POLAK KERDIJK, Arnoldus

Arnoldus Polak Kerdijk (Arnold Kerdijk)

(bekend als Arnold Kerdijk), progressief liberaal en mede-oprichter van het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen, werd geboren te Rotterdam op 24 mei 1846. Op 16 maart 1905 werd zijn stoffelijk overschot in de Isar nabij München gevonden. Hij was de zoon van Simon Andries Polak Kerdijk, commissionair in effecten, en Elizabeth Bezeth. Op 1 juni 1876 trad hij in het huwelijk met Elisabeth Sara (Nora) Matthes, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg. De familienaam Polak Kerdijk werd in 1859 gewijzigd in Kerdijk.

Kerdijk groeide op in een joods gezin met drie kinderen. Zijn vader was koopman. Zijn moeder stamde uit een Rotterdams industrieel geslacht. De familienaam was eigenlijk Polak, bij Arnolds vader was daar Kerdijk aan toegevoegd. In 1859 werd de naam Polak officieel geschrapt. Kerdijk kreeg privé-onderwijs bij een docent in Vianen. In september 1863 ging hij rechten studeren in Utrecht, waar hij in 1871 doctoraalexamen deed. Ook behaalde hij het kandidaats letteren. Hij begon aan een proefschrift over het arbeidersvraagstuk en nam daarvoor contact op met B.H. Pekelharing, een van de initiatiefnemers van het Comité ter bespreking der Sociale Quaestie. Dit was het begin van een levenslange vriendschap. Kerdijk stond onder invloed van de Utrechtse hoogleraar C.W. Opzoomer, een goede vriend van zijn vader, die hem stimuleerde een brochure over leerplicht te schrijven. Maar volgens H.P.G. Quack weerhield Opzoomer Kerdijk ervan voor zijn dissertatie met hem contact op te nemen. Zijn dissertatie verscheurde hij vanwege een verbroken verloving toen deze bijna af was. In maart 1873 promoveerde hij alsnog in de rechten op 31 stellingen waarvan een aantal zijn maatschappelijke betrokkenheid en zijn progressief liberale oriëntatie weerspiegelden. Pekelharing wist Kerdijk te betrekken bij het Comité ter bespreking der Sociale Quaestie, maar naar de opvolger, het in 1879 opgerichte Comité voor het Algemeen Stemrecht, ging Kerdijk niet mee omdat de meeste arbeiders volgens hem nog niet aan het kiesrecht toe waren. In 1883 veranderde Kerdijk, die in 1877 tevergeefs geprobeerd had Kamerlid te worden, van mening. Hij was teleurgesteld door het uitblijven van een betere wet op de kinderarbeid en een wet op het onderwijs, die zouden bijdragen aan de verheffing van de arbeiders. Na zijn promotie werd hij onbezoldigd hoofdopziener voor het lager onderwijs in Zuid-Holland. Ook was hij secretaris van de Nederlandsche Vereeniging tot bevordering van Volksonderwijs uit 1876 (tot 1880). Kerdijk vestigde zich in Delft.

