PARIS, Johannes Hubertus

Johannes Hubertus Paris

(roepnaam: Hubert), SDAP-politicus in Limburg, is geboren te Maastricht op 27 juli 1873 en aldaar overleden op 1 augustus 1939. Hij was de zoon van Felix Paris, arbeider Staatsspoor en venter, en Lucia Hubertina Jongen. Op 17 februari 1897 trad hij in het huwelijk met Anna Catharina Debats, aardewerkster, met wie hij vier dochters kreeg.

Paris was afkomstig uit een Maastrichts arbeidersgezin. Zijn vader werkte aanvankelijk als arbeider bij het Staatsspoor, naderhand als venter. Zijn moeder, als half-wees opgegroeid in een inrichting, gaf haar zeven kinderen, van wie Hubert de oudste was, een gedegen katholieke opvoeding. Paris ging, zoals zovelen van zijn leeftijdgenootjes, direct na de lagere school naar de fabriek: de Société Céramique, een zeer paternalistisch geleid aardewerkbedrijf met een sterk Waalse invloed. Hier en in de cafeetjes in de volksbuurten kwam hij in aanraking met 'het nieuwe waarvan ik in ons streng katholiek gezin nooit gehoord had'. Dit was de socialistische arbeidersbeweging, die rond 1890 in Maastricht vaste voet aan de grond kreeg. Paris sloot zich aan bij een groepje aardewerkers rond Servaas Baart. In 1892 behoorde hij tot een van de zeven oprichters van de aardewerkersvereniging Loon naar Werk, de eerste vakbond in Maastricht. In 1897 werd hij secretaris en al snel nam hij een deel van het dagelijks vakbondswerk over van voorzitter Baart, die sterk in beslag werd genomen door allerlei andere activiteiten binnen de socialistische beweging. Rond 1900 volgde Paris Baart, die administrateur geworden was van de coöperatie Het Volksbelang, op als voorzitter van Loon naar Werk.

Paris behoorde tot het kleine groepje socialisten, dat eind vorige eeuw de zieltogende SDAP-afdeling in Maastricht nieuw leven inblies. De socialistische beweging stelde zich rond 1900 gematigd op in de katholieke stad. Het accent kwam sterker dan voorheen te liggen op overleg en samenwerking. Deze koerswijziging had mede te maken met de personen die nu op de voorgrond traden: naast Baart Paris en W.C. de Jonge. Van de socialistische voormannen was Paris zonder twijfel het meest vatbaar voor de gedachte van samenwerking met de katholieke arbeidersbeweging. Van polarisatie en isolement was hij een tegenstander. Gezien zijn karakter - Paris was alles- behalve een scherpslijper en zijn achtergrond - Maastrichtenaar en arbeider van huis uit - was hij voor veel mensen in niet-socialistische kring een aanvaardbaarder figuur dan De Jonge. Ook in eigen kring was hij populair, al was het maar omdat hij de carnavalsliedjes schreef voor de 'rooie' fanfare. Van de afstandelijk werkende Zeeuwse jonkheer De Jonge kon men dit moeilijk verwachten. Als een van de SDAP-leiders kreeg Paris het in de jaren 1907 tot 1910 aan de stok met Henri van Vorst, de propagandist van de socialistische beweging in Maastricht. Deze ex-pater Capucijn ontpopte zich als een fel bestrijder van godsdienst en kerk. Van anti-clericalisme gruwde Paris, bang als hij was dat partij en vakbeweging vereenzelvigd zouden worden met het optreden van Van Vorst. Samen met De Jonge, inmiddels administrateur van Het Volksbelang, drong hij herhaaldelijk bij het partijbestuur van de SDAP erop aan Van Vorst weg te halen uit Maastricht. Dat had uiteindelijk in 1910 succes.

