt werd met de NV in een gezamenlijke loonactie, waarin Nivard en Schutte optraden namens St. Raphaël, ontstond hiertegen binnen de katholieke bond verzet. Tijdens de quasi-revolutionaire verwikkelingen in het najaar van 1918 verspreidde St. Raphaël tot woede van de NV 40 duizend exemplaren van een contrarevolutionair nummer van Het Rechte Spoor, dat gericht was tegen de moderne vakorganisatie. De NV verbrak de samenwerking. Het bestuur van St. Raphaël steunde het katholiek verweer tegen Troelstra's vergissing maar had weinig vertrouwen in de loyaliteit van zijn leden. Toen begin 1919 hardnekkige geruchten de ronde deden over een op handen zijnde spoorwegstaking met politieke implicaties vanwege A. Kuijpers 'worgwetten', liet de binnenlandse inlichtingendienst de katholieke minister van Arbeid P.J.M. Aalberse weten dat St. Raphaël in het geval van een staking aan de kant van de regering zou staan, maar dat het bestuur verwachtte dat tachtig procent van de leden het stakingsparool zou opvolgen. De bezuinigingspolitiek van Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck en H. Colijn in de eerste helft van de jaren twintig, die zich vooral richtte op de ambtenarensalarissen en de werkloosheidsuitkeringen, bracht de katholieke en moderne bonden van spoor- en tramwegpersoneel tot elkaar in gezamenlijk verzet. De katholieke oppositie tegen de christelijke coalitie en de verrechtsing van de R.K. Staatspartij-in-wording kwam vooral uit de hoek van het katholiek georganiseerd overheids- en spoorwegpersoneel. Ook Nivard sympathiseerde met de progressieve vleugel. Hij was een van de kopstukken uit de katholieke arbeidersbeweging die aanwezig waren op de vergadering van verontruste katholieke democraten in het Utrechtse hotel Terminus op 23 april 1922, waar de grondslag werd gelegd voor de Michaëlbeweging, die de katholieke eenheidspartij in progressieve richting moest sturen. De katholieke politieke eenheid stond voor hem niet ter discussie. Volgens het blad van de dissidente R.K. Volkspartij, Onze Vaan, wees hij tijdens de verkiezingsstrijd van 1929 met andere leiders van de katholieke arbeidersbeweging steeds weer op het axioma van de 'heilige eenheid'. Nivard nam in september 1919 namens de katholieke kiesvereniging zitting in de Rotterdamse gemeenteraad om vier maanden later al te worden benoemd tot wethouder van Maatschappelijk Hulpbetoon. Met een korte tussenpoos bleef Nivard wethouder tot 1943. Van 1919 tot 1932 had hij ook zitting in het college van Provinciale Staten van Zuid-Holland en in 1930 werd hij gekozen als lid van de Eerste Kamer. Zijn naam figureerde enkele malen op de katholieke kandidatenlijst voor de Tweede Kamer en hij was lid van de partijraad van de R.K. Staatspartij.

Nivard deed zijn werk bij voorkeur in stilte, 'geheel in overeenstemming met zijn karakter, dat eerder geneigd schijnt tot teruggetrokkenheid dan tot expansiviteit zowel in het publiek als in het persoonlijk verkeer', zoals hij werd getypeerd in Bekende Rotterdammers. Hij was geen hemelbestormer, eerder bezadigd en gematigd in zijn optreden, dat gericht was op het behartigen van de arbeidersbelangen. Volgens Chr.A. de Ruyter-de Zeeuw stond Nivard 'in de gemeentepolitiek (soms) niet zo erg af van de sociaal-demokraten'. Naast zijn vakbonds- en politieke werk bekleedde Nivard tal van sociale, maatschappelijke en kerkelijke functies. Hij was onder meer bestuurslid van de R.K. Volksuniversiteit en van de R.K. Bond van Groote Gezinnen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij als gijzelaar geïnterneerd in St. Michielsgestel. Twee van zijn zoons werden weggevoerd naar Duitsland. Hij hield hoop om na de oorlog een bijdrage te leveren aan de wederopbouw van St. Raphaël maar stierf tijdens de hongerwinter. Na de bevrijding prees de Volkskrant zijn 'onschatbare diensten' en noemde hem een 'streng, doch meevoelend', 'edel' en 'nobel' mens, die geen onrecht kon verdragen.

Literatuur: 

J.J.P. Nivard, St. Raphaël 1903-1928. 25 Jaren arbeid. Geschiedkundig overzicht van den Nederlandschen Roomsch Katholieken Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel Sint Raphaël ter gelegenheid van diens zilveren jubileum (Utrecht 1928); J.J.P. Nivard, St. Raphaël bij zijn vijf en veertigjarig bestaan. Geschiedkundig overzicht van de Nederlandse Rooms-Katholieke Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel C.A. St. Raphaël gedurende de jaren 1928-1948 (Utrecht 1948); Chr.A. de Ruyter-de Zeeuw, De eerste rode wethouders van Rotterdam (Rotterdam 1987); Bekende Rotterdammers (Rotterdam z.j.).

Portret: 

F.L.D. Nivard, uit: Bekende Rotterdammers, 1927, april

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 163-166
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995