QUERIDO, Israël

Israël Querido

sociaal-democratisch romanschrijver en criticus, is geboren te Amsterdam op 1 oktober 1872 en aldaar overleden op 5 augustus 1932. Hij was de zoon van Aron Querido, diamantslijper, en Ester Lopes Dias. Op 30 mei 1893 trad hij in het huwelijk met Janet Sjouwerman, met wie hij een zoon kreeg.
Pseudoniemen: Théo Reeder, Joost Verbrugge, J.V.

Querido kwam voort uit een arme Portugees-joodse familie die sinds de zeventiende eeuw in Amsterdam woonde. Er heerste een strenge geloofstraditie in dit milieu. Men was trots op zijn sefardische afkomst. De proletarische joodse gemeenschap van diamantbewerkers, waartoe het gezin Querido behoorde, bevond zich eind van de negentiende eeuw in een fase van emancipatie. De vrijmaking van deze ghetto-achtige samenleving ging bij velen samen met een belangstelling voor cultuur, met kennisname van en deelneming aan kunst en letteren, sport en natuurschoon. Israëls vader las alles wat hij te pakken kon krijgen. Hij verbrak de traditie van zijn omgeving door uit de joodse buurt van Amsterdam te verhuizen naar de Roetersstraat in een toen nieuwe wijk en zijn zoons naar een particuliere school te sturen in plaats van naar de stadsschool. Israël Querido kreeg, evenals zijn oudere broer Emanuel, de latere uitgever, tot zijn veertiende onderwijs voor hij geld moest verdienen. In het begin van zijn loopbaan mislukten veel baantjes. Een opleiding tot horlogemaker kon hij niet afmaken vanwege een oogbeschadiging, waarna hij in de diamantindustrie terechtkwam. Rond zijn negentiende was hij korte tijd juwelier, maar ook dat liep mis. Zijn talenten en interesses lagen op andere terreinen. Hij speelde viool, maar deze aanleg werd vroegtijdig belemmerd door zijn streng religieuze moeder, die hem verbood op de sabbath te spelen. Vanaf zijn veertiende trad hij op als violist en kwam zo in aanraking met theatermensen en kunstenaars, bij wie hij zich thuis voelde. Zij stimuleerden hem om door te gaan in de letterkunde, waar hij zich al van jongs af aan het meest voor interesseerde. Querido ontwikkelde zich als autodidact. Overdag werkte hij en 's avonds schoolde hij zichzelf in 'alle filosofieën en de gansche wereldliteratuur' om het gemiste onderwijs in te halen. Hij was een uitgesproken persoonlijkheid: hij had ambitie, een hartstochtelijk en heftig temperament en was zeer welbespraakt. In zijn arbeiderstijd nam hij enthusiast deel aan vergaderingen van de opkomende arbeidersbeweging en richtte met enkele vrienden de debatingclub De Olievlek op. Ook stichtte hij de turnvereniging De Halter, een van de eerste volksverenigingen voor lichamelijke ontwikkeling in Amsterdam.

