POLAK, Henri

Henri Polak

(roepnamen: Han, Harry, Henri, Henry), vakbondsleider en sociaal-democratisch politicus, is geboren te Amsterdam op 22 februari 1868 en overleden te Laren op 18 februari 1943. Hij was de zoon van Mozes Polak, diamantslijper en juwelier, en Marianne (Jane) Smit. Eliazer Polak was een jongere broer van hem. Op 9 augustus 1888 trad hij in het huwelijk met Emily Nijkerk, met wie hij de zoon van zijn jongere broer Joseph adopteerde.
Pseudoniemen: Han van de Botermarkt, Cirsium Palustre, Quinbus Flestrin, Socius, Triboulet.

De socialist Polak was precies een halve eeuw actief betrokken bij het politieke en maatschappelijke leven van zijn tijd. In 1890 werd hij op 22-jarige leeftijd lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Vanaf dat moment tot mei 1940 trachtte hij in vele functies vorm te geven aan zijn socialistisch ideaal. Hoe Polak socialist werd, is niet helemaal duidelijk. Door zijn achtergrond en opvoeding leek hij eerder voorbestemd om juwelier of diamanthandelaar te worden dan arbeidersleider. Polak werd in Amsterdam geboren als oudste kind van een brillantslijper, die zich tijdens de Kaapse tijd opwerkte tot zelfstandig juwelier, en als kleinzoon (via zijn moeder) van een niet onbemiddeld antiquaar. Na een joodse lagere school van enige standing te hebben doorlopen - hij was toen dertien jaar - liet zijn vader hem tot brillantsnijder opleiden. Daardoor leek voor hem een goed inkomen als ambachtsman verzekerd en kon hij bovendien de voor een toekomstig juwelier noodzakelijke vakkennis opdoen. Van 1887 tot 1890 werkte Polak in Londen. Dit verblijf in de Britse metropool was voor hem van belang, omdat hij er goed Engels leerde, zijn vrouw Emily Nijkerk vond en via een zeepkistredenaar kennis maakte met Het Communistisch Manifest van K. Marx en Fr. Engels. De ook nu nog veelvuldig verkondigde mening als zou hij in Londen het Britse vakbondswezen hebben bestudeerd, verwees Polak al tijdens zijn leven naar het rijk der fabelen.

Van groter belang voor Polaks ontwikkeling tot socialist dan zijn Londense ervaringen lijkt overigens het feit dat hij na zijn terugkeer in Amsterdam emplooi kreeg op het atelier van Andries van Wezel. Daar werkte hij niet alleen samen met geestverwanten zoals Bram Loopuit, Herman Kuijper en Dolf (A.S.) de Levita, maar maakte hij ook kennis met de vriend van zijn patroon: Franc van der Goes. Deze werd de geestelijke leidsman van het trio Polak, De Levita en Bram Loopuits jongste broer Jos. Hij stimuleerde hun belangstelling voor kunst en cultuur, wees hun de weg in de doolhof van het marxistisch socialisme en maakte van hen overtuigde voorstanders van het parlementair socialisme. Door hun binding aan Van der Goes raakten zij ook betrokken bij diens persoonlijk gekleurde controverse met F. Domela Nieuwenhuis. De periode van 1890 tot 1894 was voor Polak een leertijd waarin hij voor zijn latere loopbaan belangrijke kennis en ervaring verwierf op het gebied van de journalistiek, de politiek en de vakorganisatie. In 1891 en 1893 werd hij achtereenvolgens secretaris van de afdeling Amsterdam en van de Centrale Raad van de SDB. Wegens zijn parlementair-socialistische opvattingen moest hij echter al binnen een paar maanden de Centrale Raad verlaten. Samen met De Levita, Jos Loopuit en Kuijper blies hij in 1892 de in feite socialistische Nederlandsche Diamantbewerkers Vereeniging (NDV) nieuw leven in. Weliswaar kreeg deze bond niet veel leden, maar via het onder anderen door Polak geredigeerde blad De Diamantbewerker had de NDV toch wel zoveel invloed op de lange tijd nogal behoudende joodse diamantbewerkers dat deze in november 1894 massaal gehoor gaven aan de oproep van zijn bestuurders om zich aan te sluiten bij de stakende christen-chipsslijpers. Nieuwe journalistieke ervaring deed Polak op, toen hij in september 1893 in de redactie van het weekblad De Nieuwe Tijd zitting nam naast P.J. Troelstra en Van der Goes. Kort hierna kregen hij en Troelstra echter zo'n hooglopende ruzie, dat Van der Goes slechts met de grootste moeite gedaan kreeg dat beiden samenwerkten bij de oprichting van de SDAP in augustus 1894. De ruzie tussen Polak en Troelstra betrof onder andere de 'Panama-kwestie'. De beschuldiging van corruptie in de gelederen van de SDB kwam aan de orde op het Groninger congres. Volgens Polak hield Troelstra zich niet aan zijn afspraak dat deze zelf na het uitspreken van de beschuldiging door Polaks vriend De Levita zijn gewicht in de schaal zou leggen.

