POSTMA, Jan

Jan Postma

sociaal-anarchist en hoofd van de tweede illegale leiding van de Communistische Partij in Nederland, is geboren te Amsterdam op 18 februari 1895 en terechtgesteld in Scheveningen op 31 juli 1944. Hij was de zoon van Jan Postma, huisschilder, en Klaaske van der Wey. In oktober 1922 ging hij een vrij huwelijk aan en op 23 september 1931 trouwde hij met Petronella Jacoba (Nel) Wessels, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.

De grote landbouwcrisis verdreef de ouders van Postma tegen het einde van de negentiende eeuw uit Friesland. In Amsterdam, waar de bouwactiviteiten een hoge vlucht namen, vond zijn vader werk, al bleef ook daar de werkloosheid hem niet bespaard. Hoewel de ouders van Nederlands Hervormde afkomst waren, lieten zij hun beide zonen niet meer dopen. In het gezin heerste een atheïstische en sociaal-democratische geest. Postma gaf blijk van een grote begaafdheid voor tekenen maar moest een aanbod van een beurs voor de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten afslaan. Het ouderlijk gezin kon zijn verdienste niet missen. Hij werd steendrukker (litograaf) en bezocht de avondtekenschool. Daar kon hij zijn artistieke aanleg enigszins ontwikkelen en had hij de mogelijkheid cliché-tekenaar (chemigraaf) te worden. Toen hij ging werken, sloot hij zich als vanzelfsprekend bij een vakbond aan. Dit moet de in 1906 opgerichte Algemeene Nederlandsche Chemigrafenbond geweest zijn, waarvan zowel protestanten, roomskatholieken als atheïsten lid waren. Dit karakter van eenheidsvakbond zal hem zeker in herinnering gebleven zijn. Bovendien was het een strijdbare bond. Als jongen maakte hij mee hoe zijn bond in harde stakingen bij bedrijven als Modern en Polygraph paal en perk probeerde te stellen aan de ongebreidelde jongensexploitatie. Anders dan de oude Algemeene Nederlandsche Typografenbond wenste de jonge Chemigrafenbond zich bij het NVV aan te sluiten, hoewel de confessionele leden hier niet voor voelden. In 1910 vond, na een splitsing, de aansluiting plaats en in 1912 gingen litografen, chemigrafen en fotografen samen in de Nederlandsche Lito-, Foto- en Chemigrafenbond. Van deze bond was Postma van 1924 tot 1930 onbezoldigd hoofd-bestuurder als gedelegeerde van de afdeling Amsterdam.

