PRONK, Carlos

Carlos Pronk

pacifist en voorman Socialistische Unie, is geboren te Rotterdam op 30 augustus 1905 en aldaar overleden op 10 oktober 1980. Hij was de zoon van Maarten Pronk, conciërge bij een gasfabriek, en Angenietje Grootendorst. Op 14 december 1927 trad hij in het huwelijk met Catharina Johanna Verboom, met wie hij twee zoons kreeg. Op 2 oktober 1937 werd dit huwelijk ontbonden. Op 18 september 1940 trad hij in het huwelijk met Margarethe Elsa Rosa Prediger. 
Pseudoniem: Maartensz.

Pronk werd als nakomertje geboren in een remonstrants gezin met acht kinderen. Hij verloor zijn moeder toen hij zeven jaar was en zijn vader, die in 1914 hertrouwde, toen hij vijftien was. Vanaf 1920 werd hij door een ouder zusje opgevoed. In het gezin werd de communistische krant De Tribune gelezen en Pronk las ook het blad van de communistische jeugdbond De Zaaier, De Jonge Kommunist. Door zijn remonstrantse achtergrond voelde hij zich meer aangetrokken tot de Bond van Christen-Socialisten, die zich op een pacifistisch standpunt stelde. Hij was geheelonthouder en sloot zich aan bij de min of meer anarchistische en antimilitaristische Jongelingen Geheelonthouders Bond, maar in 1920 ging hij over naar De Zaaier. In 1922 behaalde Pronk zijn MULO-diploma (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) en begon aan een middelbare opleiding werktuigbouwkunde. Hij kreeg een betrekking als klerk bij het gemeentelijk ziekenhuis en daarna bij de Rotterdamse secretarie. Hij schreef toneelstukken en richtte de Socialistische Jonge Arbeiders Toneelvereeniging op, waardoor zijn toneelstukken konden worden opgevoerd. Hij gold in deze tijd als fel en niet-tot-compromissen-bereid, colporteerde met De Tribune en collecteerde voor de actie Hulp voor Hongerend Rusland. Zo leerde hij Dirk Struik kennen, die in Rotterdam verantwoordelijk was voor de scholing van communistische jongeren. Na zijn toetreding tot de Communistische Partij in Nederland (CPN), toen aangeduid als Communistische Partij Holland (CPH), behoorde Pronk tot de linkscommunistische oppositie onder leiding van Jacques de Kadt en Struik. In 1924 verliet Pronk samen met andere aanhangers van De Kadt de CPN. Voor de Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs (BKSP) organiseerde hij een eigen jeugdorganisatie, de Bond van Jonge Kommunisten. Bij het opheffen van de BKSP in 1927 sloot Pronk zich weer aan bij de CPN-afdeling in Rotterdam, waarvan de meeste leden naar de van de CPN afscheiden CPH-CC (Centraal Comité) van David Wijnkoop waren overgegaan. Via deze kleine afdeling kwam hij in contact met Anthoon Koejemans, Bertus Bouwman en andere linkscommunistische bestuurders van de bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat aangesloten Nederlandsche Federatie van Transportarbeiders. Pronk oriënteerde zich op de min of meer syndicalistische vakbewegingspolitiek van de CPN en had moeite met de gewijzigde koers die de partij voer na de fusie met de CPH-CC in 1930. Hij was het oneens met de nieuwe partijbestuurder Paul de Groot, die vanaf 1931 de Rode Vakbewegings-Oppositie leidde en zich op het Nederlands Verbond van Vakverenigingen richtte. Hierdoor kwam Pronk rond 1933 terecht bij de door Richard Manuel en Jacques Gans geleide Communistische Partij Oppositie. De opposanten, die het internationale karakter van het communisme belangrijk vonden en de nationalistische koers van de Sovjet-Unie verwierpen, werden als Trotskisten geroyeerd. Omdat Pronk zelf bedankte voor het partijlidmaatschap ontsnapte hij aan royement. Met Manuel en Gans sloot hij zich in 1935 aan bij de Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij van Henk Sneevliet. Omdat hij bij de gemeente Rotterdam werkzaam was als klerk en het zogeheten ambtenarenverbod gold, ondernam Pronk geen openbare politieke activiteiten meer. In 1939 ging hij samenwonen met de Duitse Margarethe Prediger.

