QUACK, Hendrick Peter Godfried

Hendrick Peter Godfried Quack

historicus van het socialisme, is geboren te Zetten op 2 juli 1834 en overleden te Amsterdam op 6 januari 1917. Hij was de zoon van Peter Christoffel Quack, ondernemer en weldra rentenier, en Theodora Segerina Heineken. Op 14 december 1865 trad hij in het huwelijk met Clasine Thérèse van Heukelom. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Zijn vroegste kinderjaren bracht Quack door op de buitenplaats Steenbeek, annex brouwerij, bij Zetten. Zijn vader was echter een zo slecht zakenman dat de schulden zich ophoopten. Zijn zwagers stelden orde op zaken, dwongen hem Steenbeek te verkopen en een eenvoudige woning te betrekken in Baarn. Daar moest het gezin leven van een kleine toelage van de schoonfamilie. Quack doorliep er de lagere school. Na enig tegenstribbelen van zijn moeder mocht hij in Amsterdam naar het gymnasium. Eerst ging hij in de kost bij familie maar het gezin volgde hem weldra naar een huurwoning op de Brouwersgracht. Quack studeerde van 1853 tot 1859 rechten aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam. Ondanks zijn krappe beurs nam hij volop aan het studentenleven deel. Als anderen champagne dronken, stelde hij zich tevreden met een glas water. Zijn leermeesters waren M. des Amorie van der Hoeven en J. de Bosch Kemper. Beiden waren godsdienstige conservatieven, die hem doordrongen van het organische gemeenschapsdenken en van geestelijke waarden. Aan Des Amorie van der Hoeven wijdde Quack na diens overlijden in 1869 een bewonderende biografie en zijn levenswerk droeg hij op aan De Bosch Kemper. Hij promoveerde in Utrecht, aangezien het Amsterdamse Athenaeum nog het 'ius promovendi' miste, op Het staatswezen in de XIVde eeuw. Historisch ontwikkeld (Amsterdam 1859). Aan zijn liefde voor de middeleeuwse mystiek gaf hij duidelijk uiting en deze zou voor het leven blijken te zijn. Zijn mystiek ging gepaard met een sterk moreel idealisme. Hij begon zijn loopbaan met wat journalistiek werk tot hij in 1860 als adjunct-commies op de provinciale griffie te Haarlem kwam te werken. Hij kreeg statistisch werk te doen maar cijfers hadden niet zijn grote liefde. In Haarlem kwam hij in aanraking met C. Busken Huet. Dit contact groeide uit tot een vriendschap. Vervolgens was hij van 1861 tot 1863 secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Amsterdam. Hier leerde hij het bedrijfsleven in al zijn geledingen kennen. In 1863 werd hij secretaris van de particuliere aatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en verhuisde naar Den Haag, waar hij tot 1868 bleef wonen. Hij riep een pensioenfonds in het leven dat mede door het personeel werd beheerd. Hij was zeer teleurgesteld toen de regering, die in 1912 de spoorwegen nationaliseerde, aan deze medezeggenschap een einde maakte. In 1865 trouwde hij met Thérèse van Heukelom, die uit een Amsterdamse bankiers- en koopmansfamilie stamde. Zij was doopsgezind. Door haar invloed verdiepte zich, volgens Quack's eigen woorden, zijn geestelijk leven, dat aan het vervlakken was, weer. Zijn oude vriend Frans Rauwenhoff, predikant van de moderne richting, zegende het huwelijk in.