Polak, wiens werkelijke ambitie meer in de richting van de journalistiek en de politiek ging dan in die van de vakbeweging, kon toen niet vermoeden dat hij een paar maanden later tot voorzitter zou worden benoemd van een vakbond, die meteen de grootste van Nederland werd, en dat hij bovendien deze functie ruim 45 jaar zou vervullen. De onmiddellijk na de novemberstaking opgerichte Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB) werd Polaks opus magnum, waar hij zich soms meer met handen en voeten aan gebonden dan met hart en ziel mee verbonden voelde. Dat de ANDB uiteindelijk een modelvakbond werd, is in hoofdzaak te danken aan Polaks bijzondere bekwaamheden. Zeker: de diamantbewerkers konden door hun relatief hoge lonen een flinke vakbondscontributie betalen, nodig voor onder andere het bezoldigen van vrijgestelde bestuurders, het uitgeven van een behoorlijk weekblad en het vormen van een weerstandskas ter financiering van langdurige en omvangrijke stakingen en uitsluitingen. De omstandigheid dat de hele Nederlandse diamantindustrie zich in Amsterdam bevond, vergemakkelijkte bovendien het contact van het bondsbestuur met de leden. Even zo veel factoren werkten echter ook in het nadeel van de ANDB. Zo bestonden er onder de Amsterdamse diamantbewerkers aanvankelijk talloze moeilijk te overbruggen tegenstellingen van sociaal-economische, politieke en godsdienstige aard. Verder ondervond de ANDB veel hinder van het feit dat juweliers die de Amsterdamse lonen te hoog vonden, gemakkelijk hun industrie geheel of gedeeltelijk naar het buitenland konden verplaatsen. Polak en in het begin ook Kuijper getroostten zich daarom veel moeite om in de buitenlandse industriecentra diamantbewerkersbonden te creëren, die in overleg met de ANDB konden zorgen voor arbeidsvoorwaarden gelijkwaardig aan die welke in Amsterdam golden. Belangrijke stappen in die richting waren de benoeming in 1897 van Polak tot internationaal secretaris van de diamantbewerkersbonden en de vorming in 1903 van het Wereldverbond van Diamantbewerkers, dat Polak tot 1940 als voorzitter leidde.