In 1873 woonde Kerdijk een congres van de Britse coöperatiebeweging bij in Newcastle. Op het coöperatiecongres in Utrecht hield hij een inleiding over 'winkelvereenigingen' en in 1874 stichtte hij met zijn zwager J.C. van Marken de verbruikscoöperatie De Delftsche Winkelvereeniging. In hetzelfde jaar nam hij als secretaris zitting in de Commissie voor de Coöperatie. In deze hoedanigheid propageerde hij de verbruikscoöperatie en hield voordrachten door het hele land. Van de op het tweede coöperatiecongres in 1875 gevormde Vereeniging tot bevordering der Coöperatie in Nederland maakte Kerdijk met Pekelharing, O. Rommerts en H. Goeman Borgesius deel uit van het bestuur. Later raakte hij evenwel teleurgesteld in deze beweging en keerde hij zich van de coöperatiegedachte af. Bij een herindeling van de onderwijsinspectie kwam Kerdijks post te vervallen. Hij wilde echter een nieuwe, bezoldigde baan niet accepteren om niet de verdenking op zich te laden dat hij voor bezoldiging had geijverd uit eigen belang. Deze opstelling toont zijn integriteit, omdat bezoldiging op dat moment wel degelijk belangrijk voor hem was. Door het Pincoffs-schandaal in de Rotterdamse haven, waar een broer van zijn vader bij was betrokken, was de financiële positie van de familie ernstig ondermijnd. In 1880 werd Kerdijk de eerste directeur bij de Rijkspostspaarbank in oprichting. Spaarbanken behoorden tot de hoofdpunten van Kerdijks programma. Als schoolopziener had hij al met onderwijzers overlegd over mogelijkheden om de leerlingen te laten sparen. Bij de Rijkspostspaarbank bereidde hij tussen november 1880 en april 1881 de opening voor. Maar een maand daarna kreeg hij al weer op eigen verzoek eervol ontslag. Kerdijk stelde zich nu kandidaat voor de net vrijgekomen post van algemeen secretaris van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Hoewel het hoofdbestuur hem bovenaan de voordracht plaatste, werd hij toch maar met een nipte meerderheid verkozen. Zijn progressieve denkbeelden stuitten op bezwaren. Mogelijk speelden ook antisemitische gevoelens een rol. Dat zijn ideeën vooruitstrevender waren dan die van de meerderheid van het Nut betekende dat deze instelling niet het werktuig tot het realiseren van sociale veranderingen werd, waarop hij gehoopt had. Een van zijn plannen betrof het opzetten van een weekblad. Het hoofdbestuur stemde hiermee in. Op 1 januari 1887 verscheen het eerste nummer op eigen risico van Kerdijk en de uitgever Tjeenk Willink. Het blad viel echter verkeerd bij de 'departementen' van het Nut, die het hoofdbestuur niet toestonden dit als blad van het Nut uit te geven. Dit was voor Kerdijk aanleiding zijn functie neer te leggen. Het feit dat hij in dat jaar voor Amsterdam in de Tweede Kamer was gekozen heeft die beslissing waarschijnlijk vergemakkelijkt. Het als orgaan van het Nut bedoelde blad gaf Kerdijk nu uit onder de naam Sociaal Weekblad. Hij voerde de redactie alleen tot hij in 1892 om gezondheidsredenen gedwongen was deze aan M.W.F. Treub over te dragen. Iedere week schreef hij een artikel. Tot de vaste medewerkers hoorden Van Marken, Hélène Mercier, H.P.G. Quack en Pekelharing. Daarnaast was Kerdijk dertig jaar lang, vanaf de oprichting in 1874, redacteur van Vragen des Tijds, de spreekbuis van progressieve liberalen. Ook schreef hij enige brochures. Als een van de eersten publiceerde hij in 1879 een biografie van Karl Marx. Hij deed daarin een poging diens leer te weerleggen, al had hij daarvoor wel begrip en waardering. Het concept van de klassenstrijd stond echter lijnrecht tegenover Kerdijks idee van klassenverzoening. Overigens liet Marx, die indirect door Kerdijk benaderd was en zich in de schets niet herkende, in een brief aan F. Domela Nieuwenhuis blijken weinig waardering te hebben voor 'zulke luizebeten', 'dergelijk literair gekef' van 'een schoolinspecteur of something of that sort'.

Na zijn verkiezing in de Tweede Kamer in 1887 zegde hij zijn lidmaatschap van de Amsterdamse gemeenteraad (vanaf januari 1884) op. Kamerlid bleef hij tot zijn gezondheid in 1901 hem dwong te stoppen. Kerdijk werd in de Kamer niet alleen gewaardeerd om zijn werkkracht, maar ook om zijn heldere betoogtrant. Hoewel hij zich kon laten meeslepen door zijn onderwerp bleef zijn betoog logisch. Met het klimmen der jaren werd zijn stem als gevolg van een keelaandoening die niet wilde genezen en het vele spreken steeds schorder. Als Kamerlid werd Kerdijk voorzitter van een van de drie afdelingen van de koninklijke nijverheidsenquête, de voortzetting van de parlementaire enquête van 1886-1887. Kerdijks afdeling richtte zich op de nijverheid in de omgeving van Amsterdam en Leiden. In 1892 werd een Centrale Commissie voor de Statistiek opgericht en Kerdijk was vanaf het begin lid en na zes jaar werd hij voorzitter. Ook internationaal bewoog hij zich op het terrein van de statistiek.