Na het Duitse bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940 werkte Pronk voor het Centraal Evacuatiebureau dat opdracht had getroffen Rotterdammers onderdak te verschaffen. Hij reisde het land door om de opvang van geëvacueerde Rotterdammers te inspecteren. Pronk trouwde in september 1940 met Prediger om haar half-joodse kinderen uit een eerder huwelijk te kunnen beschermen. Het gezin bestond uit zijn zoon Maarten en haar drie kinderen. Pronk verkeerde in deze tijd in de kringen van het illegale blad De Vonk en de Internationale Socialistische Beweging. Na 1941 werkte hij voor de provincie Zuid-Holland en gebruikte hij zijn functie bij het Bureau Afvoer Burgerbevolking als dekmantel voor illegaal werk. Na de oorlog sloot Pronk zich aan bij de Partij van de Arbeid (PvdA) en behoorde daarbinnen tot het in 1946 opgerichte Sociaal-Democratisch Centrum. Vanwege de steun van de PvdA aan de politionele acties in Indonesië en de keuze voor de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) uit 1949 zegde hij zijn partijlidmaatschap op. In kringen rond het uit De Vonk voortgekomen weekblad De Vlam leefden plannen om een brede links-socialistische beweging te vormen. Eind 1949 plaatste Pronk onder de schuilnaam Maartensz. (omdat de redactie zijn artikel bewerkt had) een oproep in De Vlam tot vorming van de Socialistische Unie (SU). Deze werd begin 1950 als politieke partij opgericht. Pronk werd secretaris, later voorzitter van de SU en medewerker aan het partijblad De Stem, dat al snel werd omgedoopt in Nieuwe Wereld. De meeste leden van de SU kwamen uit kleine organisaties zoals de Socialistische Beweging, het Socialistisch Genootschap, de Vooruitstrevende Partij voor de Wereldregering en de Oude SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) of waren geroyeerde CPN-leden, zoals Gerrit Roorda uit Friesland. Besprekingen om tot fusie te komen met de verwante trotskistische Revolutionair Communistische Partij van Sal Santen leverden niets op, alhoewel de verhouding vriendelijk bleef. De SU positioneerde zich tussen de CPN en de PvdA. Pronk streefde naar een links en onafhankelijk eenheidsfront en wilde een Europese Socialistische Unie in het leven roepen, zonder inmenging van de Verenigde Staten of de Sovjet-Unie. Daarbij was de dreiging van een atoomoorlog tussen beide grootmachten, die alle klassen zou vernietigen, zijn drijfveer om ieder geweld af te wijzen en ontwapening te eisen. Internationaal oriënteerde Pronk zich op het door Josip Tito geleide Joegoslavië, dat een derde, ongebonden socialistische weg voorstond. Wat de binnenlandse politiek betreft, leverde Pronk kritiek op de door de erkende vakbeweging gevoerde geleide loonpolitiek en op de grote invloed van de overheid op de maatschappij. Pronk wilde een democratischer samenleving, waarbij hij teruggreep op linkscommunistische idealen en een vorm van bedrijfsorganisatie voorstond waarin niet de leiding van vakbonden en politieke partijen beslisten maar de arbeiders zelf. De SU onderhield goede contacten met het syndicalistische Onafhankelijk Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB). Bij zijn marxistische overtuiging stond Pronk positief tegenover het christendom. Hij wilde ‘een oorlog voorkomende politiek’ en socialisatie door ‘een beter moreel klimaat’. In 1950 deed de SU mee aan de verkiezingen voor de Provinciale Staten en veroverde Roorda in Friesland voor de partij een zetel. Een jaar later deed Pronk mee aan het overleg om te komen tot de vredesbeweging De Derde Weg, die zowel de NAVO als de door de Sovjet-Unie geleide Cominform afwees. Maar hij trok zich hieruit terug omdat hij De Derde Weg onvoldoende socialistisch vond. Toen voorzitter Dik Noordewier en redacteur Cees Houwaard de partij in 1953 de rug toekeerden, trad Pronk sterker op de voorgrond.