Aanvankelijk sympathiseerde Postma met de SDAP, maar de houding van deze partij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog schokte hem dermate dat hij zich rond 1915 hiervan afwendde. Hij sloot zich aan bij de Federatie van Sociaal-Anarchisten. Vooral met de leden van de Sociaal-Anarchistische Jeugd Organisatie (SAJO) had hij veel bemoeienis. Rond deze zorgzame man vormde zich een groepje jongeren, die er met elkaar op uit trokken en hun weekends en verdere schaarse vrije dagen kamperend doorbrachten. Zij zullen veel van hem opgestoken hebben en niet alleen op politiek gebied. Menige klassieke filosoof en schrijver had hij gelezen. Fr. Rabelais, Spinoza en C. Busken Huets Land van Rembrandt had hij in zijn bibliotheek. In oktober 1922 ging hij een vrij huwelijk aan met Nel Wessels, de secretaris van de Amsterdamse SAJO-groep. De meerderheid van de SAJO kwam onder invloed van Jo de Haas en Anton Constandse, die zich fel keerden tegen het bolsjewisme, de Sovjet-Unie en iedere vorm van vakorganisatie. Slechts een minderheid onder wie Daan Goulooze steunde de vakbondskoers van Postma. Het blad van de Federatie De Toekomst - vanaf oktober 1921 onder redactie van M. de Boer, C. Kitsz en Postma - droeg deze sympathie voor een strijdbare vakbond uit. Postma zette zich geleidelijk feller af tegen de individueel-anarchistische opvatting van vrijheid. Vol spot wees hij de opvattingen van H. Eikeboom over vrije liefde af. Deze konden de slavernij van vrouwen alleen maar vergroten. Vrijheid was iets anders dan ongebondenheid en verwerping van elke zelfbeheersing. Met Spinoza meende hij 'vrijheid is leven krachtens de noodwendigheid van ons eigen wezen'. Alleen in een onverbrekelijk verband met de medemensen kon men tot vrijheid geraken. Aan de discussie over de proletarische revolutie in sociaal-anarchistische kring nam Postma vanaf 1919 uitvoerig deel. Eerst ontvouwde hij zijn opvatting in De Toekomst en in 1923 in de brochure Strijd en middelen der sociaal-anarchisten en de diktatuur van het proletariaat. Hoewel zijn aanvaarding van de dictatuur van het proletariaat hem dicht in de buurt van de sovjet-communisten bracht, bleef hij deze eerst nog bestrijden. Hij verweet hen niet alleen parlementarisme maar ook, wat volgens hem erger was, het 'negeeren der geestelijke en zedelijke waarden, en het zich uitsluitend richten op de maatschappelijke toestanden en verhoudingen'. Bovendien waren communisten niet loyaal. Zij hadden altijd bijbedoelingen. Sympathie voor de Oktober-Revolutie dreef een grote groep sociaal-anarchisten evenwel op den duur toch naar de Communistische Partij in Nederland (CPN). De politieke neergang van anarchisme en syndicalisme zette in. Ten slotte sloot Postma zich niet aan bij de CPN waar hij zo fel op afgegeven had, maar bij de hiervan afgesplitste Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs (BKSP). In januari 1925 motiveerde Postma zijn lidmaatschap in het BKSP-blad De Kommunist. Zich bedwelmen aan radicale woorden was weinig bevredigend, het ging er om praktisch politiek iets te doen. Toen een half jaar later het grootste deel van het door D. Wijnkoop geleide partijbestuur van de CPN gedwongen was af te treden, riepen 23 BKSP-leden op tot de CPN toe te treden. Tot de ondertekenaars behoorden H. Sneevliet, E. Bouwman, Postma en Goulooze. J. de Kadt was hier fel tegen. Postma kwam wel in het CPN-bestuur maar was vooreerst vooral actief in zijn vakbond. Met kracht verzette hij zich tegen een ultra-radicale koers in de jaren 1925 tot 1929. Postma nam deel aan de constructieve oppositie van het door een groep NVV'ers - onder wie Edo Fimmen en Paul de Groot - uitgegeven blad Eenheid. Namens de CPN was hij een tijdlang redacteur van het theoretisch periodiek Klassenstrijd. Ook in de CPN kwam hij naar voren en werd secretaris van het district Noord-Holland en Utrecht. Hij voelde er eind jaren twintig niets voor sociaal-democraten en NVV-bestuurders als sociaal-fascisten te bestempelen, zoals de Komintern eiste. Ook aan de door de CPN in 1930 opgezette Roode Vakbonds Oppositie binnen NVV en Nationaal Arbeids-Secretariaat weigerde hij deel te nemen. In het nieuw gevormde partijbestuur werd de Kominterngetrouwe De Groot wel, maar Postma niet opgenomen.

De economische wereldcrisis en massale werkloosheid beroerden ook Postma diepgaand en maakten dat hij geen moeite meer had met de partijlijn. In 1932 keerde hij in het partijbestuur terug. Zijn vakbondsactiviteiten staakte Postma toen hij tegen het einde van dat jaar zonder werk raakte. Van deze gelegenheid maakte de partijleiding gebruik om hem een jaar naar Moskou te sturen als haar vertegenwoordiger bij de Executieve van de Komintern ter behartiging van de Nederlandse partijzaken en om daar politiek een en ander op te steken. Na zijn terugkeer kreeg hij tot taak leiding te geven aan de Nederlandse sectie van de Internationale Roode Hulp (IRH), die politieke gevangenen juridische en andere bijstand verleende en de publieke opinie trachtte te mobiliseren. Met het aan de macht komen van Hitler kreeg de IRH een omvangrijker taak. Het kantoor werd eind 1933 overgebracht naar een ruimere behuizing op de Bloemgracht in Amsterdam. De onderwijzer Piet de Smit deed het secretariaatswerk, Anton Winterink een deel van het redactiewerk en Friedl Baruch, teruggekomen uit Duitsland, was waardevol daar hij thuis was in de illegale Kommunistische Partei Deutschlands (KPD). In januari 1934 verscheen het laatste nummer van Roode Hulp en het royaal uitgevoerde en geïllustreerde blad Afweerfront werd nu het enige orgaan van de IRH. Op Postma en de zijnen rustte de zware taak honderden Duitse communisten een langdurig onderdak en de nodige eetadressen te verschaffen. De voortdurende razzia's van de politie bemoeilijkten dit werk. De strijd voor asylrecht was moeizaam en Postma beschikte over de vereiste taaie volharding en vindingrijkheid. Bij het toetsen van de politieke vluchtelingen op hun betrouwbaarheid via de illegale KPD en het afschermen van het IRH werk tegen infiltranten van de Nederlandse en Duitse politie werkte Postma nauw samen met Goulooze, wiens speciale taak het was de CPN en de met haar verbonden organisaties te beveiligen tegen spionage. Na het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog zamelde de IRH geld en medicamenten in, die Postma per vliegtuig overbracht en aan de Republikeinse regering in Spanje overdroeg. Bij die gelegenheid bezocht hij ook het front. Vanaf 1937 had Postma een actief aandeel in de scholing van de CPN. Naarmate De Groot het als leider meer voor het zeggen kreeg, raakte Postma op de achtergrond. Zijn vriendschap met Goulooze bracht hem in discrediet. Van het nieuwe partijbestuur in 1938 maakte hij geen deel meer uit. Hij zal het er niet gemakkelijk mee gehad hebben. Bovendien overleed op 15 maart 1938, net zes jaar oud, zijn dochtertje Marfa.

