ORTT, jonkheer Felix Louis

Felix Louis Ortt

humanitair en christen-anarchist, is geboren te Groningen op 9 juni 1866 en overleden te Soest op 15 oktober 1959. Hij was de zoon van jonkheer Jacob Reinoud Theodoor Ortt, hoofdinspecteur van de waterstaat, en Leontine Louise Josephine de Raikem. Op 1 augustus 1892 trad hij te Montreux (Zwitserland) in het huwelijk met Anna Petronella Gelderman, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 22 februari 1905. Hierna ging hij in mei 1905 een vrij huwelijk aan met Tine Hinlopen, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. Op 5 oktober 1932 trad hij in het huwelijk met Maria Theresia Zeijlemaker.
Pseudoniem: Felix.

Ortt was afkomstig uit een streng orthodox-protestants gezin en kreeg thuis bijbelonderricht van de huisonderwijzer van de zoon van Isaac da Costa T.M. Looman, die een sterke invloed op de jonge Ortt uitoefende. Hij groeide op in Haarlem en bezocht daar de lagere school en de Hoogere Burger School. Hij was een jongere broer van Henriëtte Ortt, de grote jeugdliefde van Frederik van Eeden. In 1883 ging Ortt studeren in Delft. Zijn studie was geen roeping, maar traditie, zijn vader was in dienst bij Rijkswaterstaat. Ortts belangstelling ging uit naar de natuur. Na het behalen van de titel civiel ingenieur in 1887 werkte hij vanaf 1888 als ingenieur bij Rijkswaterstaat. In 1890 liep hij bij de aanleg van het Merwedekanaal malaria op. Op zoek naar genezing bracht een natuurgeneeskundig boek hem er toe vegetariër en geheelonthouder te worden. Ortt was in 1894 een van de oprichters van de Nederlandsche Vegetariërs Bond. Tot dat jaar was hij arrondissementsingenieur in Den Briel. Daarna werd hij overgeplaatst naar de Algemeene Dienst van Rijkswaterstaat, waar hij belast was met de berekening van getijtafels. Ortt ontwikkelde een methode die tot in de jaren dertig werd gehanteerd. Rond deze tijd maakte hij via de predikant S.F.W. Roorda van Eysinga kennis met het spiritisme en de theosofie. Vooral het spiritisme had zijn wetenschappelijke belangstelling. Hij was actief als kerkvoogd en binnen de Christelijke Vereeniging voor Jonge Mannen in Den Haag. Hij sprak over geheelonthouding en publiceerde in 1896 als eerste in een lange rij geschriften Het vegetarisme als bondgenoot (Amsterdam). In 1897 behoorde hij met D. de Clercq tot de redactiecommissie van de Vegetarische Bode. In 1896 bezocht hij het eerste nationale geheelonthouderscongres in Utrecht. Zijn oudste broer Joan was voorzitter. Op dit congres leerde hij de ideeën van Leo Tolstoj kennen. Ortt beschouwde hem als de grote hervormer van de praktijk van het christendom. Het had Ortt al lang gehinderd dat er grote armoede was naast grote rijkdom. Hij vroeg zich af wat hij daar aan kon doen. Zijn oplossing was: ieder voor zich moet afstand doen van weelde en zo sober mogelijk leven. Ortt deed afstand van zijn adellijke titel en zijn erfenis. Hij bestudeerde socialistische en anarchistische geschriften en ontwikkelde zich tot christen-anarchist. In 1897 gaf hij met enkele geestverwanten, onder wie J.K. van der Veer, dominee L. Bähler en De Clercq, het blad Vrede uit. Zijn anarchistische opvattingen brachten hem in conflict met Rijkswaterstaat. Ortt wilde niet langer in overheidsdienst zijn en nam in 1899 ontslag. Tevens liet hij zich uitschrijven als lid van de hervormde kerk. Hij nam het redacteurschap van Vrede over van Bähler. Als particulier secretaris (1899-1915) van mevrouw C. van