Via de bekende Rotterdamse zakenman en aanhanger van de vooroorlogse Oxford-beweging, mr. Herman Carel Hintzen, kwam Pronk in contact met de van oorsprong Amerikaanse Morele Herbewapening. Deze anticommunistische instelling, die harmonie preekte tussen arbeid en kapitaal, telde enige aanhang onder enkele vakbondsbestuurders en linkssocialisten. Morele Herbewapening stond een verenigd Europa voor om daarmee de wereldvrede te bestendigen en belegde sinds 1946 conferenties in het Zwitserse Caux, waar ook sociaaldemocraten als de voormalige NVV-voorzitter Evert Kupers en minister van Sociale Zaken Dolf Joekes kwamen. Pronk ging er in 1951 namens de SU met Roorda heen en sprak er over Karl Marx. Hij was overtuigd dat Morele Herbewapening de wereldvrede kon redden en de welvaart van de arbeiders zou verhogen. Hij liet sociaal-voelende werkgevers, onder wie de Dordtse fabrikant Julien Redelé, die Morele Herbewapening een warm hart toedroegen in zijn blad schrijven. De CPN beweerde daarop dat Pronk niet alleen een Titoïst en Trotskist was, maar vooral een knecht van ‘de Amerikaanse agent en oorlogshitser De Kadt’ en in dienst stond van politici als Louis Beel en Willem Drees om de CPN stemmen te ontfutselen. Pronk was in deze tijd werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In 1952 zat Pronk in de Rotterdamse Rivièrahal een openbare vergadering van Morele Herbewapening voor, speciaal voor havenarbeiders bedoeld. Hierbij waren enkele vooraanstaande gasten uit binnen-en buitenland aanwezig, onder wie vertegenwoordigers van de grote werkgevers, zoals Frits Philips, die een zekere belangstelling toonde voor Pronk, maar ook buitenlandse vakbondsbestuurders. De aanwezigen spraken zich uit voor harmonieuze arbeidsverhoudingen. Pronk reisde hetzelfde jaar af naar Ceylon voor een internationale vergadering van de Morele Herbewapening. Hij bood daar verontschuldigingen aan voor wat Nederland in Azië had aangericht en riep op de Koreaanse oorlog onmiddellijk te beëindigen. 

Pronk koesterde hoge verwachtingen van de Tweede Kamerverkiezingen van 1952. Maar met 18.000 stemmen bleef de SU met hem, Roorda en ir. Pieter Schut als lijsttrekkers ruim onder de kiesdrempel. Begin 1953 zette Pronk de partij daarom om in een vereniging met het blad Nieuwe Wereld als discussieplatform voor linkse samenwerking. Hij voelde niet voor toenadering tot de PvdA, zoals sommigen binnen de SU wilden, maar zocht samenwerking met kleine linkse organisaties, zoals het OVB, de Federatie van Anarchisten in Nederland, de Vrijdenkersvereniging De Dageraad en De Derde Weg. Een Onafhankelijke Contact Commissie voor Vredeswerk (OCV) moest de ideeën over socialisme en pacifisme propageren. Maar in 1954 verliet Pronk de verenigingsgedachte en de OCV en werd de SU weer een politieke partij. De Statenverkiezingen van 1954 pakten voor de SU opnieuw slecht uit. Daarop wilde Pronk een Socialistische Partij Nederland (SPN) vormen, waarin de SU zou samengaan met de CPN, het linkse deel van de PvdA en het Daklozenberaad. Na Pronks besluit om aan de Tweede Kamerverkiezingen van 1956 mee te doen noemde de CPN hem een provocateur en politiespion. De SU liep naar de rechter, kreeg gelijk en in De Waarheid verscheen een artikel waarin de uitspraak werd betreurd. Tot verbazing van sommigen in de SU bleef Pronk zich op de CPN oriënteren. Hij putte echter moed uit de destalinisatie die Sovjet-partijleider Nikita Chroesjtsjov in februari 1956 had ingezet met het openbaren van de misdaden van Jozef Stalin. Chroesjtsjov riep de West-Europese communistische partijen op tot samenwerking met sociaaldemocratische partijen en ontbond in april de Cominform. Pronk benadrukte dat het CPN-bestuur ‘de fouten’ van Stalin betreurde en zocht toenadering om te fuseren tot de beoogde SPN. Bij gebleken succes wilde hij ook de PvdA benaderen. Eind april stuurde Pronk een telegram aan de CPN, waarin hij gesprekken voorstelde, ‘die kunnen bijdragen tot de vernieuwing van de arbeidersbeweging in de richting van menselijk en wetenschappelijk marxisme-leninisme’. Hij wilde de CPN overtuigen de Sovjet-Unie los te laten, maar was een zwakke kandidaat omdat de SU slechts ongeveer honderd leden telde. In mei 1956 spraken de besturen van SU en CPN af dat Pronk niet aan de verkiezingen zou deelnemen en een stemadvies ten gunste van de CPN zou geven. In ruil daarvoor mocht hij in een drietal artikelen in De Waarheid zijn standpunten omtrent een SPN uiteenzetten. Hoofdredacteur Marcus Bakker weerde echter de zinsneden waarin de CPN slaafse volgzaamheid aan de Sovjet-Unie werd verweten. Pronk accepteerde dit noodgedwongen omdat anders het socialisme in Nederland niet dichterbij kwam en samenwerking noodzakelijk bleef. De PvdA liet Pronk intussen weten niets in de SPN te zien. Toen de Amsterdamse SU-afdeling samenwerking met de CPN afwees, royeerde Pronk de afdeling, die daarop het initiatief nam tot het oprichten van een onafhankelijke links-socialistische partij, de latere Pacifistisch Socialistische Partij (PSP). Hiermee kwam Pronks droom van een SPN tot een eind. CPN-voorzitter De Groot voelde daar niets voor en, onder de indruk van het meedogenloze neerslaan van de Hongaarse opstand door de Sovjet-Unie in 1956, verloor Pronk ieder vertrouwen in het communisme. De inval was strijdig met de vreedzame co-existentie die hij bepleitte. Hij kreeg hierover ruzie met Roorda, die de inval verdedigde, en zocht daarop zijn heil bij de PvdA. In maart 1957 wilde Pronk dat de SU zich als een soort werkgemeenschap bij die partij aansloot. Hij zag niets meer in eenzijdige ontwapening, die in zijn ogen niet tot vrede leidde, maar tot verzwakking van het westen. Samen met de SU-secretaris en latere hoogleraar algemene rechtswetenschappen Frits Böhtlingk verliet hij in juni de SU en sloot zich aan bij de PvdA, omdat hij ‘gaarne genoegen neemt met een verburgerlijkte sociaal-democratie’. Enkele Trotskisten van de Revolutionair Communistische Partij, die hun opvattingen binnen de PvdA probeerden uit te dragen, vroegen hem lid te worden van het Sociaal-Democratisch Centrum. Pronk zocht echter geen toenadering, maar stak zijn energie in het Rotterdams Kamerorkest, waarvan hij in mei 1960 zakelijk leider was geworden.