Toen de Duitse bezetting een feit was, droeg Lou Jansen Postma op zich uit het partijwerk terug te trekken, weer werk te zoeken als chemigraaf wat lukte en zich gereed te houden tot men hem nodig had. Postma vervalste een groot aantal persoonsbewijzen en voerde nu en dan een opdracht uit voor het geheime verbindingsapparaat van de Komintern, dat Goulooze leidde. In het begin van de illegaliteit werd zijn zoon Paul geboren. Het kind was een vreugde en zorg tegelijk. Het gezin bleef bij elkaar en zijn vrouw voerde vele opdrachten voor hem uit. Meer dan eens moesten zij met hun drieën vluchten en één keer zelfs in de buitenlucht overnachten. In oktober 1942 vroeg Jan Janzen die verantwoordelijk voor de CPN in Amsterdam en voor de hoofdstedelijke editie van De Waarheid was maar zich uit veiligheidsoverwegingen niet meer in deze stad ophield Postma hem bij besprekingen daar te vertegenwoordigen. Postma raakte snel bij steeds meer Amsterdamse illegale werkzaamheden betrokken en kreeg na de arrestatie van Janzen in februari 1943 de leiding. Vastberaden nam hij het heft in handen en bouwde 'steen voor steen' de zwaar gehavende Amsterdamse partij weer op, zoals Wim Puister het uitdrukte, die met Frits Reuter zelf lid was van deze nieuwe Amsterdamse leiding. Toen na de arrestatie in april 1943 van P. Vosveld, J. Dieters en Jansen, die deel uitmaakten van de landelijke leiding, het laatste lid hiervan, P. de Groot, onderdook en ieder verder contact weigerde, greep Goulooze in en vroeg G. Dimitrov, hoofd van de Komintern-leiding in Moskou, om advies. Deze raadde aan de meest vertrouwde en beproefde partijgenoot met het vormen van een nieuwe leiding te belasten. De keuze viel uiteraard op Postma. Aanvankelijk slaagde deze er niet in de leiding met enige oudgedienden aan te vullen, maar verzamelde wel jonge krachten om zich heen en ontplooide zelf de nodige activiteiten. Hij achtte het een dringende zaak de CPN ook meer tot zijn recht te doen komen als deel van het nationale verzet. Postma steunde het initiatief van enkele collega's van Jaap Voogd, een politieke geestverwant die bij Philips werkte, om vertegenwoordigers van protestanten, rooms-katholieken, sociaal-democraten en communisten in het verzet hun visie op de politieke toekomst te laten geven. Aan de brochure Om Neêrlands Toekomst (zomer 1943) werkte de CPN mee. Postma, Goulooze, Voogd en W. van Exter hadden bemoeienis met de CPN-bijdrage maar de definitieve tekst was van Postma's hand. Hij pleitte voor een parlementair-democratische weg naar het socialisme in Nederland en sprak zich uit voor een samengaan van sociaal-democraten en communisten en voor een eenheidsvakbeweging, 'waarin plaats is voor alle arbeiders, ongeacht hun godsdienstige of politieke richting'. Postma had een actief aandeel in een poging het totale gewapende verzet te bundelen door de vorming van de Raad van Verzet (RVV). Weldra kwam de gedachte op rond de RVV een krant uit te geven op een veel bredere grondslag dan De Waarheid. Postma, Goulooze, D. van der Meer, A.J. Koejemans en anderen werkten het plan voor een dergelijke krant uit, die ten slotte Appèl heette. Postma schreef het hoofdartikel voor het eerste nummer, dat in december 1943 moest uitkomen. Voor het zover was sloeg de Sicherheitsdienst toe. In oktober lukte het in contact te komen met oud-partijvoorzitter Ko Beuzemaker en de vroegere politiek secretaris C. Schalker. In Utrecht kwamen Postma en Goulooze met Beuzemaker en Schalker op 23 oktober voor het eerst bijeen. Een tweede bijeenkomst op 11 november in Utrecht liep mis. Door de arrestatie van Beuzemaker samen met zijn vrouw kon de SD Postma, Schalker en Goulooze arresteren toen zij van het station op weg naar de bijeenkomst waren. Schalker en Beuzemaker, die nog met hun landelijke illegale werk moesten beginnen en daardoor niets te melden hadden, werden snel veroordeeld en terechtgesteld. Pogingen Postma uit het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam te bevrijden mislukten. Gedurende zijn hele gevangenschap slaagde Postma er in contact te blijven houden met de illegale CPN en aanwijzingen te geven op grond van de informatie die de verhoren hem opleverde. Bezorgd was hij over zijn kameraden en niet over zichzelf. Hij wilde ook niet dat er te grote risico's genomen zouden worden om hem te bevrijden. Van de Weteringschans werd Postma overgebracht naar het kamp Vught. Hij kwam in een buitencommando, dat op het vliegveld Eindhoven werkte. Dit bood een nieuwe mogelijkheid voor een ontvluchting. Voor het zover was had hij ander werk. Daarna kwam hij via Amersfoort in de gevangenis Wolvenplein te Utrecht. De laatste kans Postma te bevrijden was een overval te plegen op de wagen die hem van de gevangenis naar het Obergericht bracht, waar het proces gevoerd werd. De wagen waarin dit gebeurde, was echter geblindeerd en dit deed de poging mislukken. De langdurige, zware verhoren met alle middelen waarover de SD beschikte, konden Postma niet breken. Volgens het verslag van de SD man E. Wehner verklaarde Postma nadrukkelijk zich voorgenomen te hebben geen namen te noemen: 'Ik ben bereid mijn illegale activiteit volledig te bekennen, maar ik wil geen verrader jegens anderen worden'. Wehner voegde hier aan toe: 'Postma is een hardnekkige overtuigde communist'. Op 20 april 1944 begon om half tien het proces dat eindigde met een doodvonnis. Dit werd op 31 juli in Scheveningen voltrokken. Wehner zou in maart 1945 te Amsterdam bij een poging enige illegale werkers te arresteren in een vuurgevecht gedood worden. De illegale Waarheid meldde dit onder de kop 'Jan Postma gewroken'. In de liefdevolle en zorgzame afscheidsbrief aan zijn vrouw schreef Postma: 'Het was misschien meer in overeenstemming met mijn aard geweest een rustig huisvader en goed vakman met vaste betrekking te worden, maar het is anders gegaan'. Op 22 februari 1975 werd in Amsterdam op de hoek van de Jan Postmahof en de Burgemeester de Vlugtlaan de door de beeldhouwer Frits Sieger gemaakte Jan Postmaplaquette onthuld.