De samenwerking waarnaar Paris streefde, kreeg voor het eerst tijdens de Eerste Wereldoorlog daadwerkelijk gestalte. De socialistische en katholieke vakbonden vonden elkaar in het Anti Duurte Comité (ADC), dat prijsopdrijving van eerst noodzakelijke levensmiddelen wilde tegengaan. Ondanks weerstand in beide kampen zetten Paris en Reinier Nafzger, de voorman van de katholieke arbeiders, de samenwerking door. Eind 1917 kwam er echter een eind aan de samenwerking. De socialistische achterban wilde meer directe actie. Zeer tegen zijn zin, volgens Nafzger, zei Paris de samenwerking in het ADC op. De revolutionaire gebeurtenissen in november 1918 lieten de anders zo bezadigde ex-aardewerker - Paris dreef inmiddels samen met zijn vrouw een sigarenwinkel - niet onberoerd. Op 11 november 1918 sprak hij vanaf het balkon van het Volkshuis de geestdriftige menigte toe: 'Ja, ja, burgemeester, wacht nog maar een paar dagen. Dan is uw tijd er ook geweest en is het onze beurt'. Het liep anders, al hoefde Paris niet, zoals zijn grote voorbeeld P.J. Troelstra, in het openbaar boete te doen. De gemeenteraadsverkiezingen van 1919 leverden de SDAP negen zetels op. Samen met de liberalen dolven zij maar net het onderspit tegen de katholieken (12-13). Een aanbod van de katholieken dat de SDAP een wethouder zou leveren, wees fractieleider Paris af, conform de richtlijnen van het partijbestuur in Amsterdam. Ervaring opdoen in de raad lag meer voor de hand dan in een minderheidspositie zitting nemen in het college. Uitbreiding van de gemeente maakte in 1920 nieuwe raadsverkiezingen noodzakelijk. Rechts kon opgelucht ademhalen: de stemmen uit de geannexeerde dorpen gingen merendeels naar de katholieken. Jaren later zou Paris nog verzuchten dat 'als indertijd Maastricht niet zooveele buitengemeenten geannexeerd had, er reeds een linksche meerderheid uit de oude stad zoude zijn gekomen'. Die linkse meerderheid bleef uit tijdens het fractievoorzitterschap van Paris. Evenmin traden sociaal-democraten toe tot het college, al mocht Paris in 1931 dankzij de stemmen van enige dissidente katholieken het genoegen smaken een paar dagen wethouder te zijn. Het 'euvel' werd snel hersteld. Wethouder werd hij dan wel niet, Paris was de eerste sociaal-democraat die lid werd van het College van Regenten van het zo prestigieuze en immens rijke Burgerlijk Armbestuur in Maastricht. Als voorzitter van de commissie Huiszittende armen kon hij menige steuntrekker in de crisisjaren dertig nog het een en ander doen toekomen. Zijn teruglopende gezondheid en de minder goede onderlinge verstandhouding binnen de SDAP in Maastricht - een rebellerende linkervleugel en strijd om zijn opvolging - deden Paris in 1935 besluiten het fractievoorzitterschap neer te leggen. In 1939 trad hij ook af als fractievoorzitter van de SDAP in de Provinciale Staten van Limburg. Paris overleed na een kort ziekbed in augustus 1939. Voorzitter van het comité van aanbeveling voor het plaatsen van een gedenksteen op zijn graf op de Algemene Begraafplaats was ex-burgemeester L.B.J. van Oppen. Dezelfde, die Paris in november 1918 de wacht had aangezegd.

Literatuur: 

M. Ubachs, Een eeuw modern kapitalisme (Tongeren 1934; Nijmegen 1976); Vooruit, 25.11.1938 (avondblad); Vliegen, Kracht III, 467-470; J. Perry, Roomsche kinine tegen roode koorts (Amsterdam 1983); J. Perry, C. Cillekens, J. Luyten, Het Volkshuis (Maastricht 1986); J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002).

Portret: 

J.H. Paris, IISG

Auteur: 
Caspar Cillekens
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p.159-161
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003