In 1963 trad Pronk weer in de openbaarheid, nu als spreker voor de Rotterdamse PvdA. Hij was in het Rotterdamse federatiebestuur gekozen en was secretaris van het district Rotterdam-Rechter Maasoever geworden. In ingezonden brieven in Het Vrije Volk bleek zijn weerzin tegen de burgerlijke partijen. In 1965 maakte hij bezwaar tegen deelname van de PvdA aan het kabinet onder leiding van de katholiek Jo Cals en de sociaaldemocraat Anne Vondeling. De val van dit kabinet in ‘de Nacht van Schmelzer’ in oktober 1966 zorgde er voor dat Pronk zich weer manifesteerde. Er ontstond een linkse maar heterogene stroming binnen de PvdA die zich ontwikkelde tot Nieuw Links, waar Pronk zich als typische vertegenwoordiger van ‘oud links’ bij aansloot. Hij hoopte dat Nieuw Links voor een principieel socialisme zou kiezen. Samen met Han Lammers schreef hij in 1968 voor Nieuw Links de discussienota over samenwerking met de andere progressieve partijen D’66, Politieke Partij Radicalen en PSP. In Rotterdam verdedigde hij deze samenwerking samen met André van der Louw. Hij wees op de succesvolle Zweedse sociaaldemocratie en hoopte dat de PvdA door die progressieve samenwerking eenzelfde positie zou bereiken. Pronk bepleitte een gematigde koers van Nieuw Links en had vertrouwen in de PvdA: ‘wij maken ons op om met deze partij een socialistische maatschappijstructuur te realiseren’. Als veteraan vervulde hij een brugfunctie tussen de jonge aanhang van Nieuw Links en oudere PvdA-leden die Nieuw Links wantrouwden. Met de meeste aanhangers van Nieuw Links verklaarde Pronk zich in 1969 solidair met de studenten die in Amsterdam het universitair bestuurscentrum het Maagdenhuis bezetten. Maar hij verafschuwde het straatrumoer van de antiautoritaire en weinig serieuze jeugdbeweging Provo, die hij beschuldigde slechts er op uit te zijn de politie te sarren en relletjes te schoppen. Met een jongere als Hans Kombrink zat Pronk in het communicatieteam van Nieuw Links, dat de relatie met andere progressieve organisaties buiten de PvdA moest onderhouden en verbeteren. Pronk stond als Nieuw Linkser in 1969 tevergeefs verkiesbaar voor het partijbestuur. Hij miste ook een verkiesbare plaats in de Rotterdamse gemeenteraad, maar kwam in plaats daarvan in de partijraad. Daar verdedigde hij het gematigde buitenlands beleid van de PvdA tegenover de radicale eis de defensie-uitgaven sterk te verminderen. Hoewel hij Nieuw Links verweet de partij te splijten, verzette Pronk zich in 1970 tegen het voorstel de groepering op te heffen. Hij stelde voor Nieuw Links om te zetten in een socialistisch studiecentrum.