In zijn puberteit begon Querido met een roman die geïnspireerd was op een werk van de Fransman G. Aimard, maar deze poging strandde. Op zijn achttiende leerde hij zijn aanstaande vrouw kennen. Op haar aandringen debuteerde hij onder het pseudoniem Théo Reeder met de bundel Gedichten (Amsterdam 1893), een jaar later verscheen, onder hetzelfde pseudoniem, de bundel Verzen (Amsterdam 1894), imitaties van de sensitivistische lyriek van Herman Gorter, over wie hij in 1898 een essay zou publiceren. Meer succes hadden zijn literaire kritieken en ook het schrijven van essays ging hem goed af, al had hij de neiging zijn zelf verworven eruditie te veel te willen etaleren. Als redacteur van het horecaweekblad Vergunningsrecht schreef hij dit blad praktisch alleen vol. Hij verdiende weinig geld met het journalistieke werk. Aanvankelijk publiceerde hij kritieken in de Kunstwereld en later kreeg hij onder het pseudoniem J.V. een rubriek in het dagblad De Amsterdammer. In deze rubriek ging hij heftig te keer tegen het individualisme, de 'ik-pest', en de impressionistische stijl van de Tachtigers, hoewel hij zelf in zijn woordkeus en zinsbouw een regelrechte navolger was van De Nieuwe Gids-beweging. Ondanks de literaire verwantschap was de antipathie tussen de Tachtigers en Querido wederzijds. Behalve L. van Deyssel negeerden de Tachtigers hem min of meer, waarschijnlijk omdat Querido's maatschappelijke achtergrond en gevoelswereld te sterk van hun wereld verschilden. Querido was een tegenstander van de aristocratie en de bourgeoisie. Zijn sympathie lag bij het volk. Zijn ideaal was een socialistisch kunstenaar te zijn die de gevoelswereld van het proletariaat kende en doorvoelde. Met zijn romans wilde hij een veelomvattend beeld geven van groepen mensen of van tijdsgewrichten en geen beschrijvingen van de buitenkant. In de inleiding op zijn gebundelde essays en kritieken Meditaties over Literatuur en Leven (Den Haag 1897) noemde hij zichzelf visionair. Later zou hij verklaren: 'uitwendig waarnemen is iets dat ik niet kan volhouden ... ik kan de dingen niet klein zien: ik moet ze vergroten, doorlichten ... ik moet er helemaal door vervoerd worden... Ik heb niets aan realiteit'.

Querido werd in 1897 lid van de SDAP tegelijk met Herman Heijermans, die hij tot dan toe in zijn rubriek in De Amsterdammer had bestreden. Toen bleek dat zij dezelfde levensbeschouwing hadden, vroeg Heijermans Querido mee te werken aan het tijdschrift De Jonge Gids, dat hij in 1898 had opgericht als socialistische aanvulling op De Nieuwe Gids, dat hij als een 'bourgeois' blad beschouwde. In zijn historisch-materialistische literatuuropvatting, zo schreef Querido in 1898 aan Heijermans, zouden zijn stukken niet alleen groter zijn maar ook 'alleen-sprekend als sociaal-democraat, en daarin letterkundige, historikus, wijsgeer, dichter, lierikus... kortom met al de elementen van m'n vorig zijn, maar als reuzen grondslag, de historische kritiek der sociaal-democratische wereldbeschouwing'. Vanuit zijn socialistische visie toonde Querido het leven van slovers en zwoegers en van anderen aan de zelfkant van het leven. Op het verwijt dat hij als socialist te moeilijk schreef, reageerde hij met de opmerking dat Marx' hegeliaanse wijsbegeerte ook niet door de massa werd begrepen. Querido publiceerde nu Studiën over tijdgenooten (Amsterdam 1899), die als serie in De Jonge Gids waren verschenen. Querido's prozadebuut was Levensgang (Amsterdam 1901), een realistische roman in twee dikke delen over het Amsterdamse diamantwerkersmilieu. Querido pakte zijn romans, zoals veel in zijn leven, groots en veelomvattend aan, waarbij, net als bij zijn grote voorbeeld, de Franse naturalist Emile Zola, geen detail verloren mocht gaan. De roman Menschenwee (Haarlem 1903) ging over het plattelandsproletariaat in de bollenstreek. Ook bij dit boek paste Querido Zola's werkwijze toe. Hij verzamelde gegevens en legde een archief aan, oriënteerde zich grondig en ging zelfs een tijdje in de bollenstreek wonen. Hierna verschenen twee autobiografisch getinte romans: Zegepraal (Haarlem 1904) en Kunstenaarsleven (Haarlem 1906). Een vaker gehoorde kritiek op de in barokke stijl - het 'Querido-proza' - geschreven romans was dat ze een genuanceerde karakteruitbeelding misten. Querido bleef intussen ook actief als criticus en publiceerde onder meer in De Gids, Groot Nederland, De Arbeid, De Ploeg, Land en Volk en Het Volk. Vanaf 1905 verzorgde hij twintig jaar lang de literaire kroniek van het Algemeen Handelsblad. Evenals Van Deyssel vatte Querido de kritiek op als een dramatisch-lyrische kunstvorm waarin verbeelding, intellect en sentiment moesten samenvloeien. In zijn kritieken toonde hij zich een scherper en genuanceerder waarnemer van verhoudingen dan in zijn romans. Hij bezat een grote belezenheid van de buitenlandse klassieken. In zijn stukken over grote figuren uit de literatuur zoals Zola, V. Hugo en H. de Balzac plaatste hij zichzelf op gelijke hoogte. Tussen 1904 en 1912 publiceerde hij zes bundels literaire kritieken en essays over de Nederlandse literatuur. Eeuwig geldgebrek was in 1909 de aanleiding tot de oprichting van de Vereeniging Querido, die tot doel had 'het volkomen economisch onafhankelijk maken van den schrijver Is. Querido'. Initiatiefnemers waren onder andere F.M. Wibaut, P.J. Troelstra, Ch. Boissevain, L. Simons en J. Toorop.

