PEKELHARING, Baltus Hendrik

Baltus Hendrik Pekelharing

(roepnamen: Baltus, Bal, Pekel, Peek, Pekie), met de sociaal-democratie symphatiserend hoogleraar, is geboren te Krommenie op 17 juni 1841 en overleden te Den Haag op 30 januari 1922. Hij was de zoon van Cornelis Pekelharing, medicus, en Johanna van Ree.

Pekelharing werd geboren in een doopsgezinde familie. Zijn vader was gemeentegeneesheer in Krommenie. Enkele jaren na de geboorte van Baltus verhuisde het gezin naar Zaandam. Hier ging Pekelharing naar de lagere, vervolgens naar de Latijnse school. Van 1858 tot 1862 studeerde hij rechten in Leiden. Nog vóór zijn promotie had hij al een betrekking gevonden als adjunct-commies op de afdeling statistiek van de provinciale griffie van Noord-Holland in Haarlem. In 1866 werd Pekelharing benoemd tot leraar in de staatswetenschappen, aardrijkskunde en het boekhouden aan de Hoogere Burger School te Zutphen. In deze plaats werd hij ook politiek actief. Bij de parlementsverkiezingen van 1866 en 1868 schreef hij vlugschriften voor de liberale partij. Onder invloed van zijn leermeester en promotor S. Vissering was Pekelharing aanvankelijk het gedachtengoed van de Manchester School toegedaan, maar na lezing van onder meer Kapital und Arbeit van F. Lassalle en Geschichte der sozialen Bewegung in Frankreich von 1789 bis auf unsere Tage van L. von Stem veranderden zijn politieke opvattingen. Geleidelijk schoof hij op in de richting van de vooruitstrevende liberalen, die zich op de Duitse kathedersocialisten oriënteerden. Deze richting bepleitte overheidsingrijpen ter bescherming van de arbeidersklasse tegen economische uitbuiting. Sociale hervormingen waren volgens hen noodzakelijk om de arbeiders te doen integreren in de samenleving. Van zijn nieuwe politieke ideeën getuigde Pekelharing in het artikel 'Naar aanleiding van de sociale quaestie', dat in 1871 in De Tijdspiegel verscheen. Ook in de Zutphensche Courant, waarover Pekelharing in de jaren 1869-1873 de redactie voerde, klonken zijn opvattingen door. Onder zijn hoede werd deze krant een van de toonaangevende organen van de vooruitstrevende stroming binnen het liberalisme. Als Haagse correspondenten fungeerden achtereenvolgens J.D. Veegens en H. Goeman Borgesius. Pekelharing op zijn beurt werkte vanuit Zutphen mee aan het geestverwante, in Den Haag verschijnende Het Vaderland. Ook in de Zutphense afdelingen van de Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid en van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen ontplooide hij activiteiten die met de arbeiderskwestie te maken hadden.

In 1873 vertrok Pekelharing naar Delft, waar hij, op aanbeveling van Vissering en anderen, was benoemd tot hoogleraar in het administratief recht, het handelsrecht en de staathuishoudkunde aan de aldaar gevestigde Polytechnische School (in 1905 omgedoopt tot Technische Hoogeschool). Vanuit behoudende hoek was tevergeefs gepoogd Pekelharings aanstelling te voorkomen door hem als 'socialist' af te schilderen. Zijn openingscollege had als onderwerp 'Het communisme en socialisme tegenover de staathuishoudkunde' (gepubliceerd in Vragen des Tijds in 1875). Pekelharing omarmde hierin openlijk de denkbeelden van de kathedersocialisten. Dat Pekelharing de reputatie van 'socialist' kon krijgen hing samen met zijn publieke optreden, zoals bijvoorbeeld in zijn bijdragen voor de Kring voor Wetenschappelijk Onderhoud in Zutphen of voor het genootschap Prodesse Conamur in Arnhem in 1870. De opvattingen die hij hier verdedigde werden als 'donkerrood' bestempeld (F.E. van Hennekeler). In hetzelfde jaar was hij betrokken bij de oprichting van het Comité ter bespreking der Sociale Quaestie. Op de eerste openbare vergadering op 30 oktober werd hij tot secretaris gekozen, een functie die hij tot de opheffing van het Comité in 1880 zou vervullen. Naast 'heren' als voorzitter jhr. J.J.F. de Jong van Beek en Donk en Pekelharing zelf hadden in het Comité tevens werklieden als H. Gerhard en B.H. Heldt zitting. Doel van het Comité was, de gegoede stand de ogen te openen voor de schrijnende omstandigheden waarin de arbeiders verkeerden. Om dit te verwezenlijken organiseerde het Comité openbare meetings over maatschappelijke vraagstukken als coalitieverbod, kinderarbeid, leerplicht en algemeen kiesrecht. In 1874 kwam er een einde aan de openbare werkzaamheid van het Comité. 'Het doodzwijgen van de sociale kwestie, waaraan het comité in de voornaamste plaats zijn ontstaan had ontleend, was voor levendige belangstelling gaan wijken', aldus Pekelharing later. In dat verband noemde hij het in 1871 opgerichte Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond (ANWV), dat hij met raad en daad bij stond. Zo werkte hij mee aan een congres over winkelverenigingen dat het ANWV in 1873 hield en waar een commissie voor coöperatie werd opgericht waarin Pekelharing zitting nam. Van de op het tweede coöperatiecongres in 1875 opgerichte Vereeniging tot bevordering der Coöperatie in Nederland werd Pekelharing bestuurslid. Hij schreef ook het voorwoord bij het Vragenboek van het Algemeen Ned. Werklieden-Verbond van D. Stigter (Amsterdam 1887).