der Hucht, de humanitaire voorvechtster van de dierenbescherming, kinderbescherming en goed lager onderwijs, wijdde Ortt zich aan de humanitaire en christen-anarchistische idealen. Hij was hoofdzakelijk publicitair actief en probeerde de uiterst nevelachtige denkbeelden van de christen-anarchisten in een heldere betoogtrant vast te leggen. Op een stuk land bij Blaricum wilden de christen-anarchisten vanaf 1900 hun koloniegedachte in praktijk brengen. Zij wilden een leven leiden naar de geboden van Jezus, een leven van geweldloosheid, vegetarisme, gezondheid en eenvoud. Er kwam een tuinbouwgroep en de reeds bestaande drukkerij Vrede en een bakkerij werden later overgebracht. Al spoedig brak er onenigheid uit tussen de kolonisten. Ortt en Lodewijk van Mierop, zijn levenslange vriend en medestrijder, zorgden er voor dat Tjerk en Trui Luitjes de kolonie verlieten omdat Luitjes het christelijk geloof zou bespotten. In Vrede ontspon zich daarover tussen Trui Luitjes en Ortt een stevige polemiek, waarbij Ortt het verwijt kreeg autoritair op te treden. Ortt woonde van 1902 tot 1903 op de kolonie, waar hij als redacteur, schrijver en corrector werkzaam was. Zijn huwelijk mislukte en in de kolonie overkwam hem het drama dat zijn zoon Stefan stierf. Vanuit de kolonie voerde Ortt van juni 1902 tot januari 1903 de redactie van het blad van Gemeenschappelijk Grondbezit De Pionier. In zijn artikelen in Vrede en De Pionier besteedde hij veel aandacht aan buitenlandse communes (Eden bij Berlijn, Amden), waarvan hij echter niet de 'Körperkultur' en 'zuivere rassen'-opvattingen vermeldde. Later bundelde hij zijn artikelen over GGB in Mensch waardig arbeidsleven (Soest 1919). Hij legde zijn taak toen neer omdat de lezers hem niet strijdbaar genoeg vonden en hij onenigheid kreeg met Van Eeden. Tijdens de tweede spoorwegstaking in 1903 braken enkele kolonisten de tramrails op, waarop woedende boeren de kolonie bestormden en brand stichtten. Sommige kolonisten wilden revolvers kopen om zich te beschermen, maar Ortt wees alle geweld af. Zijn geweldloosheid bracht hem niet nader tot de Internationale Anti Militaristische Vereeniging, die in 1904 was opgericht. Daar hoonde men zijn religieuze praat. Het blad De Wapens Neder noemde hem een christelijke kwezel. De ondergang van de kolonie legde Ortt vast in de romancyclus Felicia (Den Haag 1905). Hij verhuisde met de drukkerij in 1903 naar Amersfoort. Ortt stapte in 1905 uit de redactie van Vrede en verhuisde naar Nijmegen. Er was onenigheid met J. van Rees over de inhoud van Vrede. Van Rees vond Ortt te eigenwijs en te langdradig, zodat deze zijn lange artikelen maar in het nieuwe maandblad Vrede-Tijdschrift plaatste. Van Rees begon een eigen beweging rond het blad Ontwaakt! en in 1906 bliezen Van Mierop en Ortt de Vredebeweging nieuw leven in. Zij beheerden nog steeds de drukkerij Vrede. Omdat zij niet tevreden waren over de redacteur Bähler namen zij in 1907 de redactie van Vrede over. Het Vrede-Tijdschrift kreeg de naam De Vrije Mensch om verwarring te voorkomen. Dit tijdschrift had een sterk persoonlijk karakter en droeg Ortts levensbeschouwilg uit. In 1908 vestigde Ortt zich op verzoek van Van Mierop te Soest, waar het in de bedoeling lag een communistische gemeenschap te beginnen. Maar er kwam niet meer dan de Stichting Chreestarchia, die zich bezig hield met de propaganda van beider idealen. Ortt werd in dat jaar voor lange tijd redacteur van de Vegetarische Bode.