Van 1863-1894 was Quack redacteur van De Gids, na vanaf 1860 al politieke overzichten geschreven te hebben. Op gezette tijden verschenen zijn eigen bijdragen voor een deel ook apart in vier bundels (tussen 1877 en 1899). Zij bevatten onder meer portretten van vooraanstaande figuren uit zijn vriendenkring en zijn omgeving op literair en maatschappelijk gebied. Behalve in De Gids schreef hij in het Sociaal Weekblad. Hij werkte in 1870 en 1871 mee aan de Nieuwe Rotterdamsche Courant en volgde in zijn weekoverzichten de Frans-Duitse oorlog en de Parijse Commune. In 1868 was hij op voorspraak van De Bosch Kemper benoemd tot hoogleraar in de staatswetenschappen in Utrecht. Staat en maatschappij (Amsterdam 1868) was de titel van zijn oratie. De economie beschouwde hij als een onderdeel van de sociologie. In deze geest hield hij in 1875 een rectorale rede over 'Bouw en samenstel der maatschappij' (De Gids, 1875, nr. 4). Toen de Staatsspoorwegen in 1870 het hoofdkantoor naar Utrecht verplaatste, kreeg Quack een zetel in de nieuwe raad van commissarissen en belastte hij zich met het secretariaat. In 1875 voltooide hij het eerste deel van zijn levenswerk De socialisten. Personen en stelsels, dat zich ten doel stelde de gemeenschapsgedachte in liberale kring uit te dragen. Hij liet daarbij zien dat Adam Smith niet zo liberaal was als vele liberalen dachten en dat deze staatsinmenging ten gunste van de sociaal zwakken niet afwees. Quack nam zich voor het Europese socialisme in al zijn vertegenwoordigers in kaart te brengen, maar in Nederland ontbraken hiervoor de bronnen. Universiteitsbibliotheken hadden niets op met socialistische geschriften en schaften deze niet aan. In het buitenland moest hij de boeken, brochures, vlugschriften, tijdschriften en vooral dagbladen die hij nodig had zelf kopen. Zijn zomervakanties besteedde hij aan het aflopen van antiquariaten. Vooral in Frankrijk en in Parijs was hij een goede klant van de 'bouquinistes' langs de Seine. Hiermee was veel geld gemoeid. Aangezien het hoogleraarssalaris toen nog bescheiden was, kon hij het daarvan niet bekostigen. Naar zijn zeggen trad hij om die reden in 1877 af als hoogleraar en keerde terug naar Amsterdam, waar hij een betrekking aanvaardde als secretaris van De Nederlandsche Bank. In 1885 werd hij in de directie opgenomen. Door zijn vele contacten vielen hem ook commissariaten ten deel. Na zijn aftreden als secretaris van De Nederlandsche Bank verbond hij zich aan de Nederlandsche Handel-Maatschappij en werd daar op den duur president-commissaris. In 1892 werd hij commissaris van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij en een jaar later president-commissaris. Van de Maatschappij tot Exploitatie van de Staatsspoorwegen was hij al vanaf 1881 weer commissaris. In deze laatste functie zou Quack de spoorwegstaking van 1903 meemaken. Hij sprak van 'een conflict tussen vage sociale ideeën en scherp belijnde economische begrippen'. Het massaontslag na de mislukte april-staking achtte hij onvermijdelijk maar hij noemde het de wreedste bladzijde van zijn levensboek, de diepste smart die zijn hart had doorsneden. H.J. van Braambeek van de vakbond van spoorwegpersoneel constateerde dat de houding van de Staatsspoorwegen en de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij bij de afwikkeling van dit conflict sterk verschilden. Bij het Staatsspoor 'hebben geen vervolgingen plaats. Men geniet er een zeer grote mate van vrijheid, waarvan dan ook wel ruim gebruik word gemaakt'. Van Braambeek was geneigd dit toe te schrijven aan Quack, die voorzitter van de Raad van Commissarissen was. Niet alleen nam Quack een sleutelpositie in het economisch leven in, ook op cultureel terrein was hij actief. Zo was hij een tijdlang voorzitter van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en steunde hij de secretaris A. Kerdijk in diens pogen de aandacht van deze instelling te vragen voor het sociale vraagstuk. Dit lukte, maar het door Kerdijk uitgegeven Sociaal Weekblad schrok de leden zeer af door de radicale toon die het bezigde. Het moest zijn eigen weg gaan. Volgens tijdgenoten blonk Quack uit als redenaar. In Amsterdam sloot hij zich aan bij de conservatief getinte liberale kiesvereniging De Grondwet, die haar leden recruteerde uit de grachtengordel en niet bij de veel grotere en progressievere kiesvereniging Burgerpligt. In 1885 werd hij op aandringen van burgemeester G. van Tienhoven buitengewoon hoogleraar in de leer der maatschappij aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn oratie heette 'Sociale politiek'. Hij trok weinig studenten. Overdag diende Quack het kapitalisme, 's avonds wijdde hij zich aan de studie van het socialisme. Toch zag Quack dit niet als een tegenstrijdigheid. Volgens hem vergrootte het zich inzetten voor de economie van het land, het versterken van de produktiekrachten, het scheppen van werkgelegenheid, de welvaart voor allen. Hij had een afkeer van de renteniers die op hun buitenverblijven hun leven vulden met jagen, musiceren en partijtjes geven. Het kapitaal moest produktief in het eigen land aangewend worden. Het ging hem niet in de eerste plaats om geld. Bij zijn dood liet hij nauwelijks iets na.