Vanuit het Comité ter bespreking der Sociale Quaestie was vlak voor zijn opheffing het Comité voor Algemeen Stemrecht gevormd. Samen met onder anderen Veegens, W. Heineken en F. Domela Nieuwenhuis behoorde Pekelharing in 1879 tot de oprichters. Het Comité, waarvan ook werklieden deel uitmaakten, drong in een adres aan de Tweede Kamer in 1880 aan op de invoering van algemeen mannenkiesrecht. In 1882 volgde Pekelharing Veegens op als voorzitter. Een jaar later legde hij deze functie neer, mede vanwege de gebrekkige steun die het Comité ondervond vanuit werkliedenkringen. Pekelharing stelde daarvoor mede Recht voor Allen van de inmiddels uit het Comité gestapte Domela Nieuwenhuis verantwoordelijk. Hoewel hij met deze meermalen in aanvaring was gekomen, sprong Pekelharing in 1887 voor Domela in de bres toen hij werd veroordeeld wegens majesteitsschennis. Pekelharing werkte mee aan een adres aan de Koning en de Tweede Kamer, waarin om een aparte penitentiaire behandeling werd gevraagd voor personen die voor een politiek misdrijf waren veroordeeld. Ook als publicist oefende Pekelharing invloed uit op de publieke opinie. In 1874 begon Vragen des Tijds te verschijnen. Het blad was een spreekbuis voor het vooruitstrevende liberalisme en een platform voor kathedersocialistische denkbeelden. Samen met A. Kerdijk, S. van Houten, Veegens en Heineken behoorde Pekelharing tot de medewerkers van het eerste uur. Met uitzondering van Van Houten, met wie hij in 1893 brak na diens onverwachte, behoudende, stellingname tegenover de door minister J.P.R. Tak van Poortvliet voorgestelde kiesrechtuitbreiding, zou hij met hen zijn leven lang bevriend zijn. Het leven van Kerdijk schetste hij na diens dood in 1905 in Eigen Haard. Veegens portretteerde hij in een deels autobiografische beschouwing in Vragen des Tijds in 1911. Pekelharing was meer dan 35 jaar lid van de redactie, waarvan de eerste elf jaar als redactiesecretaris. Zelf schreef hij voor het tijdschrift een dertigtal beschouwingen, vooral over de sociale ontwikkelingen in Nederland, Frankrijk en Engeland, maar ook over socialisten als Lassalle en R. Owen. Van zijn interesse voor de buitenlandse arbeidersbeweging gaf Pekelharing ook blijk in de honderden - veelal korte - artikelen die hij voor het vanaf 1887 verschijnende Sociaal Weekblad schreef. Soms ging hij zelf op pad om verslag te doen van een staking of een belangrijk congres ergens in Europa. Van 1893 tot 1898 vormde hij de redactie samen met M.W.F. Treub, van wie hij in 901 een lovende schets gaf in Woord en Beeld. In 1900 staakte hij zijn geregelde bijdragen. In januari 1906 verscheen nog wel van zijn hand een necrologie van de Delftse fabrikant J.C. van Marken, jarenlang Pekelharings buurman, vriend en politiek geestverwant.