Ortt hield zich vanaf de oprichting in 1901 van de Rein Leven-Beweging (RLB) intensief bezig met het propageren van de beginselen die neerkwamen op 'de vergeestelijking van het sexuele leven'. Hij had zich al in Liefde en huwelijk (Den Haag 1898) uitgelaten over de reine liefde en het huwelijk als reactie op Tolstoj's Kreutzersonate. Hij vond in tegenstelling tot Tolstoj dat binnen het huwelijk seksueel verkeer niet onzedelijk was. Ortt vertaalde veel werkjes van allerlei aard, maar ook van Tolstoj: De wet van het geweld en de wet van de liefde (Zwolle 1909). Binnen de RLB ondervond hij tegenstand van orthodoxe christenen die zijn levenswandel verwierpen omdat hij in 1905 een vrij huwelijk was aangegaan, maar vooral omdat hij zijn christenanarchistische ideeën te zeer wilde opleggen. Hij gaf samen met Van Mierop de 'Rein Leven Bibliotheek' uit die niets met de RLB te maken had. Ortt was vanaf 1905 tot 1918 niet eens lid van de RLB, omdat hij de aanpassing van het door hem geformuleerde beginselprogramma niet kon onderschrijven. Er werd nu in reactie op zijn vrij huwelijk gesteld dat alleen binnen een wettelijk huwelijk volkomen reine geslachtsgemeenschap kon plaatsvinden. Hij wilde niet meer voor RLB optreden, maar publiceerde wel in de bladen Rein Leven, Propagandablad en Rein Leven, Correspondentieblad. Vanaf 1907 verscheen onder redactie van Van Mierop het blad Levensrecht waarin Ortt veel meer zijn opvattingen kwijt kon. Toen Van Mierop in 1914 het land een tijd verliet nam hij de redactie voor die periode over. In 1904 voerde Ortt een heftige discussie met het RLB-lid L.S.A.M. von Römer over de uraniërs, zoals homoseksuelen toen werden genoemd. Deze verdedigde de homoseksuele geslachtsdaad, terwijl Ortt de geslachtsdaad alleen toestond als voortplantingsdaad. De RLB bestreed als organisatie homoseksueel geslachtsverkeer, onanie en prostitutie zodat Von Römers standpunt moeilijk lag. Ortt was wel zo ruimdenkend dat hij bereid was in 1912 zijn handtekening te plaatsen onder een oproep tegen wetsuitbreiding die homoseksuele verhoudingen met minderjarigen strafbaar stelde. Hij bestreed de opvattingen van de Nieuw-Malthusiaansche Bond en zijn pleidooi voor 'kunstmatige' geboortebeperking.