In zijn scheppende werk ging Querido in plaats van de autobiografische romanvorm de vorm van het objectieve epos hanteren. Ter voorbereiding van zijn romancyclus De Jordaan ging hij in 1906 voor een aantal jaren in de Jordaan wonen om de taal en de zeden van de mensen daar te bestuderen. Het epos verscheen in vier delen - De Jordaan (Amsterdam 1912), Van Nes tot Zeedijk (Amsterdam 1915), Manus Peet (Amsterdam 1922) en Mooie Karel (Amsterdam 1925) - en behoort tot zijn voornaamste werk. Het beleefde vele herdrukken en werd zijn populairste boek. Na de bestudering van het leven in eigen tijd ging Querido over tot de studie van volken en mensen uit vroeger tijden en andere landen, onder meer in twee op de bijbel gebaseerde treurspelen, Saul en David (Amsterdam 1914) en Aron Laguna (Amsterdam 1917). Door jarenlange studie van Perzië en het oude Griekenland had hij zoveel materiaal verzameld voor de onvoltooid gebleven driedelige cyclus De Oude Waereld. Het Land van Zarathustra (Amsterdam 1918-1921) dat een speciaal deel met wetenschappelijke toelichtingen aan het boek werd toegevoegd. In de Indische dierenvertelling Misleide Majesteit (Amsterdam 1926) rekende hij af met zijn literaire vijanden en vooral met zijn broer Emanuel, die onder het pseudoniem Joost Mendes de tiendelige joodse familieroman Het geslacht der Santeljanos (1918-1928) schreef, waarin Israël en zijn familie vernietigend werden geportretteerd. In zijn laatste bijbelse roman, Simson, de godgewijde (Amsterdam 1927), slaagde Querido erin het gewetensconflict van de hoofdpersoon scherper dan in zijn vorige romans tot uiting te brengen. Samen met zijn socialistische vriend A.M. de Jong begon Querido in 1927 het politiek-literaire Nu. Algemeen Maandblad, dat tot 1929 zou bestaan. De redacteuren openden de aanval op het volgens hen nog steeds bestaande individualisme in de Nederlandse literatuur en zij gingen tekeer tegen de jongere generatie schrijvers uit de kring rond de literaire tijdschriften De Gemeenschap en De Vrije Bladen. De Jong pleitte in de inleiding voor verbroedering en het socialisme: 'Een nieuwe gedachte is aangelicht in het bewustzijn van de volken'. Een aantal schrijvers, onder wie H. Marsman, M. ter Braak, E. Wichman en J. Engelman, reageerde onder aanvoering van A. Kuyle met een tegenaanval in het pamflet aNti-schUnd (1928). De Jong trok zich na een jaar teleurgesteld terug uit de redactie naar aanleiding van Querido's gematigde en positieve mening over Marsman. Volgens De Jong miste Querido 'maatschappelijk inzicht ... maatschappelijke hartstocht'. Tussen de romans door verschenen op gezette tijden verzamelbundels met essays, kritieken en beschouwingen, in totaal zestien. Op het einde van zijn leven ontwierp Querido de nieuwe cyclus Het volks Gods (Amsterdam 1931-1932), waarvan slechts twee delen verschenen. In de laatste jaren van zijn carrière ging het minder goed. Zijn zenuwzieke vrouw en hun verstandelijk gehandicapte zoon werden verpleegd in de psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. In 1932 overleed Querido vrij onverwacht op 59-jarige leeftijd. De socialistische schrijver had zich tijdens zijn leven ontwikkeld tot een bekende, controversiële figuur. Hij werd diep vereerd dan wel hartstochtelijk gehaat, maar iedereen in de letterkundige wereld kende hem. Voor zijn boeken gold hetzelfde. Critici prezen hem als een titaan of een genie vergelijkbaar met kunstenaars als Zola en De Balzac, of verguisden hem als een allerbelabberdst epigoon. Al in 1906 verscheen het eerste boek over hem. Ondanks dat raakte hij snel in de vergetelheid. In tegenstelling tot zijn romans hebben veel zijn kritieken de tand des tijds wel overleefd.