In 1893 verscheen in het Sociaal Weekblad onder de kop 'Honger en Schrik' een oproep van F.M. Wibaut om geld bijeen te brengen voor enkele gezinnen in Friesland waarvan de kostwinners waren gearresteerd tijdens opstootjes als gevolg van de heersende armoede. Van het speciaal gevormde comité, waarvan Wibaut en P.L. Tak ook deel uitmaakten, was Pekelharing voorzitter. Het comité tekende protest aan tegen de harde vonnissen. Pekelharing werd daarop ontboden bij de minister van Binnenlandse Zaken, Tak van Poortvliet, onder wie hij als hoogleraar ressorteerde. De minister drong er bij hem op aan zich uit het comité terug te trekken. Omdat Pekelharing vreesde zijn betrekking in Delft te verliezen gaf hij uiteindelijk hieraan gehoor, want het doceren was zijn lust en zijn leven. In zijn colleges stelde Pekelharing met grote welsprekendheid naast de leerstof allerlei sociale vraagstukken aan de orde. Geheel tegen de gewoonte van die tijd in ging hij ook buiten de college-uren met zijn studenten om. Pekelharing was als erevoorzitter beschermheer en animator van de Studenten-Debatingclub, waar vaak socialistische thema's ter discussie stonden. Hij hield avondcolleges waarin hij verhaalde over het socialisme en zijn voormannen. Rond hem vormde zich een groep studenten die bij hem over de vloer kwamen; om vier uur's middags stond zijn huis daarvoor open. De sociaal-democratische schrijfster C. Huygens gaf in haar sleutelroman Barthold Meryan (Amsterdam 1897) een schets van de omgang van Pekelharing (in het boek aangeduid als professor Denners) met zijn studenten. Pekelharings bezieling en engagement bleven niet zonder uitwerking. Een aantal van zijn studenten sloot zich aan bij de SDAP, zoals de jong overleden C.F. Loke en de latere Kamerleden Ch.G. Cramer en Th. van der Waerden. Ook J.W. Albarda, leider van de SDAP van 1925 tot 1940, onderging Pekelharings invloed. Na zijn afstuderen bleef Albarda met Pekelharing op vertrouwelijke voet verkeren. Bij Pekelharings afscheid als hoogleraar in 1907 rekende Albarda in De Kroniek zijn leermeester tot diegenen die 'het eerst en het stevigst den strijd aanbonden tegen een verstijfde liberale dogmatiek, die van geen sociale wetgeving wilde weten'. Hoewel Pekelharing grote sympathie had voor de SDAP, werd hij geen lid. De SDAP op haar beurt uitte haar grote waardering voor Pekelharing door bijvoorbeeld bij zijn tachtigste verjaardag een telegram te sturen waarin zij haar dank uitsprak 'voor het belangrijke werk in uw vruchtbaar leven, zij het indirekt, voor de arbeidersklasse verricht'. Volgens Treub in zijn necrologie in De Amsterdammer sloot Pekelharing zich niet bij de SDAP aan omdat hij, 'hoezeer zich vereenigende met haar doel, vaak niet sympathiseerde met haar strijdlustigheid'. Ook Albarda schreef in zijn necrologie dat de zachtmoedige, bescheiden en aimabele Pekelharing 'geen strijdersnatuur' had. Pekelharing zag dat zelf ook in. 'Als ik een polemische ader heb, dan klopt hij flauw', schreef hij in 1897 aan Wibaut. In diezelfde brief schreef hij ook zich 'niet beheerscht (te voelen) door de leer van K. Marx. Met diepen eerbied voor zijn genie, kan ik met zijn leer niet meegaan, al sta ik het dichtst bij zijn volgelingen'. Pekelharing nam minder zelf het voortouw dan dat hij zich bij initiatieven van anderen aansloot. Dat betekende niet dat hij geen partij koos. Tijdens de spoorwegstaking van 1903 bijvoorbeeld koos hij in zijn rede Naar aanleiding van den 3lsten Januari (Amsterdam 1903) de zijde van het spoorwegpersoneel.

Pekelharings wetenschappelijke produktie was niet groot. Diepgaande studies op zijn vakgebied schreef hij niet, alleen enkele collegedictaten van hem zijn verschenen: Arbeidswetgeving, bewerkt door N.G. Kam, en Waterstaatsrecht, bewerkt door H. Strick van Linschoten (beide Delft 1907). Hij had zitting in de in 1892 ingestelde Staatscommissie inzake afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee (tot 1894) en in de in hetzelfde jaar gevormde Centrale Commissie voor de Statistiek (tot 1909). In 1898 werd hij benoemd in de Staatscommissie voor de Waterstaatswetgeving. Hiervan maakte hij tot 1913 deel uit. Na het afscheid van zijn hoogleraarschap verhuisde Pekelharing naar Den Haag. Bij zijn dood werd hij door vrienden als Albarda (in Het Volk), Treub en Heineken herdacht. Allen roemden zij Pekelharings hulpvaardigheid en gastheerschap, zijn uitzonderlijke gaven als docent en zijn Sociale betrokkenheid en intellect. Hij had, aldus Treub, 'een geest van kristal, een hart van goud en een trouw zonder weerga'.