Gebrek aan ervaring en kennis maakten dat Polak en zijn medebestuurders aanvankelijk al improviserend moesten ontdekken welke tactiek voor hun bond de meest geschikte was en hoe zij deze het best konden inrichten. Pas na een paar jaar begon Polak door studie van het Engelse vakbondswezen zijn practijkervaring theoretisch te funderen. Wel wist Polak al meteen wat hij met de ANDB wilde bereiken. Hij wilde diamantbewerkers welvarender maken en hen bovendien ontwikkelen tot klassebewuste solidaire socialisten met belangstelling voor kunst en wetenschap. Beide doeleinden waren echter niet altijd makkelijk met elkaar te verenigen. Zo bracht de aard van de diamanteconomie met zich mee dat de Bond terwille van de welvaart van zijn leden via een leerlingenregeling het arbeidsaanbod drastisch verminderde. Door het closed-shopsysteem kwamen de Amsterdamse diamantbewerkers echter wel in een ten opzichte van andere arbeiders bevoorrechte positie te verkeren. Typerend voor Polaks pragmatisch idealisme was echter het feit dat hij enerzijds alles in het werk stelde om de bondsleden een hoger inkomen en meer vrije tijd te bezorgen, maar tegelijk ook ruimschoots aandacht besteedde aan het tweede meer ideële deel van zijn hervormingsprogramma. Praktische lessen in socialistische solidariteit gaf Polak door de bondsleden er toe te bewegen ruime financiële steun te verlenen aan stakende of uitgesloten arbeiders in andere branches. Uitgaande van de gedachte dat de mens niet bij brood alleen zal leven en dat kennis macht is, probeerde hij de diamantbewerkers te beschaven, dat wil zeggen goede manieren bij te brengen, en tevens hun belangstelling voor kunst en wetenschap te wekken: via artikelen in het Weekblad van de ANDB of het maandblad Het Jonge Leven, door het houden van lezingen over zo uiteenlopende onderwerpen als Richard Wagner en William Morris, door H.P. Berlage een fraai bondsgebouw te laten ontwerpen, door in dat gebouw een ruim gesorteerde boekerij in te richten enzovoorts. Polaks propaganda voor het socialisme binnen de Bond bleef echter enigszins verhuld zolang de ANDB terwille van de eenheid van de diamantbewerkers in naam neutraal moest zijn (dat was tot 1902). Daarna betrok hij de diamantbewerkers ook rechtstreeks in de politieke strijd van de socialisten.

Tot 1898 nam de opbouw van de ANDB en van buitenlandse diamantbewerkersbonden zoals de Belgische Algemeene Diamantbewerkersbond Polak zo zeer in beslag dat hij nauwelijks tijd vond voor andere zaken. Naast de indrukwekkende hoeveelheid arbeid die hij ook na 1898 voor diamantbewerkers bleef verzetten, ontplooide Polak vanaf dat moment als socialist nog in vele andere functies een grote activiteit. In 1898 werd hij lid van het partijbestuur van de SDAP en opperde hij in de brochure Federatie van vakvereenigingen (Amsterdam 1898) voor het eerst een plan om te komen tot een moderne vakbondscentrale, die meer praktisch nut zou opleveren dan het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). In 1899 werd Polak voorzitter van de Amsterdamsche Bestuurdersbond. Het jaar daarop nam hij zitting in de Commissie van Beheer van Het Volk en in de Commissie voor de Statistiek. Met P.L. Tak richtte hij in 1901 de coöperatie De Dageraad op. Ondertussen had hij nog tijd gevonden voor diverse vertalingen, waaronder van Sidney en Beatrice Webb de Geschiedenis van het Britsche vakvereenigingsleven. Van 1901 tot 1905 presideerde Polak de SDAP. In 1902 werd hij in de Tweede Kamer gekozen voor het kisdistrict Amsterdam III, nadat Troelstra had geopteerd voor Leeuwarden. Door het Tweede Kamer lidmaatschap kon hij worden gekozen tot lid van de Eerste Kamer. Eveneens in 1902 was zijn verkiezing tot eerste socialistisch gemeenteraadslid van Amsterdam. Als vakbondsleider bewees Polak in 1902 en 1904 zijn absoluut meesterschap door na respectievelijk drie en vier maanden uitsluiting de ANDB een klinkende overwinning te bezorgen. Sindsdien zagen de juweliers meer heil in communicatie dan confrontatie en vermeden grote conflicten met de Bond. In 1905 achtte de tegelijk resolute en voorzichtige Polak eindelijk de tijd rijp om uitvoering te geven aan zijn oude plan: de oprichting van een centrale van moderne vakbonden. Op 1 januari 1906 begon deze onder de naam Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (NVV) met Polak als eerste voorzitter zijn werkzaamheden. In 1910 nam Polak zijn laatste belangrijke initiatief ten behoeve van de Nederlandse arbeidersklasse. Uit naam van de ANDB richtte hij toen de Centrale Commissie voor Arbeidersontwikkeling op en werd haar eerste voorzitter.