Intussen schreef Quack door aan zijn standaardwerk De socialisten, Personen en stelsels. Het tweede deel verscheen in 1887, het derde deel in 1892, het vierde deel in 1897. In 1900 volgde het vijfde deel en in 1901 het zesde deel. Quack bleef er aan doorwerken. Afzonderlijke publikaties werden in het grote geheel en in de verschillende drukken van de afzonderlijke delen geïntegreerd. Nadat de eerste druk van vier delen in Amsterdam in de jaren 1875-1897 gepubliceerd was, verscheen de tweede druk van zes delen tussen 1897 en 1901, de derde druk tussen 1899 en 1912, de vierde druk tussen 1911 en 1923 en de vijfde druk (van de delen 1 en 2) in 1921. Quack streefde er naar in alle objectiviteit de opvattingen van de meest uiteenlopende socialistische denkers weer te geven. Hij onthield zich van kritiek maar probeerde hen te begrijpen vanuit hun eigen motieven en uitgangspunten. Zijn eigen opvattingen grensden het dichtst aan die van de saint-simonisten. Quack verliet zich niet op andere historici, die maar al te vaak elkaars fouten klakkeloos overschreven. Hij rustte niet voor hij de originele gedrukte stukken in handen had. Hij blonk uit in het portretteren van personen, hield van anekdotes en beeldspraak en was een goed verteller, die de retoriek niet schuwde. Hij beoogde volledigheid, vandaar ook zijn minutieuze beschrijvingen. Menig vergeten socialist haalde hij weer voor het voetlicht. Het werd door deze beide doelstellingen een in Europa nooit geëvenaard en uniek werk. Met de Nederlandse socialistische arbeidersbeweging had hij echter geen contact. Wel woonde Quack in 1872 het scheuringscongres van de Internationale in Den Haag bij en sloeg daar Karl Marx gade. Volgens hem een groot man, maar 'Men kan niet zeggen dat hij een edel hart had'. Zijn uitgebreide hoofdstuk over Marx schreef Quack, toen er in Nederland nog vrijwel niets over diens leer en persoon verschenen was. 'Het is de eerste uitvoerige, in het Nederlands verschenen uiteenzetting over de economische theorieën van de schrijver van Het Kapitaal en zijn historisch-materialistische geschiedfilosofie,' aldus Arthur Lehning. Nog altijd is deze uiteenzetting uitzonderlijk instructief en overzichtelijk. Quack wisselde een paar brieven met F. Domela Nieuwenhuis, die hem zijn afzijdigheid verweet. Hij gaf dit toe maar vond dat men hem moest nemen zoals hij nu eenmaal was. Polemieken en politieke strijd vermeed hij. Toch had de proletarische ellende, waarmee Quack bij zijn bezoeken aan het Duitse Roergebied en de Belgische Borinage geconfronteerd werd, hem diep geschokt. Pas met 77 jaar trad hij af als directeur van De Nederlandsche Bank. Tenslotte stelde hij op hoge leeftijd zijn levensherinneringen op schrift in twee delen, die in 1907 en 1910 verschenen maar niet in de handel kwamen. Pas in 1913 kwam een handelseditie op de markt. De Eerste Wereldoorlog maakte hem somber. Generaties socialisten lazen in hun jonge jaren De Socialisten van Quack. W. van Ravesteyn zag zijn drie delen Het socialisme aan den vooravond van den wereldoorlog (Amsterdam 1933, 1939 en 1960) als een vervolg op Quack's Socialisten. Dat de historicus, socioloog en econoom Quack nog niet vergeten was, bewijzen de verschenen reprints van De Socialisten (Baarn 1977, zes delen) en de volledige Herinneringen (Nijmegen 1977).

Archief: 

Archief H.P.G. Quack in Universiteitsbibliotheek Amsterdam.