In 1914 legde Ortt de redactie van De Vrije Mensch neer. Dit werd vanaf 1915 het orgaan van Het Vrije Menschen Verbond (VMV). Ortt werd hiervan lid omdat het de voortzetting van de Vrede-beweging was. Tijdens de Eerste Wereldoorlog handhaafde Ortt zijn standpunt van volstrekte geweldloosheid en persoonlijke dienstweigering. Hij ondertekende in 1915 het Dienstweigeringsmanifest. In de brochure Het peil van ons rechtswezen (Rotterdam 1916) uitte hij zich tegen de vonnissen van de ondertekenaars van het Dienstweigeringsmanifest. In 1916 deed hij, zonder op de voorgrond te treden, namens het VMV mee aan het Comité van Actie tegen den Oorlog en zijne gevolgen. In 1920 ging het VMV op in de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten, maar Ortt ging niet mee. Zijn inspanningen voor het christen-anarchisme verminderden. Zijn belangstelling ging uit naar natuurgeneeswijze, vegetarisme, spintisme en de dierenbescherming. De relatie met de RLB verbeterde zeer toen het beginselprogramma zodanig werd aangepast dat hij zich daarin kon vinden. Van 1918 tot in 1925 zat hij in de Centrale Commissie van de RLB. In 1925 maakte hij bekend uit de Centrale Commissie te stappen omdat de RLB sterk samenhing met Van Mierop en hij intussen theoretische meningsverschillen met hem had. Toen Van Mierop in 1930 stierf stelde Ortt voor de RLB te ontbinden. Hij vond dat de taak overgenomen was door de jeugdbewegingen. Door het sterven van Van Mierop zag hij geen bestaansreden meer voor de RLB. Veel tijd besteedde hij in de jaren twintig aan het humanitaire onderwijs. Hij was van 1924 tot in 1929 onderwijs-assistent aan de uit de Engendaalschool voortgekomen Van der Huchtschool in Soest. In deze tijd nam hij tal van weeskinderen in zijn huis op en gaf hij tot 1934 les aan kinderen opgenomen in het vegetarisch sanatorium Zandbergen bij Amersfoort. In 1928 werd de Nederlandsche Vereeniging voor Natuurgeneeswijze opgericht waarvan Ortt vice-voorzitter werd. Na een ruzie stapte hij op als redacteur van de Vegetarische Bode en publiceerde daarna in het verenigingsblad Uitkomst en in het Orgaan van de Nederlandsche Bond tot Bestrijding der Vivisectie. In het Tijdschrift voor Parapsychologie schreef Ortt over pneumatischenergetisch monisme, waarin hij een verbinding probeerde te leggen tussen metafysica en de natuurwetenschappelijke inzichten om zo bij voorbeeld reïncarnatie te verklaren. Na de Tweede Wereldoorlog leidde de bejaarde Ortt een teruggetrokken bestaan in Soest van waaruit hij via zijn Vegetarisch Bureau een ieder die dat wilde van adviezen voorzag. Hij schreef tot in zijn sterfjaar 1957 weer in De Vegetarische Bode. Hij hield zich bezig met anti-vivisectie en sprak vaak voor spiritistische verenigingen. Ook hield hij zich bezig met occultisme. Ortt hield zich tot zijn dood aan zijn strenge leefregels. Op het balcon van zijn huis stond een badkuip. Daar dompelde hij zich iedere ochtend in koud water. Behalve als het vroor, dan deed hij dat in de onverwarmde serre. In Oosterbeek is een Felix Ortt-rusthuis voor vegetariërs.

Publicaties: 

Bibliografie Ortt in L. Vermeer, Geestelijke lenigheid. De relatie tussen literatuur en natuurwetenschap in het werk van Frederik van Eeden en Felix Ortt, 1880-1930 (Groningen 1975) 238-240; Christelijk anarchisme. (Haarlem 1898); Het beginsel der liefde (Den Haag 1898); Naar het groote licht (Den Haag 1899); Open brief aan de presidente van den Nederlandschen Vrouwenbond ter Internationale Ontwapening (Amsterdam 1899); Het spiritisme (Den Haag 1899); Denkbeelden van een christen-anarchist (Den Haag 1900); Medische wetenschap en vivisectie (Den Haag 1902); Brieven over gezondheid (in het bizonder tot arbeiders) (Blaricum 1902); Praktisch socialisme (Amersfoort 1903); Het streven der christen-anarchisten (Amersfoort 1903); Rein leven en Geheelonthouding (Soest 1903); Manifest van het Landelijk Comité Zaak-Terwey. Waar het om gaat en wat onze plicht is (z.pl. 1903); Aan mijn zusje – brief over het geslachtsleven (Amersfoort 1903); Het Nieuw-Malthusianisme. Uit ethisch oogpunt beschouwd (Amersfoort 1904); Sexueele ethiek (Amersfoort 1904); De Vrije Mensch: studies (Amersfoort 1904); Een zedelijke plicht der ouders. (Rede) (Den Haag 1905); Apen en menschen (Den Haag 1907); De reinleven-beweging. Ontstaan, doel, beginselen en organisatie der rein levenbeweging. Kort uiteengezet (z.pl. 1908); Brieven over Godsgeloof. Verkorte volksuitgave der 'Brieven aan een vriendinnetje over religieuze begrippen' (Blaricum 1909); Drankzucht en hoe die tegen te gaan (z.pl. 1911); 'Der Einflusz Tolstois auf das geistige und gesellschaftliche Leben in den Niederlanden' in: Der Sozialist. Organ des Sozialistischen Bundes, jrg. 3 nr. 1, 1911; Het dure vleesch (z.pl. 1913); De invloed van den oorlog op de ethiek (Purmerend 1916); Inleiding tot het pneumatisch-energetisch monisme. Een beschouwing over God, de wereld, het leven, mensch en maatschappij, vanuit het standpunt der natuurwetenschap (Den Haag 1917); Tweede brief aan mijn zusje. Over verloving en huwelijk (Soest 1921); Over kunst en schoonheid (Blaricum 1921); De koepokinenting (Hilversum 1927); Nieuwe beschouwingen over den droom en de droompsyche (Amsterdam 1927); Het wezen der homeopatische geneeswijze (Hilversum 1930); Over de dierenziel (Den Haag 1933); Verleden, heden en toekomst der natuurgeneeswijze (Soest 1939); Levenshouding (z.pl. 1942); De superkosmos. Filosofie van het occultisme en het spiritisme (Den Haag 1949); Het droomleven (Den Haag 1951); Over Frederik van Eeden (Amsterdam 1958).