Met zijn verkiezing tot lid van de Eerste Kamer in 1913 werd bij Polak in feite een proces van geleidelijk zich terugtrekken uit het centrum van de Nederlandse arbeidersbeweging voltooid. Zijn toenemende doofheid (voor een melomaan als Polak een hard gelag), zijn introverte behoefte om zich terug te trekken in de stilte van de natuur, maakte dat hij in 1906 dankbaar Berlage's aanbod aanvaardde om voor hem een huis te bouwen in het toen nog landelijke Laren. Ook werd gaandeweg duidelijk dat Polak weliswaar ruimschoots voldoende kennis bezat voor de grote politiek, maar niet over het voor een politicus even belangrijke vermogen beschikte om terwille van de zaak te schipperen. Zijn persoonlijke charme en goedmoedigheid ten spijt, was Polak iemand van nogal steile principes, die met de nodige felheid en sarcasme zich af kon zetten tegen diegenen die het volgens hem niet bij het rechte eind hadden. Fel trok hij van leer tegen anarchisten en syndicalisten binnen en buiten de ANDB rond 1900. Heftig bestreed hij in 1906 de NAS-leiders toen deze via de staking op de Bamshoeve het jonge NVV klein probeerden te krijgen. En in 1909 vervulde het besluit op het Deventer Congres om de marxisten uit de partij te zetten hem met zoveel weerzin dat hij, om niet langer met revisionistische partijgenoten samen te hoeven werken, aftrad als voorzitter van het NVV.

Een revolutionair marxist was Polak overigens alles behalve, zoals blijkt uit zijn duidelijke veroordeling van Troelstra's revolutieoproep in 1918. Met de marxistische intellectuelen verbond hem de liefde voor de cultuur en in het bijzonder voor William Morris. Evenals Morris projecteerde Polak zijn socialistisch toekomstideaal terug naar het voorindustriële tijdperk. Met Morris gaf hij de kapitalistisch georganiseerde industrie de schuld van de afbraak van stedeschoon en milieuverontreiniging. Al in 1909 stelde hij de vraag: 'Moeten de klare rivieren bestemd worden tot afvoerriolen van het fabriekswater?' Als socialist vond Polak dat het schone en het goede uit het verleden voor het hele nageslacht moest worden behouden. Vandaar dat hij zowel het stede- en natuurschoon als de taal als monument beschouwde waar geen tittel of jota aan mocht worden veranderd. Zo was de spelling Marchant hem een gruwel. In de jaren twintig besteedde Polak steeds meer aandacht aan milieubescherming. Hij werd toen bestuurder van Heemschut, de Vereeniging de Hollandsche Molen en de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Hij begon aan een reeks publikaties op dit gebied, waarvan Het kleine land en zijn groote schoonheid (Amsterdam 1929) het bekendst werd. In 1932 beloonde de universiteit van Amsterdam zijn culturele activiteiten met een eredoctoraat.

Vanaf 1920 stond Polaks openbare activiteit meer en meer in het teken van de verdediging van hen die het meest aan hem te danken hadden en die op hun beurt zo'n belangrijke bijdrage hadden geleverd aan de emancipatie van de Nederlandse arbeiders: de Amsterdams-joodse diamantbewerkers. In hun economisch bestaan werden zij bedreigd door de sinds de electrificatie van het platteland niet meer te stuiten groei van de Belgische buitenindustrie, door de hardnekkige pogingen van Zuidafrikaanse nationalisten terwille van arme blanken een inheemse diamantindustrie te vestigen en door de crisis van 1929. Weliswaar betekende de mede door Polaks weerbaarheid veroorzaakte val van de nationalistische regering in 1933 het voorlopige einde van de Zuidafrikaanse diamantindustrie, maar helaas kwam hierdoor toch geen werkelijk herstel van de Amsterdamse diamantnijverheid op gang. Polak, die in 1929 nog constateerde dat het politieke antisemitisme althans in Nederland niet meer bon ton was, maakte zich zodra de nazi's in Duitsland de macht overnamen geen enkele illusie over hun bedoeling met de joden. Hij begreep dat het leven van miljoenen joden, ook van de Amsterdamse, op het spel stond. In zijn vaste wekelijkse rubriek in Het Volk, de 'Kroniek', maar ook in de Eerste Kamer veroordeelde hij dan ook met de hem eigen felheid elk pacteren met nazi's in binnen- en buitenland en wees hij steeds weer op de bedreiging die de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) voor de hem zo dierbare democratie vormde. Hij drong dan ook aan op een verbod van deze partij. Sinds de socialistische conferentie van Stockholm in 1917 meende Polak weliswaar dat vestiging van vervolgde joden in Palestina zinvol was en bleek hij ook bereid hieraan mee te werken. Een echte zionist werd hij echter nooit. Daarvoor voelde hij zich te zeer met Nederland verbonden. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was zijn enige hoop gevestigd op een massareddingsactie van Europese joden vanuit Engeland en Amerika. In juli 1940 werd Polak gearresteerd. Na een verblijf van een half jaar in het Amsterdamse Huis van Bewaring werd hij ten huize van een NSB-arts in Wassenaar vastgehouden. Bij zijn toch wel onverwachte vrijlating in juli 1942 voelde Polak zich, zoals hij tegenover een vriend verklaarde, wel gebogen maar niet gebroken. Op 17 februari 1943 overleed Polak in een Nederlands ziekenhuis aan longontsteking: net op tijd om niet te worden gedeporteerd. Zijn vrouw Milly stierf in mei 1943 in het doorgangskamp Westerbork.