Kerdijk was een actieve man, die bij alles wat hem aansprak daadwerkelijk betrokken wilde zijn. Hij ontplooide ook buiten de Kamer veel activiteiten. Zo was hij enige tijd bestuurslid van de Nieuw-Malthusiaansche Bond en van Ons Huis, een Toynbeevereniging, opgericht in 1892 te Amsterdam. Ook bij de Haagse Ons Huis-vereniging, die in 1895 tot stand kwam, was Kerdijk betrokken. Een van de oprichters van de Amsterdamse vereniging was Hélène Mercier. Zij en Kerdijk stonden in 1896 aan de wieg van de Bouwonderneming 'Jordaan' die de slechtste delen van deze oude volksbuurt wilde saneren. Toen er een initiatief werd ontplooid om een School voor Maatschappelijk Werk op te richten, werden zij beiden ook benaderd. Kerdijk werd voorzitter van het bestuur van de school die in 1899 te Amsterdam werd opgericht en gaf er ook enige lessen. In hetzelfde jaar werd een geesteskind van Kerdijk ten doop gehouden, het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen. Het doel was het verbeteren van de maatschappelijke positie van de arbeider 'met terzijdestelling van de bevordering van enig partijbelang'. In het breed samengestelde bestuur hadden verder A. Ariëns, A.S. Talma, Van Marken en W.H. Vliegen zitting. Het bureau verstrekte rechtskundige bijstand en adviezen aan arbeidersorganisaties en verzamelde en verspreidde voor deze relevante gegevens. De bibliotheek kwam uiteindelijk na de opheffing van het CBSA in 1923 in de collectie van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis terecht. In 1901 was Kerdijk met Treub, H.P. Marchant en C.V. Gerritsen een van de oprichters van de Vrijzinnig-Democratische Bond. Met het vorderen van zijn leeftijd ging zijn slechte gezondheid hem steeds meer parten spelen. De aanvallen van zwaarmoedigheid, die hem zijn hele leven al gekweld hadden, werden heviger na het overlijden in 1900 van zijn moeder, op wie hij zeer gesteld was, en van zijn vrouw in 1902. Daarbij kwamen financiële zorgen. Kerdijk gaf gul aan wie het nodig had, soms meer dan hij zelf kon missen. Mogelijk dreef dit alles hem er toe tijdens een reis in Beieren een eind aan zijn leven te maken.

Publicaties: 

Leerplichtigheid (Utrecht 1870); Coöperatie. I. Over winkelvereenigingen. Een woord in de eerste plaats tot werklieden gericht (Utrecht 1873); Karl Marx (Haarlem 1879); Wettelijke beperking van arbeidsvrijheid en arbeidstijd voor kinderen, jeugdige werklieden en vrouwen (Nijmegen 1886); De Leerplichtwet (Wet van 7 juli 1900, staatsblad No. 111) en de daarbij behoorende uitvoeringsmaatregelen, met aanteekeningen ontleend aan de schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling tusschen regeering en Staten-generaal (Haarlem 1902).

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis, 141-143; B.H. Pekelharing, 'Mr. A. Kerdijk' in: Mannen en vrouwen van beteekenis, 1906, 247-304; H.P.G. Quack, Herinneringen (Amsterdam 1915, Nijmegen 1977) 395-397, 400-402; J. Otten, De ontwikkeling der verbruikscoöperatie in Nederland (Amsterdam 1924); E.L.J. van den Abeelen, Geschiedenis van de Verbruiks-Coöperatie in Nederland tussen de jaren 1860 en 1880 (Amsterdam 1947) 132-135; A. Postma, De mislukte pogingen tussen 1874 en 1889 tot verbetering en uitbreiding van de kinderwet-Van Houten (Deventer 1977); G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland, 1872-1901 ('s-Gravenhage 1980); W.W. Mijnhardt, A.J. Wichers (red), Om het algemeen volksgeluk. Twee eeuwen particulier initiatief 1784-1984. Gedenkboek … Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (Edam 1984); M. Braun, De prijs van liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1992); S. Dudink, Deugdzaam liberalisme. Sociaal-liberalisme in Nederland 1870-1901 (Amsterdam 1997); M. Grever, B. Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998).

Portret: 

A. Polak Kerdijk, uit: De Rijkspostspaarbank 1881-1931 (Den Haag 1931) t.o. 6

Auteur: 
Rik Vuurmans
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 160-163
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002