Archief: 

Archief B.H. Pekelharing in IISG (Amsterdam, vgl. Campfens2, 313) en delen in privébezit.

Publicaties: 

Behalve de genoemde (keuze): Redevoering over de vraag: 'Waartoe dient in den tegenwoordigen tijd de beoefening van het Romeinsche regt in Nederland?' (Haarlem 1864); 'Het communisme en socialisme tegenover de staathuishoudkunde', in: Vragen des Tijds, 1875, I, 1-20; 'Herinneringen aan een tweetal Comité's' in: Vragen des Tijds, 1895, II, 354-381; 6 januari 1874-1899 (z.pl. 1899); 'Eenige mededeelingen betreffende de staathuishoudkunde en het administratief recht' in: Gedenkschrift van de Koninklijke Akademie en van de Polytechnische School 1842-1905 (Delft 1906)153-156; en tal van artikelen in onder meer: Delftsche Studenten Almanak, Vragen des Tijds, Sociaal Weekblad, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen, Woord en Beeld, Eigen Haard en De Ingenieur.

Literatuur: 

R.A. van Sandick, 'Prof. Mr. B.H. Pekelharing' in: De lngenieur, 1899, nr. 1, 1-2; J.C. Eringaard, 'Mr. B.H. Pekelharing' in: De Vooruitgang, 1899, nr. 1, 1-2; M.W.F. Treub, 'Mr. B.H. Pekelharing' in: Sociaal Weekblad, 1899, nr. 1, 1-2; F.E. van Hennekeler, 'Mr. B.H. Pekelharing' in: Woord en Beeld, 1902, 216-221; K. de H., 'Mr. B.H. Pekelharing' in: De Prins, 25.5.1907; R.A. van Sandick, 'Bij de aanvraag om ontslag van Prof. Mr. B.H. Pekelharing' in: De Ingenieur, 1907, nr. 14, 241-242; 'Huldiging van Prof. Mr. B.H. Pekelharing' in: De Ingenieur, 1908, nr. 13, 218-219; R.A. van Sandick, 'Prof. Mr. B.H. Pekelharing 80 jaar' in: De Ingenieur, 1921, nr. 26, 516; Th. van der Waerden, 'Prof mr. B.H. Pekelharing. Een tachtigjarige' in: Het Volk, 16.6.1921; R.A. van Sandick, 't Prof. Mr. B.H. Pekelharing' in: De Ingenieur, 1922, nr. 5, 89; Th. van der Waerden, 'Prof. Mr. B.H. Pekelharing †' in: De Socialistische Gids, 1922, nr. 3, 241-244; W. Heineken, '† Professor B.H. Pekelharing' in: Vragen des Tijds, 1922, 1, 409-411; 'Professor Mr. B.H. Pekelharing. †' in: De Notenkraker, 1922, nr. 6, 7; F.M. Wibaut, Levensbouw. Memoires (Amsterdam 1936); G. Taal, Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901 (Den Haag 1980); W. de Vries Wzn., 'PEKELHARING, Baltus Hendrik' in: BWN II, 421-423; G. Harmsen, 'De vroegste geschiedschrijving van de Nederlandse arbeidersbeweging (1875-1905)' in: M. Campfens, M. Schrevel, F. Tichelman (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 14-38; W. de Vries Wzn., 'Herinneringen van K. ter Laan' in: Facetten van Delft. Gedenkboek van het Genootschap Delfia Batavorum 1935-1985 (Amsterdam 1985) 383-392; W. de Vries Wzn., 'Belevenissen van Johanna Pekelharing van Ree in Delft' in: Facetten van Delft. Gedenkboek van het Genootschap Delfia Batavorum 1935-1985 (Amsterdam 1985) 393-408; T. Koek, Tussen harmonie en sociale strijd. Mr. B.H. Pekelharing te Zutphen, 1866-1874 (doctoraalscriptie Amsterdam 1988); Th. van Tijn, 'Den werkman het gevoel van verlaten zijn ontnemen. De progressief-liberalen in Nederland en het sociale vraagstuk (ca. 1870-1896)' in: G.J. Schutte (red.), Een arbeider is zijn loon waardig (Den Haag 1991) 181-201; S. Dudink, Deugdzaam liberalisme. Sociaal-liberalisme in Nederland 1870-1901 (Amsterdam 1997).

Portret: 

B.H. Pekelharing, IISG

Auteur: 
Gerrit Voerman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 167-171
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003