Archief: 

Collectie Is. Querido in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Frank van der Goes (Amsterdam 1898); bibliografie tot 1928 door P.H. Muller in: Opwaartsche Wegen, 1928-1929, 107-112. Na 1928 verschenen: Simson. Ontreddering (Amsterdam 1929); Mijn zwerftochten door de Jordaan en donker Amsterdam (Amsterdam 1931).

Literatuur: 

D.M.J.P.Ch. Breebaart, Is. Querido's Jordaan als episch kunstwerk (Amsterdam 1917); L. Boender, Is. Querido en het begrip literatuur (Maastricht 1927); J.F. Ankersmit, 'Ter nagedachtenis aan Israël Querido' in: De Socialistische Gids, 1932, 657-659; A. de Rosa, 'Israël Querido 1872-1932' in: Geschenk 1933 (z.pl. 1933) 115-119; S.E. van Praag, 'Israël Querido' in: Groot Nederland, 1933, 159-176; K. de Wind, Rond het leven van Israël Querido (Amsterdam 1933); A.M. de Jong, Israël Querido. De mens en de kunstenaar (Amsterdam 1933); H.G. Cannegieter, 'Kunstenaars over kunstenaars' in: De Socialistische Gids, 1935, 402-411; S.P. Uri, 'Israël Querido, als Israëlitisch neo-romanticus...' in: Vlucht der verbeelding (Groningen 1955) 162-171; J. Meijer, Zijn lieten hun sporen achter. Joodse bijdragen tot de Nederlandse beschaving (Utrecht 1964) 201-203; G. Borgers, 'Herman Heijermans en Is. Querido' in: Maatstaf, 1964/1965, 476-498, 545-570; E. d'Oliveira, 'Is. Querido' in: H.U. Jessurun d'Oliveira (red.), '80 en '90 aan het woord (Amsterdam 1966); S. van Faassen, 'Vier brieven van Is. Querido en A.M. de Jong over "Nu"' in: Tirade, 1976, 361-376; S.A.J. van Faassen, 'Querido, Israël' in: BWN I, 479-481; J. van Loon, Een onderzoek naar de relatie tussen A.M. de Jong en Is. Querido. In het bijzonder met betrekking tot het tijdschrift 'NU' 1927-1929 (Tilburg 1982); R. Mozes, De poetica van Israel Querido. Een onderzoek naar zijn opvattingen over de aard van het literaire werk (De Lier 1982); B. Büch, 'De excentriek. Israel Querido' in: NRC Handelsblad, 12.3.1983; M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam 2001).

Portret: 

Israël Querido, IISG

Auteur: 
Stance Eenhuis
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 173-176
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003