Archief: 

Archief H. Polak in IISG; in de archieven van de ANDB en de SDAP bevinden zich ook stukken afkomstig van H. Polak (Amsterdam; vgl. Campfens, 214, 78-79 en 33-34).

Publicaties: 

Behalve de genoemde De strijd der diamantbewerkers (Amsterdam 1896); De vakvereeniging. Eenige beschouwingen over haar doel, inrichting en wijze van werken (Amsterdam 1905); Geillustreerde encyclopaedie der diamantnijverheid (door F. Leviticus m.n.v. Henri Polak; Haarlem 1908); 'Revolutionnaire poëzie' in: De Socialistische Gids, 1918, 543-565, 661-675, 750-762, 923-939; De vakvereeniging. Een beknopte beschouwing van haar wezen en geschiedenis (Amsterdam 1922); Het wetenschappelijk antisemitisme (Amsterdam 1936); Amsterdam die groote stad... (Amsterdam 1936).

Literatuur: 

C.A. van der Velde, De A.N.D.B. (Amsterdam 1925); H. Heertje, De diamantbewerkers van Amsterdam (Amsterdam 1936); O. Montagne, J. Winkler (red.), Doctor Henri Polak. Van het vuur dat in hem brandde (Amsterdam 1948); S. Bloemgarten, 'De tweede Internationale en de geboorte van de SDAP (1889-1896)' in: TvSG, 1981, 101-141; Martin van Amerongen e.a., Voor buurt en beweging. Negentig jaar sociaal-democratie tussen IJ en Amstel (Amsterdam 1984); S. Bloemgarten, 'Henri Polak, a Jew and a Dutchman' in: Dutch Jewish History (Jerusalem 1984) 261-278; S. Bloemgarten, 'De vlegeljaren van de amsterdamse joodse socialisten: 1890-1894', in: 78ste Jaarboek Genootschap Amstelodamum (Amsterdam 1986) 135-176; S. Bloemgarten, 'Het socialisme van Henri Polak' in: BNA, nr. 14, augustus 1987, 2-19; H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland (SDP) (Amsterdam 1989); M. van der Heijden, W. van Agtmaal, Henri Polak: grondlegger van de moderne vakbeweging 1868-1943 (Amsterdam 1991); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat: 1868-1943 ('s-Gravenhage 1993); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda (Den Haag 1993); M. Buschman, Tussen revolutie en modernisme. Geschiedenis van het Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland 1893-1907 (Den Haag 1993); E. Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland (Amsterdam 1999); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001); M. van der Heijden, De Burcht. Het bondsgebouw van H.P. Berlage, R.N. Holst en de ANDB (Amsterdam 20012); J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002).

Portret: 

H. Polak, IISG

Auteur: 
Salvador Bloemgarten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 107-112
Laatst gewijzigd: 

11-08-2004