Uit frustratie over het onvermogen van de Socialistische Internationale om verschillende sociaaldemocratische partijen bijeen te brengen, probeerde Pronk vanaf 1974 de internationale contacten te versterken teneinde tot een links Europa te komen. Hij stond een federatie van socialistische partijen in de Europese Gemeenschap voor en zette de Internationale Stichting Links Europa op met het blad Europress: ‘Er zijn … socialisten die zich bezighouden met lantaarnpalen en pisbakken, maar er moeten er ook zijn die zich inspannen voor vrede en veiligheid, de controle op multinationals en nog zowat’. Hij wilde wat volgens hem Marx voor ogen stond: een internationale bundeling van socialisten. Van 1969 tot 1973 was Pronk voorzitter van het Rotterdamse wijkorgaan Centrum-Noord (voorloper van de deelgemeenteraad Centrum-Noord). Daarna vertegenwoordigde hij de PvdA hierin tot 1978. Hij was betrokken bij het opbouwwerk dat in het kader van de stadsvernieuwing van de grond kwam. Hij kende de grote woningnood en zette zich in voor verbetering van de verwaarloosde oude wijken. Als aanhanger van de Club van Rome pleitte hij voor regulering van het verkeer om de binnenstad leefbaar te houden. Hij betoonde zich gematigd in de gemeentepolitiek en was wars van de machtspolitiek van de Rotterdamse PvdA. Hij was voor een afspiegelingscollege. Pronk verdedigde de totstandkoming van het kabinet onder leiding van Joop den Uyl. In 1977 sprak hij zich uit voor de verkorting van de werkdag tot zes uur en voor pensionering op 60-jarige leeftijd om de opkomende werkloosheid tegen te gaan. Vlak voor zijn dood kreeg Pronk van burgemeester Van der Louw de Erasmus-speld uitgereikt vanwege zijn verdiensten voor Rotterdam. Na zijn dood publiceerde het Carlos Pronk Institute for Socialist Peace and Development Policy korte tijd een eigen maandschrift.
 

Archief: 

Inventaris 1113 ‘C. Pronk, inspecteur Evacuatiebureau’ in Stadsarchief Rotterdam.

Publicaties: 

Wij willen de wereld herbouwen (Rotterdam 1952); ‘Een woord vooraf’ in: De Waarheid, 9.5.1956; ‘Socialistische strijd in de 2de helft van de 20ste eeuw’ in: De Waarheid, 16, 23, 25 en 29.5.1956; De wortels van het stalinisme (Rotterdam 1963); Links Nederland! Welke koers in de volgende jaren? Socialistisch antwoord (Rotterdam 1965); Visie en struktuur van een socialistische partij. Discussiebijdrage (Rotterdam 1969); ‘Voor mij hoeft het nog wel’ in: Socialisme & Democratie, jrg. 30, nr. 6, juni 1973, 295-298.

Literatuur: 

P. Howard, De wereld herbouwd. De geschiedenis van Frank Buchman en van de mannen en vrouwen van de Morele Herbewapening (Leiden 1951); De Socialistische Unie in dienst der Amerikanen (Amsterdam 1952); ‘Pronk op “Nieuwe Paden”’ in: De Waarheid, 14.11.1952; L. van der Land, Het ontstaan van de Pacifistisch Socialistische Partij (Amsterdam 1962); Rotterdams Nieuwsblad, 1.8.1970; P. Lankhorst, De vredesbeweging ‘de derde weg’ (1951-1965) (Amsterdam 1973); B. Schmidt, Rode jaren. Herinneringen van een antifascist (Rotterdam 1981); K. Huisman, It libben fan Gerrit Roorda (Ljouwert z.j.); Het Vrije Volk, 11.10.1980; H. Gortzak, Hoop zonder illusies. Memoires van een communist (Amsterdam 1985); P. Denekamp (red.); Onstuimig maar geduldig (Amsterdam 1987); G.R. Zondergeld, ‘Linkse dissenters in de Koude Oorlog: de Socialistische Unie (1950-1957)’ in: E.K. Grootes en J. de Haan (red.), Geschiedenis godsdienst letterkunde. Opstellen aangeboden aan dr. S.B.J. Zilverberg ter gelegenheid van zijn afscheid aan de Universiteit van Amsterdam (Roden 1989) 240-249.

Portret: 

Carlos Pronk bij PvdA Congres, april 1975 (IISG, Amsterdam)

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (2019)