Literatuur: 

J. Giesen, Nieuwe geschiedenis (Rotterdam 1923); Van en over Felix Ortt. Bundel, uitgegeven bij gelegenheid van z'n 70ste verjaardag (Den Haag 1936); A. Perdeck, 'De ramp van Blaricum' in: Mededelingen van het Frederik van Eeden genootschap, nr.3, 1937; R. Jans, Tolstoj in Nederland (Bussum 1952); F. van Eeden, Dagboeken 1878-1923 (Culemborg 1971-1972); Becker, Frieswijk, Bedrijven; A.C.J. de Vrankrijker, Onze anarchisten en utopisten (Bussum 1972); J.S. de Ley, B. Luger, Walden in droom en daad (Amsterdam 1980); H. Ramaer, 'Tolstojanisme in Nederland' in: De As, nr. 58, 1982; A. de Groot, De weg tot de kuisheid voert door nuchterheid (Groningen 1983); H. Ariëns e.a., Religieus anarchisme in Nederland tussen 1918 en 1940 (Zwolle 1984); H. Kock, Felix Ortt. Leven van een christen-anarchist (doctoraalscriptie Amsterdam 1986); M.W.J.L. Boersen, De kolonie van de internationale broederschap te Blanicum (Blaricum 1987); G. Hekma, Homoseksualiteit, een medische reputatie (Amsterdam 1987); H.Q. Röling, De tragedie van het geslachtsleven (Amsterdam 1987); H. Olink, 'Ik ben opgevoed vanuit het idee dat je je eigen man niet in verleiding mag brengen' in: NRC-Handelsblad 25.2.1989; J. Fontijn, Tweespalt. Het leven van Frederik van Eeden tot 1901 (Amsterdam 1990); R. Uittenhout, 'Het Christen-anarchisme van Felix Ortt' in: De As, juli september 1991, 12-16; A. de Roo, Natuurlijk, ethisch en gezond. Vegetarisme en vegetariërs in Nederland 1894-1990 (Amsterdam 1992); A. de Raaij, 'Felix Ortts pneumat-energetisch monisme. Een filosofie van het christen-anarchisme' in: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland. Documentatieblad werkgroep Sassen, 8, 1997; A. Kluveld-Reijerse, Reis door de hel der onschuldigen. De expressieve politiek van de nederlandse anti-vivisectionisten 1890-1940 (Amsterdam 2000); M. van Boxtel, Morosofie. Dwaze wijzen en wijze dwazen in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 2001); M. Kemerink, Het verloren paradijs. De Nederlandse literatuur en de cultuur van het fin de siècle (Amsterdam 2001); A. Kluveld, 'Felix Ortt. De kleine geloven als brug tussen wetenschap en geloof' in: De Negentiende Eeuw, 25e jrg., nr. 3, september 2001.

Portret: 

jonkheer F.L. Ortt, IISG

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 208-213
Laatst gewijzigd: 

07-12-2004

11-2-2017 (publicaties uitgebreid)