PENNING, Paulus Jacobus

Paulus Jacobus Penning

actief in de vrijdenkersbeweging, de Eerste Internationale en de Sociaal-Democratische Bond en caféhouder voor de beweging, is geboren te Amsterdam op 4 november 1843 en aldaar overleden op 17 september 1904. Hij was de zoon van Paulus Jacobus Penning, winkelier, en Naatje Schimpff. Op 24 september 1863 trad hij in het huwelijk met Susanna Johanna Bertina Eliveld, met wie hij drie dochters en vier zoons kreeg.

Penning bezocht in Amsterdam de lagere school en was een tijdlang op kostschool in Winterswijk. Hij ging enkele jaren varen bij de koopvaardij en dreef na de scheiding van zijn moeder met haar een winkel in manufacturen in de Keizerstraat in hartje Amsterdam, waar hij van 1863 tot 1871 woonde. Op 18 september 1864 werd hij lid van de vrijdenkersvereniging De Dageraad, waar hij H.O. Kalshoven, de toneelspeler L. Kettman en de kleermaker H. Gerhard ontmoette. Zoals vele leden van De Dageraad werd hij lid van de vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux. De Dageraad beviel hem niet helemaal en met anderen richtte hij in 1867 het genootschap Van Ontwikkeling tot Veredeling op, dat in december van dat jaar Genootschap De Humaniteit ging heten. H.J. Berlin, een van de oprichters, werd hoe langer hoe meer de voorman van deze geheime vereniging, reden waarom Penning zich uit de deze vereniging en uit de vrijdenkersbeweging terugtrok. Wellicht speelden bij Penning antisemitische motieven een rol, die ook al aan de orde waren geweest bij de oprichting van Post Nubila Lux. Van deze loge konden ook joodse vrijdenkers lid worden, in tegenstelling tot de andere toges van het Groot-Oosten in Amsterdam, die alleen 'ex-christenen' opnamen. Op 30 augustus 1869 was Penning aanwezig op de eerste vergadering van de Amsterdamse sectie van de Eerste Internationale in Nederland. Met zijn jongere broer B.J. Penning meldde hij zich aan als lid. Hij hield zich echter vanwege zijn afkomst - hij was geen werkman - op de achtergrond. In 1871 bevorderde hij met anderen de oprichting van de Democratische Vereeniging en werd daarvan bestuurslid, naast Kalshoven, C.A.J. Geesink, J.C. van der Lee en J.M.H. van Beyma thoe Kingma. De bespreking van onder meer het algemeen stemrecht was het doel van dit debatgezelschap, dat de aspiratie had uit te groeien tot een kiesvereniging. Toen de Eerste Internationale omstreeks 1874 in Nederland ter ziele ging werd Penning lid van de in dat jaar opgerichte geheime loge Vox Populi, die beïnvloed was door de vrijmetselarij. Deze loge kende leden in drie graden: leerlingen, gezellen en meesters, daarboven stond een hoofdbestuur. De nadruk lag op de zedelijke en verstandelijke ontwikkeling van de leden. Vox Populi vergaderde in café Cosmopolite, dat Penning in de Dijkstraat dreef. Deze naam wijst op contacten met België, waar socialistische en democratische vrijdenkers in Brussel zich, eveneens sinds 1874, Cosmopolitains noemden. De gebroeders Penning waren lid van de commissie van voorbereiding voor de Vereeniging Algemeen Stemrecht, die socialisten en linkse liberalen bijeenbracht maar niet tot veel in staat bleek. In 1879 werd de Vereeniging herdoopt in Vereeniging voor Algemeen Kies- en Stemrecht, waarin nu de socialisten het overwicht hadden. In december 1885 werd Penning lid van het hoofdbestuur. Intussen was na voorbereidende inspanningen van de smid W. Ansing in 1878 in Amsterdam de Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV) opgericht, waarvan Penning en zijn broer lid werden. Penning hield in de navolgende tien jaar spreekbeurten voor zowel de Amsterdamse SDV als voor tal van vakverenigingen. Ook bekleedde hij bestuursfuncties in de SDV en later in de Sociaal-Democratische Bond (SDB).