Publicaties: 

Martinus des Amorie van der Hoeven (Amsterdam 1869); Studiën op sociaal gebied (Haarlem 1877); Studiën en schetsen (Amsterdam 1886); Beelden en groepen. Studiën (Amsterdam 1892); Uit den kring der gemeenschap. Omtrekken en figuren (Amsterdam 1899). Herinneringen uit de eerste veertig levensjaren van Mr. H.P.G. Quack (Amsterdam 1907); Herinneringen uit de laatste vijf- en-dertig levensjaren van Mr. H.P.G. Quack (Amsterdam 1910); Herinneringen uit de levensjaren van Mr. H.P.G. Quack, 1834-1913 (Amsterdam 1913; omvat de beide vorige Herinneringen); Herinneringen uit de levensjaren van Mr. H.P.G. Quack, 1834-1914 (Amsterdam 1915, tweede druk; herdruk Nijmegen 1977); Van sociale politiek naar sociaal recht. Een bundel arbeidsrechtelijke oraties sinds 1885 (Alphen aan den Rijn 1966; door H.P.G. Quack en anderen).

Literatuur: 

F. Guilleaume, 'M. Quack, révélateur de Colins en Hollande' in: Revue du socialisme rationnel, 30, 269, december 1904, 300-24; B.H. Pekelharing, 'Mr. H.P.G. Quack en zijn standaardwerk' in: Vragen des Tijds, 38/1, 1911; H.T. Colenbrander, 'In memoriam H.P.G. Quack' in: De Gids, 1917; H.C. Diferee, 'Herinneringen aan wijlen Prof. dr. H.P.G. Quack' in: Groot-Nederland, 15, 2, 1917; J. Saks, 'Mr. H.P.G. Quack' in: Socialistische opstellen (Rotterdam 1918) 75-165 (oorspronkelijk in: De Socialistische Gids, 1917); P.J. Bouman, 'H.P.G. Quack 1834-1917' in: Vragen van den dag, december 1934, 807-19; J.H. Jonckers Nieboer, Geschiedenis der Nederlandsche Spoorwegen 1832-1938 (Rotterdam 1938); J. Kruseman, 'Mr. Quack en zijn idee der gemeenschap' in: De Gids, 1947, nr. 10, 30-50; P.J. Bouman, Uit het levenswerk van H.P.G.Quack (Amsterdam 1955); J. Barents, H.P.G. Quack. Zijn leven en werk (Assen 1959); J.A.A. van Doorn, Beeld en betekenis van de nederlandse sociologie (Utrecht 1964); A.M. de Jong, Geschiedenis van De Nederlandsche Bank (Haarlem 1967); B. van Heerikhuizen, 'Sociologie in het werk van Quack' in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 1976, 33-50, 303-27; J. Rogier, 'De vriend van armen en rijken' in: Herinneringen (Nijmegen 1977, reprint) VII-XXV (ook in: Vrij Nederland Kleurkatern, 1.10.1977, 24-30); A. Lehning, 'Ter inleiding' in: De socialisten. Personen en stelsels (Baarn 1977, reprint) V-XXI; Catalogus van de schenking-Quack (Londen 1977); A.G. van der Steur, 'Tijdgenoten over Haarlem. VIII. H.P.G. Quack 1860-1861' in: Jaarboek Haerlem, 1978, 143-53; W.W. Mijnhardt, A.J. Wichers (red.), Om het algemeen volksgeluk. Twee eeuwen particulier initiatief 1784-1984. Gedenkboek ... Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (Edam 1984); J.J. Woltjer, 'Quack, Hendrik Pieter Godfried' in: BWN II (Amsterdam 1985) 439-42; R. de Ruig, 'Mr. H.P.G. Quack: de ongebroken kracht van de illusie' in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 98, 1983, 191-211; R. de Ruig, 'Het isolement van een romantisch conservatief. Quack en de socialisten' in: Intermediair, 24.12.1987, 47-9, 59; R.A.M. Aerts, De Letterheren. Liberale cultuur in de negentiende eeuw. Het tijdschrift De Gids (Amsterdam 1997).

Portret: 

Hendrick Peter Godfried Quack, geportretteerd door Ferdinand Hart Nibbrig, bijvoegsel De Amsterdammer 2 februari 1896, IISG

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 212-216
Laatst gewijzigd: 

00-00-2001