Publicaties: 

Oorlog of vrede' in: Politiek en Cultuur, 1938, 725-729; 'Scholing en ontwikkeling' in: Politiek en Cultuur, 1939, 116-130.

Literatuur: 

In memoriam Jan Postma' in: De Waarheid, 16.8.1944; W. Puister, 'Jan Postma-fonds' in: De Waarheid, 23.1.1946; N. Postma, 'De eisen van de vrouw. "Jaar in de Sowjet-Unie het mooist van mijn leven" ' in: De Waarheid, 16.5.1946; 'Jan Postma in: De Waarheid, 24.7.1946; N. Rost, Goethe in Dachau (Amsterdam 1946); 'Hoe Nico Rost over Jan Postma dacht' in: De Waarheid, 3.7.1948; P. Malvezzi, G. Pirelli, De vrijheid sterft niet... Brieven van terdoodveroordeelden uit het europees verzet (Amsterdam 1956); 'Jan Postma' in: De Waarheid, 4.5.1960; W. Zwart, 'Jan Postma. Op 31 juli 1944 gefusilleerd' in: Wierings Weekblad, 31.7.1969; J. van Santen, in: De Nieuwe Linie, 2.8.1969; J. Morriën, 'Communist Jan Postma: leven vol activiteit' in: De Waarheid, 22.4.1978; F. Reuter, De Communistische Partij van Nederland in oorlogstijd. Herinneringen (Amsterdam 1978); G. Harmsen, Rondom Daan Goulooze. Uit het leven van kommunisten (Nijmegen 1980); J. Morriën, 'Hoe in de winter van 1944 werd gepoogd Jan Postma uit Vught te bevrijden' in: De Waarheid, 13.1.1981; H. Galesloot, S. Legêne, Partij in het verzet. De CPN in de tweede wereldoorlog (Amsterdam 1986); J.W. Stutje, De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986 (Amsterdam 2000); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).

Portret: 

J. Postma, particulier bezit

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 163-168
Laatst gewijzigd: 

14-02-2016 (gegevens huwelijk aangepast)