Door zijn kalmte had Penning een zeker overwicht. Dat kwam hem te pas bij woelige vergaderingen zoals die op 24 november 1885 in Café Zincken bij het Centraal Station, waar J.A. Fortuijn sprak over 'Wie zijn de moordenaars' en de politie een inval deed. Was de onrust in 1886 vooral geconcentreerd in de Jordaan en het Volkspark, dus in Amsterdam-West, de 'Oranjefurie' van februari 1887 ter gelegenheid van de verjaardag van koning Willem III was gericht tegen de socialist Penning en zijn koffiehuis De Leeuw van Waterloo aan het Waterlooplein. Veel deelnemers aan de aanval waren antisocialistisch gezinde joodse buurtbewoners, die wellicht ook handelden uit afgunst ten aanzien van de welgestelde Penning, die geen vergoeding kreeg voor de aangerichte schade maar van de veelsoortige gebruikte projectielen een kolom bouwde die hij midden in het café plaatste en die veel bekijks trok. In zijn verdere ontwikkeling volgde Penning F. Domela Nieuwenhuis in diens langzame ommezwaai naar het anarchisme. Het SDB-congres in Zwolle (1892) stond onder zijn leiding.

Penning publiceerde weinig. Helpen en werken in de praktijk van alledag lag hem beter. Zo probeerde hij in 1880 met H. Gerhard en de bakkersgezel F. Domhof een coöperatieve bakkerij in de Bloemstraat op te zetten, maar deze ging uiteindelijk in 1884 ter ziele. Bij zaalafdrijving sprong Penning steeds in door vergaderruimte in zijn café ter beschikking te stellen. Het eerste nummer van Recht voor Allen werd begin april 1879 vanuit zijn huis verzonden. Toen het Duitse partijblad Der Sozialdemokrat, dat vanwege de heersende Socialistenwetten buiten Duitsland verscheen, onder Duitse druk uit Zürich moest verdwijnen en naar Londen verhuisde, verzorgden Penning en B. Liebers eind 1888 en 1889 de illegale verzending naar Duitsland via Nederland. In later jaren dreef Penning een volkseethuis, eerst in de Ferdinand Bolstraat, daarna in de Boerhaavestraat. Hij kwam met moeite rond van een karig inkomen. Bij de herdenking in 1904 in het Paleis voor Volksvlijt van het uitkomen van het eerste nummer van Recht voor Allen vijfentwintig jaar eerder sprak ook Penning. Zowel zijn voordracht als zijn artikel 'Voorheen en thans' in De Vrije Socialist waren in mineur: vroeger hadden partijgenoten volgens hem meer voor elkaar over en ook vond hij dat er weinig bereikt was in die vijfentwintig jaar.

In een wat lugubere fantasie overdacht Domela Nieuwenhuis in zijn autobiografie in 1910 hoe zijn eigen begrafenis er in 1884, 1888, 1893 en 1898 zou hebben uitgezien, compleet met prominente sprekers. De sprekers wisselden, de enigen die van het begin af trouw en zwijgend aan de groeve van Domela stonden waren K. Ris en Penning.

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis; Vliegen, Dageraad I-II; De Vrije Socialist, 2 en 3.4.1904; Het Volk, 20.9.1904; De Vrije Socialist, 21.9.1904; F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910); Morgenrood, 1917, 170-171; J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933) 4, 17; A.C.J. de Vrankrijker, Het wervende woord (Amsterdam 1950) 18, 41; A. Scheffer, Ome Jan. Het leven van Jan van Zutphen (Amsterdam 1958); P.J. Meertens, 'Penning (Paulus Jacobus)' in: Mededelingenblad, 1966, nr. 28, 10-12; H. Wouters (red.), Documenten betreffende de geschiedenis der [Belgische] Arbeidersbeweging... (1866-1880) II (Leuven 1971) 679, 842-843; J. Charité, De Sociaal-Democratische Bond als orde- en gezagsprobleem voor de overheid (Den Haag 1972); H.J. Scheffer, Henry Tindal (Bussum 1976) 89-90; D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

P.J. Penning, IISG

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 171-173
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003